Pinkeltje zat voor het holletje achter de etenskast. Alleen de moeder en het kleine jongetje waren in de kamer. De moeder zat te handwerken en het jongetje speelde met de houten beestjes aan de tafel.
‘Moeder,’ vroeg het jongetje, ‘mag ik nog een chocolaadje uit het doosje, ik heb er zo'n trek in.’
‘Neen,’ zei de moeder, ‘dat mag niet, je hebt er nu genoeg gehad, op een andere keer, anders word je nog ziek.’
En net toen de moeder dat zeide, liet ze haar naald vallen. Moeder bukte om de naald te zoeken en Pinkeltje kroop gauw achter in zijn holletje, opdat moeder hem maar niet zien zou.
‘Hè,’ zuchtte de moeder, ‘ik kan die naald niet vinden, ik zal maar een andere halen.’
Heel voorzichtig keek Pinkeltje uit zijn holletje en zag, dat de moeder haar handwerk op de grond had laten vallen en dat zij de kamer uitliep.
‘Weet je wat ik doe?’ dacht Pinkeltje, ‘ik pak de naald en stop die gauw in het handwerk, dan vindt die aardige moeder hem straks.’ En heel vlug liep hij naar de naald.
Jonge, jonge, wat was die naald lang, hij was bijna zo groot als Pinkeltje zelf. Maar wàt hoorde hij daar? Wàt zei dat jongetje? Ja, ja, Pinkeltje verstond het wel, het jongetje zei heel zachtjes:
‘Nu moeder weg is, kan ik best een chocolaadje nemen.’

Wat schrok Pinkeltje daarvan. Zou het jongetje zo stout zijn en stil een chocolaadje nemen en dan zou hij zeker ziek worden. De doos lag op een laag tafeltje en tot zijn schrik zag hij het jongetje opstaan en aan de deur luisteren of moeder al gauw kwam.
‘Nee, nee,’ dacht Pinkeltje, ‘dat jongetje mag niet snoepen, maar wàt moet ik doen, wat moet ik doen!’
En toen ineens bedacht Pinkeltje, wat hij doen moest. Zo vlug als hij met zijn kleine beentjes lopen kon, liep hij naar het tafeltje, waar de doos met chocolaadjes stond en in zijn twee handjes nam hij de naald mee. Gelukkig stond de doos wat open en... ‘wip’, daar
sprong Pinkeltje in de doos en verstopte zich tussen de chocolaadjes.
Heel, heel voorzichtig liep het jongetje naar de doos. Pinkeltje zat doodstil tussen de chocolaadjes en... daar zag hij twee vingers van het jongetje in de doos komen...

Pinkeltje zag, hoe die twee vingers een chocolaadje vast pakten... en toen... toen gaf Pinkeltje met de naald een flinke prik in de vinger van het jongetje.
‘Au! Au! Au!’ riep het jongetje verschrikt, ‘wat prik ik me daar!’
En toen lachte Pinkeltje heel zacht en hij dacht: ‘Stoute jongen, als je het weer wilt doen, prik ik jeweer.’
En ja heus, daar kwamen de vingers weer.
Een, twee... drie... ‘Prik,’ zei Pinkeltje en prikte weer in de vinger.
‘Oh, au! au!’ riep het jongetje weer en hij was nu zo geschrokken, dat hij gauw bij de tafel ging zitten.
‘Gelukkig,’ dacht Pinkeltje, ‘nu zal dat jongetje wel niet meer willen snoepen.’
Heel, heel stilletjes kroop Pinkeltje weer uit de doos en vlug liep hij naar het handwerk van de moeder op de grond, waar hij heel gauw de naald in stopte.
Maar toen... o wat schrok Pinkeltje, daar ging de deur open en de moeder kwam binnen.
‘Hoe kom ik nu weer in mijn holletje,’ dacht Pinkeltje.

‘Wacht, ik zal me achter dat voetenkussen verstoppen.’ Maar gelukkig liep de moeder eerst naar het jongetje en bleef bij hem staan. En nu kon Pinkeltje net nog heel gauw weer naar zijn holletje lopen. En wat hoorde hij daar de moeder tegen het jongetje zeggen?...
‘Heb je heus niet van de chocolaadjes gesnoept?’
‘Neen moeder, heus niet,’ zei het jongetje.
En Pinkeltje was zo blij voor het jongetje, dat hij tet niet gedaan had.
En wat zei de moeder: ‘Dan mag je er nu nog ééntje nemen.’
Pinkeltje stopte van plezier gauw z'n pijpje in z'n
mond, blies een rookwolk uit en keek weer in de kamer. Hij zag, dat de moeder haar handwerk weer opnam:
‘Hé,’ zei de moeder, ‘daar begrijp ik nu niets van, daar zit warempel de naald weer in het handwerk, wat is dat prettig.’
En Pinkeltje had zo'n plezier, dat alles zo goed was afgelopen, dat hij een klein rondedansje in zijn holletje maakte, mèt zijn pijpje in zijn mond.