
zul - gen, en zel - jen tot me - kaar: - ‘dat moes-ten wj eens proe-ven, 't zal lek - ker zijn, niet waar!’ Ze hol-den naar het sloot-je, daar aan den wa - ter - kant, danr dre-ven wit-te le - lies, en stond een brandne-tel - plant. Een hap-te⁀er in de ne - tels, zijn broer-tjes al - le