‘Ka! Ka! Ka!’
‘Wat is dat nu?’ zei Pinkeltje, die heerlijk achter in het muizenholletje had geslapen en nu van dat geschreeuw wakker werd.
Pinkeltje werd nieuwsgierig en stapte naar het muizengaatje, om in de kamer te kunnen zien.
Daar zag hij de vader en de moeder en de twee meisjes en het jongetje en ze stonden allemaal bij het raam. Maar wie dat geluid maakte, dat kon Pinkeltje niet zien.
‘Ka! Ka! Ka! Ka!’
Wat was dat toch?
Snorrebaard, de poes, wandelde deftig door de kamer.
‘Snorrebaard!’ riep Pinkeltje heel zacht, ‘Snorrebaard, wat is dat toch voor een raar geluid?’
Snorrebaard kwam naar het holletje en zei: ‘Dat is Wipstaart, de kleine, zwarte kraai, die is hier zo juist aan komen vliegen.’
‘Kom, kinderen,’ zei de vader, ‘nu gaan jullie naar school en ik naar het kantoor.’
Toen ze allemaal weg waren, zag Pinkeltje Wipstaart nog op de vensterbank bij het raam zitten en Wipstaart keek met nieuwsgierige, kleine zwarte oogjes in de kamer.
Maar wat gebeurde er toen... Wipstaart vloog naar binnen en - o - grutje - daar pakte hij een van de breipennen van de moeder beet en trok er hard aan en... het breiwerk viel zo maar op de grond.
‘Wil je dat wel eens heel gauw laten, Wipstaart!’ zei Pinkeltje, en hij liep gauw naar het breiwerk van de moeder.
‘Wie zegt daar wat?’ zei Wipstaart.
‘Ik,’ zei Pinkeltje.
‘Wat wil jij, klein mannetje!’ en Wipstaart hipte op Pinkeltje toe.
‘Je bent een héél ondeugende Wipstaart,’ zei Pinkeltje, ‘om het breiwerk van de moeder zo in de war te maken.’
Maar dat kon Wipstaart helemaal niet schelen en hij pakte toch weer een breipen van de moeder. Maar nu pakte Pinkeltje gauw de andere kant en samen trokken ze allebei zo hard ze maar konden, ieder aan een kant. Maar toen werd Wipstaart boos, hij liet de breipen los en - ‘hip-hip-hip’ hipte hij op Pinkeltje toe en... ‘Pik!’ daar pikte hij Pinkeltje achter in zijn broekje.
‘Au! Au! Au!’ riep Pinkeltje verschrikt, en hij liep hard weg, maar Wipstaart holde hem achterna om hem nog een paar flinke pikken te geven.
Pinkeltje werd zó bang, dat hij onder de kast kroop. Maar daar kwam Snorrebaard aanstappen.
‘Zeg eens Wipstaart, wil je Pinkeltje niet plagen.’
En wat deed Wipstaart? Ineens deed hij ‘Pik!’ in de staart van Snorrebaard!

‘Miauw!’ riep deze en wilde Wipstaart een klap met zijn poot geven, maar Wipstaart vloog boven op de tafel en lachte daar Snorrebaard uit.
Pinkeltje kroop onder de kast vandaan en liep gauw naar het holletje, maar net was Pinkeltje bij de tafel of... ‘boem!’ daar gooide die stoute Wipstaart het melkkannetje om en alle melk liep over de tafel! en ‘kletterdekletter’ viel de melk van de tafel op de grond net op het puntmutsje van Pinkeltje.
‘O! O!’ riep Pinkeltje verschrikt, want hij was nu opeens helemaal nat en wit van de melk. En Wipstaart, die het zag, lachte maar.

‘Ha-Ha-Ha, jou domme, domme Pinkeltje, om net onder die melk te gaan staan.’
Maar toen werd Snorrebaard heel erg boos, en wip! sprong hij op de tafel en holde achter die stoute Wipstaart aan.
‘Bom!’ daar viel de peperbus om. ‘Pang!’ daar viel een broodje van de tafel. ‘Rinkel-dekinkeldekink!’ daar viel een glas om en Wipstaart hipte maar heen en weer en Snorre-baard probeerde hem een flinke mep met zijn poot te geven.
‘Tikkeldetikkel, tikkelde-tikkelde-tik-tik-tik!’
Wat was dat nu weer? Die stoute Wipstaart had een hele zak met chocolade
hagelkorreltjes omgegooid en die vielen nu allemaal op de grond en wéér op Pinkeltje.
Pinkeltje hield zijn handjes gauw boven zijn hoofdje, maar er kwamen er zóveel, wel duizend en duizend en duizend en die vielen allemaal boven op Pinkeltje en het werd een hele berg van chocola om die arme Pinkeltje heen en ze plakten overal tegen aan, zodat Pinkeltje ook niet lopen kon.
‘Tikkelde-tikkelde-tikkeldetik!’ nog meer hagelkorrels vielen uit de zak en het werd een berg van chocolade zó hoog, dat Pinkeltje er helemaal onder verdween.
‘Knabbeltje! help me toch,’ had Pinkeltje nog geroepen, maar Knabbeltje hoorde het niet.
Toen ging de deur open en wie kwam daar binnen?...
De moeder, en die schrok heel erg, toen ze alle rommel zag.
‘Wip! Wip! Wip!’ weg sprong Snorrebaard en ‘klap-klap-klap,’ weg vloog Wipstaart.
‘Wat een rommel, wat een rommel,’ zei de moeder boos.
Opeens voelde Pinkeltje, dat hij met de berg chocoladekorrels werd opgenomen en toen was het net of hij door de lucht vloog.
En weet jullie, wat dat was?... De moeder had een stoffer en blik gehaald en alles van de grond opgeveegd met Pinkeltje er bij en nu liep ze naar de vuilnis-
bak. Ze deed de deksel open en pats, daar gooide ze alles met Pinkeltje er bij in de vuilnisbak en deed de deksel er weer op.
Pinkeltje rolderdebolde een paar keer ondersteboven en bleef toen liggen. Hu! wat was dat donker en vies in die vuilnisbak!
‘Krab! Krab-Krab-Krab!’
‘Wat krabt daar toch zo,’ riep Pinkeltje.
‘Ik, Grijshuidje,’ riep het muisje.
‘O, wat gelukkig, dat je hier bent!’ riep Pinkeltje, ‘weet je een gaatje om er uit te komen?’
‘Ja hoor, Pinkeltje,’ zei Grijshuidje, ‘klim maar vlug op mijn rug, dan breng ik je dadelijk weer terug naar ons holletje.’ Dat deed Pinkeltje en heel gauw was hij gelukkig weer bij de muisjes in het holletje terug.