derversjes van Van Alphen. Maar deze stukjes over brave dienstboden en tevreden arbeiders zijn nu niet meer te lezen. Daarop volgde in 1782 het werk, dat beider naam blijvend beroemd gemaakt heeft: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, opgedragen aan de Nederlandse juffers. Zij schreven deze roman in brieven op voorbeeld van Richardson en Rousseau. In 1783 verscheen de 2e druk, in 1786 de derde; van 1784-'85 schreven zij de Historie van den Heer Willem Leevend, de grote roman in 8 delen, weer in brieven, strekkende tot ‘leerzaamheid en vrolykheid,’ d.i. tegen de heersende sentimentaliteit. Camphuysens opvattingen worden er in vertolkt: Aagje was bij de Collegianten groot geworden; Betje had de Gereformeerde Kerk verlaten, toen men haar de eis stelde, niet langer naar de Doopsgezinde kerk te gaan. Maar 't gevolg is, dat de roman één gerekte verhandeling werd. Er kwam geen tweede druk. Wat er wel kwam, dat was een Aanhangzel op Willem Leevend, 1786, een langdradig geschrift, dat de schrijfsters voorstelde als spottende met alle godsdienst. Ook andere stukken werden op haar naam gesteld. Daarbij kwam de haat der Prinsgezinden, zodat zij in 1787 uitweken en zich vestigden te Trévoux aan de Saone in Bourgondië, waar zij het naar hun zin hadden. Ze schreven er o.a. Wandelingen door Bourgogne, 1789, de Brieven van Abraham Blankaart, 1787, en Historie van Cornelia Wildschut, 1793-'96, roman in brieven met de ondertitel Gevolgen der Opvoeding. De gevolgen van een verwaarloosde opvoeding worden erin aangetoond. In 1795 had Betje een verzoek gericht tot de Representanten van Holland om het pensioen als predikantsweduwe (ƒ100!); het verzoek werd ingewilligd, mits zij weer in Holland kwam. In 1797 vestigden de vriendinnen zich in Den Haag; door het bankroet van haar zaakwaarnemer waren ze behoeftig geworden; zij moesten van haar pen leven, in de Herderinnestraat. M.C. van Hall behartigde haar belangen; A. Loosjes, Van der Palm, Jan Lublink de Jonge waren de beste vrienden, maar ook zij konden pijn en zorgen niet wegnemen van de ‘millionaire in teleurstellingen.’ Beide vriendinnen stierven in November 1804 en werden begraven op het kerkhof Ter Navolging aan de Scheveningse weg. ‘De Bataafsche Mij. voor Taal- en Dichtkunde’ vierde haar gedachtenis op 14 Maart 1805 met een rede van prof. Konijnenburg en een lierzang van Van Hall. Te harer eer een gedenkpenning met als opschrift Patriae = voor 't Vaderland.
Bewondering voor Rousseau blijkt uit Betjes werk; Voltaire bewonderde zij ook, doch alleen als dichter; op godsdienstig gebied kwam zij fel tegen hem op. In 1779 was haar vertaling verschenen van Raff's Aardrijkskunde voor kinderen in de vorm van een reisbeschrijving. Zij vertaalde ook werk van de F. opvoedkundige Mad. de Genlis: Adele en Theodoor of Brieven over de opvoeding, 1782-'83, en Het Schouwtooneel voor jonge lieden, 4 bundels toneelspelen voor kinderen: De Valsche Vrienden, De gevaaren der waereld, De verstandige Man enz. Verder nog De kleine La Bruyère, ‘of Karakters en zeden der Kinderen onzes Tijds.’
Van haar zelf is het Geschrift eener bejaarde Vrouw, autobiografie, 1802.
Onder de vertalingen: De zaak der Negerslaaven, zie Slavernij; 1790.
't Leven van Betje Wolff beschreven door H. Frijlink, 1862; door Van Vloten 1866 en 1880; Ds. Joh. Dyserinck, 1884; Mr. R.H.J. Gallandet Huet, 1884; Johanna Naber, 1912. Gedenkteken te Vlissingen, 1884.
Proefschrift Over de romans door H.C.H. Moquette, 1898. Daarin wordt gehandeld over de invloed van Richardson.
De opvatting van Busken Huet, dat Aagje weinig meer was dan de secretaresse van Betje, weerlegd door Jonckbloet, Van Vloten, Dyserinck en Kalff.
Mw. Dr. H.C.M. Ghijsen behandelde Betje Wolff in verband met het geestesleven van haar tijd, 1919. Haar Brieven uitgegeven door Dyserinck, 1904; deze gaf ook een lijst van al haar werken in de Catalogus van de Wolff-en-Deken-tentoonstelling van 1895. Busken Huet schilderde het Haagse leven der beide dames in zijn schets Daags na het Feest, Litt. Fantasieën V.
A. de Vletter schreef over De opvoedkundige denkbeelden van Wolff en Deken, 1915.
Navolgers met romans in brieven:
Cornelia v.d. Weyde, Naatje Brinkman, Adriaan Loosjes Pzn., Willem Kist, Petronella Moens, Fenna Mastenbroek en Margaretha de Neufville.