Het was heel, heel vroeg in de morgen, zo vroeg, dat de vader en de moeder en de drie kindertjes nog allemaal sliepen. Maar toch scheen de zon al in de kamer en die zon keek ook juist in het muizenholletje achter de etenskast, waar Pinkeltje sliep met vijf kleine muisjes. Pinkeltje werd wakker van de zon en daar het al zo licht was, dacht Pinkeltje: ‘Ik ga eens een poosje in de kamer wandelen.’ Heel voorzichtig stapte Pinkeltje uit het holletje en wandelde over het grote vloerkleed de kamer in.
‘Zoem, zoem, zoem,’ zongen een paar vliegen boven de tafel.
‘Waarom hebben jullie zo'n pret?’ vroeg Pinkeltje aan de vliegen.
‘Omdat de moeder de strooppot niet helemaal heeft dicht gemaakt,’ zoemde een grote, dikke bromvlieg, ‘en nu kunnen we net zo veel van de stroop snoepen als we zelf willen.’
‘Dat is helemaal niet aardig om te snoepen,’ zei Pinkeltje.
‘Zoem, zoem, zoem,’ zongen de vliegen, ‘daar kan jij toch lekker niets aan doen, Pinkeltje.’
‘Dat wil ik dan wel eens zien,’ zei Pinkeltje, en vlug klom hij langs de poot van de tafel naar boven.
En ja, daar stond in het midden van de tafel de strooppot en de deksel zat er half op.
‘Zoem, zoem, zoem, zoem,’ deden de vliegen.
‘Wacht,’ zei Pinkeltje, ‘ik zal die deksel er wel eens netjes overheen schuiven.’ En met zijn kleine handjes duwde hij zo hard hij kon, tegen de deksel.
‘Zoem, zoem, zoem, zoem,’ zoemde een grote bromvlieg.
Maar hoè Pinkeltje ook duwde, de deksel ging maar een heel klein eindje verder.
De grote vlieg lachte hard en zei: ‘Dat kan je lekker niet, Pinkeltje,’ en meteen vloog hij weer tot vlak bij de stroop. Gauw wilde de vlieg nu nog wat van de stroop snoepen en hij vloog erg laag en toen... toen viel de vlieg in de stroop.
‘Zoem, zoem, zoem, zoem,’ deed de vlieg, angstig met zijn vleugeltjes klappende.
‘Pinkeltje,’ riep hij bang, ‘Pinkeltje, kom me gauw helpen, gauw, gauw, gauw!’
‘Dat komt er nu al van,’ zei Pinkeltje boos, maar Pinkeltje klom toch boven op de strooppot om de vlieg te helpen.
‘Steek je poot maar naar mij toe,’ zei Pinkeltje.
‘Dat kan ik niet,’ riep de vlieg, ‘die zit helemaal vast in de stroop.’
De andere vliegen vlogen maar rond en riepen maar:
‘Gauw! Pinkeltje, gauw! anders verdrinkt Brommertje nog in de stroop!’

Toen stak Pinkeltje zijn handje uit, boog zich heel ver over de rand van de strooppot en pakte Brommertje bij één vleugel beet. Wat zat die Brommertje vast in de stroop! Pinkeltje trok en trok en trok, maar toen... toen gleed Pinkeltje van de rand en viel ook in de strooppot!
‘Help! Help!’ riep Pinkeltje verschrikt en langzaam, heel langzaam zakte Pinkeltje naar beneden in de stroop. Zijn mutsje viel van zijn hoofd, maar dat merkte Pinkeltje niet. O, nee, hij was zo vreeslijk bang, want telkens zakte hij wat dieper. De stroop was nu al tot aan zijn knieën.
‘Help! Knabbeltje!’ riep Pinkeltje. ‘Kom toch gauw, want anders zak ik helemaal weg.’
Maar Knabbeltje hoorde het niet en de andere muisjes ook niet, want ze sliepen nog.
‘O! O! wat moet ik doen!’ en heel bang sloeg Pinkeltje met zijn handjes om zich heen. Hij was nu al tot zijn middel in de stroop gezakt.
‘Zoem, zoem, zoem, zoem, zoem, zoem, zoem.’ Opeens vlogen alle vliegen gauw weg en voor het holletje van de muisjes riepen ze allemaal: ‘Zoem, zoem, zoem, Pinkeltje is in de stroop gevallen! zoem! zoem! zoem!’
Maar de muisjes hoorden niets en Pinkeltje zakte al dieper en dieper!
Maar daar vloog een van de vliegen het holletje binnen en vlak bij het oor van Knabbeltje riep hij:
‘Zoem, zoem, zoem! Pinkeltje is in de stroop gevallen.’
Daar schrok Knabbeltje wakker van. ‘Gauw!’ riep hij tegen de andere muisjes. ‘Gauw! Pinkeltje ligt in de stroop!’
En ‘rrrt-rrrt-rrrt-rrrrt-rrrt!’ renden ze, alle vijf de muisjes, het holletje uit.
‘Wip! Wip! Wip! Wip!’ sprongen ze na elkaar op de tafel.
Pinkeltje was al tot zijn halsje in de stroop weggezakt, maar Knabbeltje sprong op de rand en stak zijn staart aan Pinkeltje toe.
‘Pak mijn staart goed vast, Pinkeltje!’ riep Knabbeltje. Dit deed Pinkeltje en nu trok Knabbeltje, hij
trok en trok... maar Pinkeltje zat veel te vast geplakt in de stroop.
‘Het gaat niet!’ riep Pinkeltje.
Toen bedacht Knabbeltje wat anders.
‘Kom hier, Grijshuidje,’ riep hij. ‘Ik neem jouw staartje in mijn snuitje, en jij Grijshuidje, weer de staart van Kraaloogje in jouw snuitje en Kraaloogje, jij je staart in Zwartsnoetjes snuit en jij Zwartsnoetje, je staart weer in het snuitje van Langstaartje, en als ik dan één, twee, drie, zeg, allemaal tegelijk trekken, hoor!’ Dat deden de muisjes gauw.

‘Eén, twéé, drié!’ telde Knabbeltje - ‘trekken!’...
O, O, wat trokken die muisjes en ‘hoera!’ - daar kwam Pinkeltje uit de stroop - nòg een ruk en Pinkeltje stond op tafel.
Wat was die Pinkeltje vies! Alles kleefde aan hem. Maar toen riep hij - ‘Gauw Knabbeltje, help Brommertje er uit!’ -
Dat ging erg gemakkelijk. Knabbeltje hield zijn staartje bij Brommertje. Gauw pakte die het staartje, en daar stond Brommertje ook op tafel.
‘Kom maar vlug mee, Pinkeltje,’ zei Knabbeltje.
Pinkeltje mocht op de rug van Knabbeltje zitten en ‘rrrt! rrrt! rrrt!’ holde Knabbeltje met Pinkeltje naar het holletje.
‘Ik ben toch zo vies,’ zei Pinkeltje, maar daar wisten de muisjes wel raad op. Alle vijf begonnen ze Pinkeltje af te likken tot hij schoon was.
‘Zoem, zoem, zoem, zoem,’ daar kwamen de vliegen weer met Brommertje, die ook schoongelikt was... en weet jullie, wat die hadden?... Ze droegen met hun allen het mooie blauwe mutsje van Pinkeltje! Pinkeltje klapte in zijn handjes, zo blij was hij, dat hij zijn mutsje weer terug had.
‘Dank jullie wel hoor, dank jullie wel!’ riep hij tegen de vliegen. Toen ging de kamerdeur open en kwam de moeder binnen. De vliegen vlogen gauw weg en Pinkeltje rookte weer blij uit zijn kleine pijpje!