Pinkeltje wandelde uit zijn klein muizenholletje de grote kamer in en ging eens kijken of er soms nog een kruimeltje koek ergens lag.
‘Ka! Ka! Ka!’ hoorde hij eensklaps. Nu wist Pinkeltje wel, wie dat was, dat was Wipstaart, de kraai. Wipstaart kwam door het raam naar binnen hippen en zei tegen Pinkeltje:
‘Dag klein, stout Pinkeltje.’
Nu werd Pinkeltje toch boos. ‘Wipstaart,’ zei Pinkeltje, ‘jij bent altijd ondeugend en je plaagt altijd den vader en de moeder en de kindertjes!’
‘Ka! Ka! Ka!’ lachte Wipstaart, ‘jouw klein, stout Pinkeltje,’ en toen vloog hij op Pinkeltje af.
O, o, wat holde die Pinkeltje om maar gauw weer in zijn holletje te komen en bijna was hij er in of...
‘Pik!’ daar pakte Wipstaart met zijn snavel Pinkeltje in zijn buisje en toen - toen vloog hij met Pinkeltje ineens door de kamer.
Pinkeltje schreeuwde hard, zo bang werd hij, maar niemand was er om hem te helpen.
En Pinkeltje hing maar in de snavel van Wipstaart en vloog zo de kamer rond.
Maar wat deed die stoute Wipstaart nu... daar vloog hij op de koekoeksklok, die heel, heel hoog aan de muur hing en daarop zette hij Pinkeltje neer.
‘Daar, klein stout Pinkeltje, blijf daar nu maar zitten,’ zei Wipstaart en... weg vloog hij.
‘Wipstaart! - Wipstaart!’ riep Pinkeltje, ‘laat me

nu hier niet zitten, ik kan er niet afklimmen en als ik val, breek ik al mijn armen en benen.’
Maar Wipstaart zei:
‘Ka! Ka! Ka! Dag Pinkeltje!’ en vloog het raam uit.
En daar zat Pinkeltje nu helemaal alleen boven op de koekoeksklok.
‘Tik-tik-tik-tik,’ deed de klok en Pinkeltje hield zich maar stevig vast.
‘Tik-tik-tik-tik’... en toen begon de klok te brom-
men, ‘brrrr-brrrr-brrrr-brrrr’ en ‘pang,’ daar ging een deurtje open en kwam een houten koekoeksvogeltje uit het deurtje.
Maar wat was er nog meer gebeurd? Door de schok was Pinkeltje van de klok gevallen boven op het houten koekoeksvogeltje... gelukkig kon hij nog net zijn armpjes om de hals van het houten vogeltje slaan. Nog éénmaal zei het vogeltje ‘koekoek’, en... ‘pang,’ daar ging het deurtje dicht en wèg was het houten vogeltje en wèg was Pinkeltje.
En weten jullie waar Pinkeltje was?
Pinkeltje was met het houten vogeltje mee in de klok gegaan. O, wat was het daar donker in die klok, Pinkeltje kon bijna niets zien en hij zat héél stil, want overal om hem heen zag hij wielen met tandjes er aan en er waren er een paar, die heel hard rond draaiden.
‘Krip-krip-krip-krip-krip,’ deden de wieltjes.
En toen... toen begon Pinkeltje echt te huilen, heel kleine, kleine traantjes en hij snikte:
‘Nu weet niemand, waar ik ben en nu kan ik nooit meer uit de klok vandaan komen.’ Wat was die Pinkeltje verdrietig.
Maar, wat zag hij daar door een gaatje komen? Een paar lange dunne poten, een rond, bol lijfje met een kleine kop en toen nog meer poten. En Pinkeltje wist, wie dat was, dat was ‘Zilverdraadje’, de spin.
‘O Zilverdraadje,’ riep Pinkeltje, ‘wat ben ik blij, dat jij er bent.’
‘Dag Pinkeltje,’ zei Zilverdraadje, ‘wat doe jij hier in de klok?’
‘Daar heeft die stoute Wipstaart me heen gebracht,’ zei Pinkeltje. ‘En Zilverdraadje, kan jij me niet helpen, wil jij niet een lange draad voor me maken tot op de grond?’
‘Dat zal wel gaan, hoor Pinkeltje,’ zei Zilverdraadje, ‘kom maar mee.’

Heel voorzichtig klom Pinkeltje nu achter Zilverdraadje aan door de klok naar beneden. Toen begon Zilverdraadje met het maken van een heel lange draad en ook een heel, heel dikke, telkens zakte hij wat dieper tot op de grond.
‘Glijd er nu maar langs naar beneden,’ riep Zilverdraadje.
Pinkeltje pakte de draad en heel, heel voorzichtig liet hij zich naar beneden glijden tot hij weer op de grond stond.
‘Dank je wel, hoor, Zilverdraadje,’ zei Pinkeltje en toen stapte hij over het dikke kleed naar zijn holletje.
‘Ka! Ka! Ka! - O! o! help!’ Daar was die stoute Wipstaart al weer!
Gauw, gauw, Pinkeltje holde onder de kast.
‘Ka! Ka! Ka!’ lachte Wipstaart, ‘wacht maar jouw domme Pinkeltje, ik zal je wel krijgen.’
Maar gelukkig, daar ging de deur van de kamer open en kwam... Snorrebaard binnen.
‘Snorrebaard,’ riep Pinkeltje, ‘jaag jij die stoute Wipstaart alsjeblieft weg.’
Toen liep Snorrebaard op Wipstaart af en toen werd Wipstaart bang en vloog gauw het raam uit. En Pinkeltje holde nu naar zijn holletje en was erg blij, weer bij de muisjes te zijn.