terug  begin  verder
[p. 149]

XXV Pinkeltje is verkouden

‘A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe! - A-pe-tsjoe!’ Wat was dat nu, Pinkeltje schrok er zelf van en de muisjes schrokken ook.

‘A-pe-tsjoe! Ape-tsjoe! Ape-tsjoe,’ deed Pinkeltje weer.

Och, och, wat was die Pinkeltje verkouden geworden. Telkens en telkens moest hij weer niezen en dan kwamen er traantjes in zijn ogen. Neen hoor, Pinkeltje was erg verkouden en daarom bleef Pinkeltje maar stil in zijn muizenholletje zitten.



illustratie

‘Miauw-miauw-miauw,’ daar kwam Snorrebaard aanwandelen. Die begreep er niets van. Pinkeltje kwam hem anders elke dag even goedendag zeggen.

‘Pinkeltje,’ riep Snorrebaard vlak bij het muizenholletje, ‘waar ben je?’

[p. 150]

‘A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe! Dag Snorre-A-pe-tsjoe-baard, ik ben zo verkouden. A-pe-tsjoe!’

‘Dan moet je een dikke doek om je hals doen, Pinkeltje,’ zei Snorrebaard.

‘Die heb ik niet,’ zei Pinkeltje verdrietig.

‘Wacht maar,’ zei Snorrebaard, ‘ik zal wel zien of ik er een voor je kan krijgen.’

‘Zoem-zoem-zoem-zoem.’ Daar was Brommertje. Die ging ook bij het holletje op de grond zitten.

‘Pinkeltje,’ riep Brommertje, ‘waar zit je toch?’

‘A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe!’ nieste Pinkeltjeweer, enzei:

‘Ik ben toch zo verkouden, Brommertje en ik heb zo'n pijn in mijn keel.’

‘Dan moet je honing slikken,’ zei Brommertje, ‘dat is er goed voor.’

‘Maar ik heb geen honing,’ zuchtte Pinkeltje.

‘Wacht maar,’ zei Brommertje, ‘die zal ik wel voor je zien te krijgen,’ en weg vloog Brommertje.

‘A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe!’ nieste Pinkeltje weer en wie denken jullie, dat er door het open raam naar binnen vloog... Wipstaart!

‘Ka! Ka! Ka!’ zei Wipstaart. ‘Wie niest hier zo?’

‘Dat is Pinkeltje,’ zei Snorrebaard, ‘die is erg verkouden geworden en als je hem gaat plagen Wipstaart, dan krijg je een heel harde tik van me op je kop.’

‘Ka! Ka! Ka!’ zei Wipstaart en kwam verder de kamer in, ‘ik wil Pinkeltje helemaal niet plagen,’ en vlak bij het holletje bleef Wipstaart zitten.

[p. 151]

‘Ka! Ka! Ka!’ riep hij, ‘Pinkeltje, ben je erg verkouden?’

‘A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe! ja heel erg,’ zei Pinkeltje.

‘Maar heb je dan wel een zacht warm veren bedje, Pinkeltje?’ vroeg Wipstaart.

‘Neen,’ zei Pinkeltje.

‘Dan zal ik dat wel voor je zien te krijgen,’ en weg vloog Wipstaart.

‘Pinkeltje,’ zeiden nu de muisjes, ‘het is helemaal niet goed voor je nu, zo op de grond te slapen, we zullen een bedje voor je maken.’

‘A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe!’ - nieste Pinkeltje en zei toen: ‘Dat zou ik graag willen hebben, Knabbeltje.’

‘Knap-knap-knap-knap-knap-knap.’ Wat deden de muisjes daar? Van heel kleine stukjes hout knabbelden ze heel kleine plankjes en pootjes en maakten zo gauw ze konden een houten ledikant.

‘Miauw-miauw,’ riep Snorrebaard onder de klok. ‘Miauw, Zilverdraadje, kom eens gauw.’

Daar keek Zilverdraadje, de spin, al om een hoekje van de klok.

‘Zilverdraadje, kun je niet eens gauw een lekkere warme das voor Pinkeltje maken, die zo vreeslijk verkouden is?’

‘Ik zal er dadelijk aan beginnen hoor,’ zei Zilverdraadje en ‘kriebelde-kriebel-de kriebel,’ gingen de

[p. 152]

pootjes van Zilverdraadje en daar kwam al een stukje van de mooie warme das te zien!

‘Zoem-zoem-zoem-zoem.’ Wat had die Brommertje een haast! Zo vlug hij kon, vloog hij naar het grote veld, buiten de stad. Bij een mooie, rode bloem ging hij zitten.

‘Zwing-zwing-zwing-zwing.’

‘Ha!’ riep Brommertje, ‘daar is Honingsnuitje, de bij, al.’

‘Honingsnuitje, heb je niet wat honing voor Pinkeltje? Die is zo vreeslijk verkouden.’

‘Natuurlijk heb ik voor dat aardige Pinkeltje wat honing,’ zei Honingsnuitje.

Zo gauw hij kon, haalde hij uit de bloemen een druppel honing.

‘Maar waar zullen we de honing in doen?’ vroeg hij aan Brommertje.

‘Wacht maar,’ zei deze, ‘dan haal ik een bakje.’

‘Zoem-zoem-zoem-zoem,’ weg vloog Brommertje. Knaagtandje, het eekhoorntje, zat op een tak en knabbelde een hazelnootje.

‘Zoem-zoem-zoem-zoem,’ daar kwam Brommertje aanvliegen.

‘Knaagtandje,’ zei Brommertje, ‘Pinkeltje is zo verkouden en nu moeten we een klein bakje hebben om honing in te doen.’

‘Wacht maar, Brommertje,’ zei Knaagtandje, en hij knapte gauw een hazelnootje stuk en gaf de helft

[p. 153]

van het dopje aan Brommertje. Die vloog er weer mee naar Honingsnuitje en die vulde het vlug met heerlijke zoete honingdruppels, tot het helemaal vol was.

‘Flapperde-flapperde-flapperde-flap!’

‘Hè, wie is dat?’ zei vader Duif, ‘dat lijkt Wipstaart wel.’

‘Flapperde-flapperde-flapperde-flap!’ Wipstaart ging op het dak van het huisje van vader Duif zitten.



illustratie

‘Vader Duif,’ zei Wipstaart, ‘Pinkeltje is zo vreeslijk verkouden en nu heeft hij geen lekker warm bedje. Heb jij niet wat zachte veertjes in je huisje?’

‘Natuurlijk wel,’ zei vader Duif en hij wipte gauw in zijn huisje en alle duifjes zochten heel kleine, warme, zachte veertjes bij elkaar en daarmee vloog Wipstaart vlug naar het grote huis terug.

‘Flapperde-flapperde-flapperde-flap,’ daar vloog Wipstaart al naar binnen.

‘Ka! Ka! Ka!’ zei hij, de veertjes voor het holletje

[p. 154]

leggende, ‘hier heb ik een heleboel lekkere, warme zachte veertjes voor Pinkeltje.’

De muisjes waren juist klaar met het bedje. Gauw stopten ze de veertjes er in.

‘Miauw-miauw-miauw,’ daar kwam Snorrebaard en op zijn rug zat Zilverdraadje, en die had een prachtige warme das gemaakt voor Pinkeltjes hals en nog een heel mooi zilverkleurig dekentje er bij!

Wat was die Pinkeltje nu blij en wat lag hij lekker warm in dat heerlijke bedje.



illustratie

‘A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe! A-pe-tsjoe!’ nieste hij weer.

‘Zoem-zoem-zoem-zoem,’ daar kwam Brommertje aanvliegen met de halve hazelnotendop vol met heerlijke zoete honing!

De muisjes gaven Pinkeltje gauw wat van de honing.

‘Dat smaakt heerlijk,’ zei Pinkeltje, ‘nu zal ik wel gauw beter zijn.’

En toen... opeens hoorde Pinkeltje heel zachtjes muziek, ‘zoeme-zoeme-zom-zom-zom.’ Dat waren wel zeven vliegjes en ze zoemden zo mooi en zo zacht, dat Pinkeltje spoedig insliep.

‘Hip-Hip-Hip!’ zachtjes hipte Wipstaart naar het raam en ‘trip-trip-trip,’ tripte Snorrebaard voorzichtig

[p. 155]

weg. Alleen de muisjes bleven bij Pinkeltje heel stil zitten, om op hem te passen.

En de volgende morgen, toen Pinkeltje wakker werd, was hij helemaal niet verkouden meer. En al zijn vriendjes waren er blij om!

terug  begin  verder