terug  begin  verder
[p. 143]

XXIV Pinkeltje en de badkuip

Pinkeltje was alleen in zijn muizenholletje achter de etenskast in de kamer; alle muisjes waren weggegaan.

‘Weet je wat ik ga doen,’ dacht Pinkeltje, ‘ik ga eens een wandelingetje maken, misschien kom ik Snorrebaard, de poes, wel tegen.’ Heel op zijn gemak wandelde Pinkeltje door de kamer, maar daar ging de deur open en kwam de moeder binnen. Pinkeltje wilde zich gauw verstoppen, gelukkig, daar stond de deur van de speelgoedkast open. ‘Dan zal ik me daar maar even in verstoppen,’ dacht Pinkeltje. Hij keek door de kier van de deur of de moeder al weer weg zou gaan.

‘Als de moeder weg is, ga ik maar weer gauw naar mijn holletje terug,’ dacht Pinkeltje. Maar wat was dat nu? Daar kwam de moeder juist op de speelgoedkast af, waar Pinkeltje in zat. Verschrikt keek Pinkeltje om zich heen, waar hij zich nu zo gauw kon verstoppen.

Daar zag hij vlak naast zich het mooie rode motorbootje van het kleine jongetje, het deurtje van de kajuit stond open.

[p. 144]

‘Wat fijn!’ dacht Pinkeltje, ‘nu kan ik me gauw in dat bootje verstoppen.’

En vlug klom hij op de boot en stapte gauw naar binnen en deed het deurtje dicht. Er was een heel klein raampje in en daar kon Pinkeltje net doorheen kijken.

‘Hò,’ dacht Pinkeltje, ‘daar vindt de moeder me vast niet.’

Daar ging de kastdeur open en daar stond de moeder. Pinkeltje zag haar hand in de kast komen.

Maar wat was dat?... Daar kwam haar hand naar het bootje, ze pakte het op en nam het uit de kast met Pinkeltje er bij.

Pinkeltje schrok vreeslijk en rolde helemaal ondersteboven, zo schudde het bootje.

Waar ging hij naar toe?... Gauw keek hij door het raampje. De moeder liep de kamer weer uit, de gang door, en een andere kamer binnen. En hier zag Pinkeltje een heel grote witte bak, vol met water en daar zette de moeder het bootje met Pinkeltje in. Nu zag Pinkeltje niets meer dan de witte kanten van de bak. Toen hoorde hij de moeder roepen.

‘Kom, jongen, het bad is klaar, gauw er in.’

Daar zag Pinkeltje één been en nog een been, en toen het jongetje in het bad stappen.

O, o, o! Wat kwamen er nu grote golven, het bootje hobbelde van de ene kant naar de andere kant. Pinkeltje moest zich goed vasthouden, anders viel hij

[p. 145]

helemaal ondersteboven. Zij lieten het bootje maar heen en weer varen. En hij maakte grote golven en dan schudde het bootje vreeslijk.

Pinkeltje werd er helemaal akelig van. Daar gaf het jongetje een harde klap op het bootje, het ging op-

illustratie

eens scheef. Pinkeltje rolde om, ‘floep-floep-floep,’ daar kwam allemaal water in het bootje.

‘O,o!’ riep Pinkeltje, ‘nu ga ik verdrinken,’ want het jongetje had het bootje onder water geduwd.

Bijna was het helemaal vol water en Pinkeltje was kletsnat. Maar gelukkig, daar tilde het jongetje het bootje weer op.

[p. 146]

‘Het is helemaal vol water,’ zei hij tegen zijn moeder en toen... toen keerde hij het hele bootje om.

‘Rolderde-tolderde-tolderde-tol,’ rolde Pinkeltje ondersteboven en stond op zijn hoofdje, met zijn beide beentjes in de lucht.

Maar dat duurde niet lang en het jongetje zette het bootje weer op het water.

Maar nu gaf het jongetje het bootje een harde duw. ‘Boms,’ stootte Pinkeltje zijn hoofdje in het bootje. Nu tilde de moeder het jongetje uit het bad, droogde het af en ging de kamer uit. Nu werd alles stil. Daar dreef nu Pinkeltje met zijn bootje en dat bootje... zat half vol met water en telkens kwam er meer water in.

Pinkeltje werd erg bang en kroop vlug door het deurtje boven op het bootje. De moeder en het jongetje waren weg. Maar het was toch zo akelig, in het bootje kwam aldoor maar meer water en er was niemand om hem te helpen.

En toen begon Pinkeltje te huilen. Het bootje zakte al dieper en dieper en opeens ging het helemaal onder water. Pinkeltje sloeg zijn armpjes uit en zwom in het bad, maar de kanten waren zo glad en zo hoog, dat hij er niet uit kon klimmen... en toen werd Pinkeltje erg moe van dat zwemmen. Maar gelukkig, daar dreef een groot stuk zeep, gauw probeerde Pinkeltje er op te klimmen en dat ging gelukkig. Nu zat Pinkeltje op het stukje zeep en het bootje lag helemaal onder in het water.

[p. 147]



illustratie

[p. 148]

‘Miauw-miauw-miauw.’

‘Hoera!’ riep Pinkeltje, ‘dat is... Snorrebaard. Snorrebaard, Snorrebaard, kom me gauw helpen!’

‘Waar zit je, Pinkeltje?’ riep Snorrebaard.

‘Hier, in het bad!’ riep Pinkeltje. ‘Floep,’ daar sprong Snorrebaard op de rand van het bad en stak zijn poot uit naar Pinkeltje, maar... Snorrebaards pootje was te kort.

‘Ik kan je niet pakken,’ riep Pinkeltje, ‘wat moeten we nu doen, Snorrebaard?’

‘Miauw-miauw,’ zei Snorrebaard, ‘ik weet het, Pinkeltje,’ en toen draaide Snorrebaard zich om en stak aan Pinkeltje zijn staart toe. Die kon Pinkeltje net pakken en vlug klom hij er langs naar boven en op de rug van Snorrebaard. Deze bracht hem gauw weer naar zijn holletje.

‘Dank je wel, Snorrebaard,’ zei Pinkeltje, ‘nu ga ik eerst mijn kleren drogen.’

terug  begin  verder