Pinkeltje zat in zijn muizenholletje achter de etenskast en was bezig zijn mooi blauw mutsje eens netjes af te borstelen met een klein borsteltje, toen Grijshuidje hard naar hem toe kwam lopen.
‘Pinkeltje, kom toch eens gauw kijken!’
Dadelijk liep Pinkeltje naar de opening van het muizenholletje en wat zag hij daar?... Een van de meisjes uit het grote huis had een mooie rode luchtballon gekregen. Zó groot was die luchtballon, dat het meisje hem heel stevig vast moest houden, anders zou hij zo zijn weggevlogen. Toen zag Pinkeltje, dat het meisje de luchtballon met het touwtje, dat aan de luchtballon zat, vastbond aan de leuning van de stoel.
‘Laat nu de luchtballon maar hier, tot na de school,’ zei de moeder.
Als nu de moeder en de kinderen uit de kamer waren, werd Pinkeltje héél nieuwsgierig en voorzichtig stapte hij uit zijn holletje en wandelde naar de stoel.
‘Trip-Trip-Trip,’ daar kwam Knabbeltje ook aanstappen.
‘Mooi hè,’ zei Pinkeltje, en toen klom Pinkeltje op de stoel en op de leuning en met zijn kleine handjes pakte hij het touwtje beet en trok er aan. Maar de ballon bleef stil hangen.
Opeens ging de deur open en kwam Snorrebaard binnen.
‘Rrrt-Rrrt-Rrrt,’ weg vloog Knabbeltje naar zijn holletje, maar o, o, wat was dat? Het ging heel hard waaien in de kamer, dat kwam, omdat de deur en het raam openstonden. De ballon ging helemaal scheef van de wind en toen... o, Pinkeltje schrok zo vreeslijk, toen schoot het touwtje los en vloog de ballon weg en Pinkeltje werd bijna van de stoel gegooid. Maar gelukkig pakte hij nog gauw het touw van de ballon beet.
‘Help! Help! Help!’ riep Pinkeltje verschrikt, want daar ging hij met de ballon de lucht in!
‘Help! Help! Houd me vast! Snorrebaard!’ riep Pinkeltje, ‘gauw dan toch, pàk de ballon!’
Snorrebaard nam een grote sprong op de stoel en sloeg met zijn poot naar Pinkeltje, maar deze vloog al met de ballon door de kamer, over de stoelen, langs de etenskast, zo het raam uit.
‘Help! Help!’ gilde Pinkeltje nog, maar Snorrebaard en de muisjes konden het arme Pinkeltje niet helpen.
De ballon met Pinkeltje er onderaan, vloog nu over de tuin, over de zandbak en aldoor hoger en hoger.
Snorrebaard zag door het raam het arme Pinkeltje en ballon hoe langer hoe verder weg vliegen.
‘O Pinkeltje, Pinkeltje!’ riep Snorrebaard, ‘nu zien we je nooit meer terug, nu vlieg je misschien wel tot helemaal in de wolken!’
‘Zoem-zoem-zoem-zoem,’ daar kwam Brommertje, de grote bromvlieg aanvliegen.
‘Wat is er, Snorrebaard, waar kijk je naar?’

‘Pinkeltje hangt onder aan een ballon en nu vliegt hij helemaal weg.’
Brommertje zag het nu ook en vloog dadelijk Pinkeltje achterna.
Pinkeltjes mutsje stond helemaal scheef op zijn hoofdje van de wind en hij hield zich maar erg stijf vast aan het touw om niet te vallen.
Heel diep onder hem zag hij de huizen en de kerk en dan in de verte het grote bos.
‘Zoem, zoem, zoem,’ hoorde Pinkeltje.
‘Brommertje,’ riep Pinkeltje, ‘kan je de ballon niet tegenhouden?’
En Brommertje duwde tegen de ballon, maar dat gaf allemaal niets en Pinkeltje en de ballon vlogen maar verder en verder.
Brommertje werd nu zo moe van het duwen tegen de luchtballon, dat hij er bovenop ging zitten. En aldoor vloog de ballon maar verder. En het arme Pinkeltje kreeg erge pijn in zijn handjes.
‘Was ik maar nooit op de stoel gekropen en had ik maar niet aan het touwtje getrokken,’ dacht Pinkeltje, ‘en nu zie ik die lieve muisjes nooit meer, en den vader en de moeder en de kindertjes uit het huis en...’
‘Shoe! shoe! shoe! shoe! shoe!’ Wat was dat? ‘Shoe! shoe! shoe! shoe!’ Pinkeltje hoorde het dadelijk, dat was Stekebeen, de wesp.
‘Stekebeen! Stekebeen! kom gauw helpen,’ riep Pinkeltje.
‘Shoe! shoe! shoe, shoe, shoe.’ Heel vlug kwam Stekebeen aanvliegen en ging boven op de ballon zitten bij Brommertje.
‘Gauw! Stekebeen, ik kan me haast niet meer vasthouden!’ riep Pinkeltje.
En toen... toen zei Stekebeen: ‘Prik!’ en prikte een gaatje in de ballon.
‘Pffffffffffffff!’... daar ging het gas door het gaatje naar buiten en de ballon zakte langzaam naar beneden.
‘Prik er nòg een gaatje in, Stekebeen!’ riep Brommer-
tje. En - ‘Prik!’ - daar was nog een gaatje in de ballon.
‘Pfff-Pffff’... deed de ballon en heel vlug zakte hij naar beneden.
Vlak onder zich zag Pinkeltje een klein groen huisje op een hoge paal, en daar kwam hij bovenop terecht.
‘Roekoe! Roekoe! Roekoe!’ hoorde Pinkeltje binnen in het groene huisje...! En weten jullie, wat het was... In dat huisje woonden wel een twintig witte duifjes.
‘Roekoe! Roekoe! Roekoe! wie zit daar op ons huis?’ riep vader Duif.
‘Ik, Pinkeltje!’ riep Pinkeltje.
‘Waar kom je vandaan?’ riepen de duiven.
‘Van het grote huis in de stad,’ zei Pinkeltje, ‘wil je me asjeblieft terug brengen?’
‘Natuurlijk wel, Pinkeltje,’ zei vader Duif, ‘ga maar gauw op mijn rug zitten.’
Dat deed Pinkeltje en hij hield zich stevig vast aan de veertjes van de duif.
‘Klap, Klap, Klap!’ weg vloog de duif met Pinkeltje op zijn rug.
‘Zoem, zoem, zoem, zoem,’ daar vloog Brommertje en ‘shoe-shoe-shoe-shoe,’ naast Brommertje vloog Stekebeen en ze vlogen nog veel harder dan vader Duif om gauw te gaan vertellen, dat Pinkeltje weer terug kwam.
‘Dank u wel, vader Duif,’ zei Pinkeltje, toen hij weer
bij het raam was, en liep gauw naar het muizenholletje.
Wat waren de muisjes blij, dat Pinkeltje er weer was en ze dansten om hem heen en Pinkeltje stak vlug zijn kleine pijpje op.
