Uit Roemer Visscher's Brabbeling. Deel 1


auteur: N. van der Laan


bron: N. van der Laan, Uit Roemer Visscher's Brabbeling. Deel 1. A. Oosthoek, Utrecht 1918


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. I]

Inleiding.

§ I. Roemer Visscher's leven.

Roemer Visscher is in 1547 te Amsterdam geboren, als zoon van Pieter Jacobsz. Visscher en Anna Roemersdr.1) Zijn voornaam dankt hij dus aan zijn grootvader van moeders zijde (Roemer Pietersz × Geertruyt Adriaensdr. van Haerlem2)). Roemers vader was lakenkooper in de Oudebrugsteeg te Amsterdam. Zijn voorouders van moeders zijde hebben, zoo 't schijnt, op zee gevaren; althans in 1485 komt Roemer Pietersz.’ vader Pieter Roemersz. voor als schipper3).

+ Roemers ouders schijnen niet van voorname familie geweest te zijn, maar tot de eerzame burgerij te hebben behoord4). 7 Juli 1558 zijn beiden op denzelfden dag in de O. Kerk begraven5). De grootvader van vaders zijde Jacob Pietersz. Visscher6) heeft toen waarschijnlijk de zorg voor de kinderen (een oudere dochter Geert en den thans 11-jarigen Roemer) op zich genomen7). Na Jacobs dood, in

[p. II]

15591), hebben Geert en haar man Jacob van Campen, als voogd, verder voor Roemer gezorgd.

Als knaap en jongeling woonde Roemer Visscher te Amsterdam. Hoewel hij vaak op reis geweest zal zijn2) waarschijnlijk naar die havenplaatsen van N.-en O.-Zee, waar drukke graanhandel was, blijkt uit vele zijner gedichten tevens, dat hij bij zijn verblijf te Amsterdam levendig deelgenomen heeft aan het stadsleven om zich heen3).

+. Eerst laat trad Roemer in 't huwelijk, op 36-jarigen leeftijd, in Maart 1583. Vóór dien tijd moet hij allerlei liefdesavonturen hebben doorleefd4), vaak minder aangename. De ‘blaeuwe scheen’ zal hem uit ervaring bekend zijn geweest. Het is niet onmogelijk, dat de in het ‘Visschers praetjen’ van wreedheid beschuldigde ‘Elsjen’ dezelfde is als Lijsbeth (Elizabeth) Pauw, die in 1569 te Amsterdam huwde met Wouter Verhee5). Hoe

[p. III]

het zij, Aefgen Jansdr. van Campen heeft Roemer getroost. Uit zijn huwelijk met haar werden geboren: Anna (1583), Geertrui (1588), Maria Tesselschade (21 Maart 1594), Pieter (1600)1). Voorloopig woonde het gezin in een huis aan de Oudezijdskolk, vermoedelijk nog in 1590. Mei 1594 bouwde Roemer een eigen huis, waarschijnlijk het zoo bekende ‘saligh Roemers huys’2) op de Geldersche of Engelsche Kaey ‘in den Korendrager’.

+ Hier heeft Roemer Visscher zich verder met ernst en ijver toegelegd op zijn steeds omvangrijker bedrijf, graanhandel en scheepsassurantie; in zijn ledige uren zich vermeiend in ‘jock’ en scherts, zich wijdend aan het huiselijk verkeer en den omgang met zijn vrienden. Velen moeten ‘den drempel’ van dit gastvrij huis hebben ‘gesleten’, evenals Meerhuyzen en later het Muyderslot een brandpunt van letterkunde en kunst. Vooral met Spieghel is Roemer bevriend geweest3). Beiden waren ongeveer van denzelfden leeftijd (Spieghel was slechts 2 jaar jonger) en kunnen reeds door de koopmanschap met elkaar in aanraking zijn gekomen. Ook zijn beiden ongeveer gelijktijdig lid van de schutterij geweest. In ‘de Eglentier’, waarvan zij beiden Hoofd waren, hebben zij een vereenigingspunt gevonden van dichterlijke samenwerking. Hoewel beider levensopvatting aanmerkelijk zal hebben uiteengeloopen, vinden we toch ook bij Roemer Visscher evenals bij Spieghel menigen trek, die hem als Stoïsch Christen teekent4). Bij beiden voorts dezelfde gemoedsrust, dezelfde geringschatting van zichzelf, dezelfde afkeer van praalzucht en ambtsbejag5). Dat ook Spieghel in

[p. IV]

zijn gedichten dartel kon zijn, wordt bewezen door talrijke ‘Boerten’ van zijn hand, voorkomende in de eerste uitgave van Roemer's dichtwerk, door dezen na Spieghel's dood (1612) uitgelicht en achter de Brabbeling geplaatst (1614). Beiden zijn in 1604 wegens verzet tegen het stadsbestuur gegijzeld1), beiden hebben hun later leven te Alkmaar doorgebracht2), hoewel R.V. te Amsterdam zal zijn gestorven, althans 19 Febr. 1620 in de O. Kerk aldaar begraven is3).

Verder moeten onder Roemers vrienden genoemd worden: Vondel, Hooft4), Reael, Coornhert, Douza5), Jan van Hout6), Bredero, Coster, terwijl zeker ook Hadrianus Iunius, de bekende geleerde, op wien Roemer

[p. V]

Visscher na zijn dood in 1574 een grafschrift maakte, tot den vriendenkring zal hebben behoord1).

+ Toespelingen op Roemer Visscher's bedrijf vindt men bij hem niet veel, toch is er dienaangaande uit zijn gedichten nog wel het een en ander op te diepen. De plaatsen, waar de dichter over de handelsreizen zijner jeugd spreekt, zijn boven reeds genoemd. Ook een paar bruiloftsgedichten dienen hier te worden vermeld, waaruit blijkt dat Roemer Visscher reeds vroeg tot belangrijke koopmansfamilies in relatie stond: het eene (Q. V, 50): ‘Opt huwelick van W(ijbrand) Appelman en Griet P(roost)2) (25 Juni 1578), die blijkens Elias I, 70; 215 beiden tot den gegoeden koopmansstand behoorden; het andere ‘Op de Bruyloft van Dieuwer en Godefrid’ (Romm. I, 42), indien men onderstellen mag, dat hier bedoeld zijn Govert Dircksz. Wuytiers en Dieuwer Jacobsdr. Benningh, die 10 Jan. 1580 gehuwd zijn3). Hun dochter Liefgen huwde 29 Juni 1603 met Jacob Poppen4), zoon van den met

[p. VI]

Roemer Visscher in handelszaken nauw verbonden Jan Poppen. De laatste komt voor in verschillende handelsondernemingen, door kooplieden, onder wie Roemer Visscher geenszins de minste blijkt te zijn1), voor gemeenschappelijk risico op touw gezet. Hoewel de oudste der desbetreffende notarisprotocollen, door Sterck uitgegeven en toegelicht, eerst dateert van 16 April 15932), blijkt uit dit stuk tevens dat reeds in 1591, door een gemeenschappelijk gesloten scheepsassurantie, Roemer Visscher een eervolle en belangrijke plaats onder de kooplieden van zijn vaderstad inneemt. Zelfs blijkt hij in verdere stukken hun aller vertrouwde, zoowel van den jongeren Isäac le Maire, als van den ouderen Pieter Lijntges3). De bodemerij4) of het verstrekken van gelden in beleening op schip en lading behoorde eveneens tot Roemers bedrijf. Blijkens allerlei notariëele stukken moet echter de voornaamste werkzaamheid van Roemer Visscher, behalve in den graanhandel, in het assureeren van schepen en scheepsladingen hebben bestaan5). Het is dan ook onzeker of hij bij de scheepsramp op de reede van Tessel (Dec. 1593) als eigenaar dan wel als assuradeur der schepen schade heeft geleden. Eén ding staat vast: over 't geheel heeft het handelsbedrijf Roemer Visscher geen nadeel gebracht6). Reeds in 1592 moet hij een welgesteld burger zijn geweest, daar hij toen aan de stad een som van f 600 voorschoot ter betaling van eenige fortificatiewerken buiten de St. Anthoniespoort7). Mei 1594 bouwt hij een eigen huis (zie boven) ter vervanging van het oude op de Oudezijdskolk, terwijl hij in datzelfde jaar voorkomt onder de hoofdingelanden van de Zijp8) (3 Febr.). In 1603 behoort hij

[p. VII]

tot de acht gezworen broodwegers, die gezamenlijk een jaarlijksche wedde van f 200 uit de stadskas ontvingen en twee boden in dienst hadden; dit was ook nog zoo in 16051). In 1604 (27 Aug.) onderwerpen hij en zijn vriend Spieghel zich na lange weigering, waarvoor zij zelfs een tijdlang werden gegijzeld, aan de ‘melioratie’-belasting, geheven van huizen, die door het afbreken der stadsmuren in waarde waren gestegen2).

+ Tot voor betrekkelijk korten tijd hield men Roemer Visscher voor overtuigd Roomsch-Katholiek: een misvatting, afkomstig van Wagenaar3). Deze spreekt echter Roemers Roomsch-zijn slechts als een vermoeden uit. Scheltema4) maakt van dat vermoeden zekerheid, hoewel hij onderstelt, dat Roemer Visscher ‘Erasmiaansch gezind was en liever de Kerk in de Kerk wilde hervormen.’ Het vraagstuk omtrent Roemers godsdienst is door Sterck op overtuigende wijze opgelost. In de eerste plaats dient opgemerkt, dat Roemer Visscher's vrouw Aefgen Jacobsdr. van Campen Protestant was. Nu kan men met Alberdingk Thijm (Verspr. Verhalen I, 216) aannemen, dat Roemer en zijn vrouw onderling een ‘akkoord’ hadden getroffen ‘om de kinderen om en om Roomsch en Gereformeerd te maken.’ Doch bewijzen hiervoor ontbreken te eenenmale. Veel is er zelfs, dat hier tegen pleit. Immers, waren de kinderen deels Katholiek, dan moet het hoogst ongerijmd zijn, dat wij ze twee jaar na 's vaders dood, in 1622, vereenigd vinden om een stuk land in de Zijp gelegen, aan hoofdingelanden aldaar te transporteeren tot het bouwen van een predikantswoning5), hetwelk geen verkoop was, maar een overdracht om niet. Bovendien zijn al Roemers kinderen, voor zoover gehuwd, met Protes-

[p. VIII]

tanten1) getrouwd. Veeleer zou men, afgaande op het vermoeden dat zij bij den afstand van genoemd stuk grond in Roemers geest zullen hebben gehandeld, mogen onderstellen, dat deze zelf, in elk geval niet-Katholiek is2) geweest. Maar wat dan wel? Is Roemer Visscher dan misschien Doopsgezind geweest? Dit zou kunnen worden afgeleid uit een akte van 8 Maart 1599 verleden voor notaris Jan Fransen Bruyningh te Amsterdam, waarin ‘de Eersame Roemer Visscher,.....by syn manne waerheyt, ware christelycke woorden, oprechte geloove, eere ende vromicheyt in plaetse van eede3).....verclaert’ enz. Dit was echter, zooals de heer Sterck mij meedeelt, in dergelijke stukken de gebruikelijke formule zoowel ten opzichte van Katholieken en Doopsgezinden als Hervormden4) en Israëlieten. Leendertz (Leven van Vondel 15 noot) gaat dus te ver, wanneer hij van alle daar voorkomende getuigen, die ‘bij ware woorden in plaats van eede’ een verklaring afleggen, aanneemt, dat zij Doopsgezind waren. Hoogstwaarschijnlijk zal Roemer Visscher oorspronkelijk wel Katholiek zijn geweest, maar in Erasmiaanschen geest, blijkens zijn spotten met allerlei toestanden uit het kerkelijk leven van zijn tijd. Daardoor heeft hij zich reeds vroegtijdig van de Katholieke Kerk afgewend5), om evenals Coornhert, Corn. Pietersz. Hooft e.a. ‘vijandig, zoowel van priesterdwang, als van predikanten-regeering, het algemeen Christelijke hooger te stellen dan het eigenaardige, dat het protestantisme van het katholicisme onderscheidt6).’ Zoo

[p. IX]

is ook Wagenaar's vermoeden verklaarbaar, die nergens een bewijsstuk van Roemers overgang tot een ander kerkgenootschap zal hebben gevonden1).

+ Het portret van Roemer Visscher, voorkomend in Scheltema's ‘Anna en Maria Tesselschade’ geeft alle reden tot verdenking2). Reeds De Roever (Uit onze Oude Amstelstad III, 90) heeft de echtheid er van in twijfel getrokken en bewijst de onechtheid van het wapen op Scheltema's afbeelding, door het echte wapen van Roemer Visscher te geven. Dit toont een veld van lazuur met een dwarsbalk van zilver, waarin een zwemmende visch van sabel; het is afgebeeld in een bundel met teekeningen van wapens, gevoerd door eenige schutters van den Handboogsdoelen, onder berusting van Jhr. Dr. J.P. Six. Op een doelenstuk van 1586, door Dirck Barentsz. geschilderd, stond Roemer Visscher zelf. 't Is het kapiteinschap van Egbert Vinck. Van het schilderij, dat verloren is, heeft het Britsch Museum een teekening. Een afdruk hiervan komt voor in Oud-Holland 1903.