Krom zijdgeweer hoofdzakelijk door de ligte kavallerie en rijdende artillerie, door de officieren der infanterie en door de bereden officieren en manschappen der veld-artillerie gevoerd (bij ons te lande door de officieren van alle wapens en diensten). De kling van eenen sabel, die als slagwapen goed moet voldoen, moet minstens 0,86 el lang zijn en zonder scheede niet veel meer dan 1,2 pond wegen; men geeft hem hetzij een korf of slechts een beugel; volgens de lessen der ondervinding moet de sabel der ruiterij steeds van een' korf voorzien zijn; hij heeft eene metalen sabelscheede, terwijl in sommige landen de officieren der infanterie nog sabels met enkelen beugel en met eene lederen scheede dragen. De soldaten der infanterie leggen langzamerhand den sabel af; deze wordt al dan niet door een kapmes vervangen. Sabelhouw zie Schermkunst. Vergelijk ook Degen.
Eene lederen tasch afhangende aan een sabelkoppel. Zij kwamen het eerst in zwang bij de invoering der huzaren, die in hunne kleeding geene berging hebbende, wel verpligt waren daarin op de eene of andere wijze te voorzien. Bij ons leger worden zij gedragen door de adjudanten en ordonnance-officieren van den koning, door de officieren van den generalen staf en door de rijdende artillerie.
Het salpeter K.N. is eene scheikundige verbinding van salpeterzuur en potasch. Het behoort tot de onzijdige zouten, schiet aan in zeshoekige, prismatische en half doorschijnende kristallen en heeft een' scherpen, koelen en eenigzins bitteren smaak. Het soortelijk gewigt van het salpeter bedraagt 1,90 à 2,10; het smelt bij 350o C. en wordt bij 380o C. door de hitte ontleed. Het is in zuivere alcohol en in oliën onoplosbaar; in water echter wel, terwijl de hoeveelheid, die zich oplost vermeerdert bij het toenemen van de temperatuur van het water. Het salpeter wordt voortdurend door de natuur gevormd, vooral in warme landen. Het komt in gedegen vorm op het oppervlak en in de bovenkorst der aarde in groote
hoeveelheden voor in Oost-Indië, China, Peru, Egypte, alsmede in eenige streken van Spanje, Napels, enz. In de gematigde luchtstreken is het minder algemeen en vormt zich daar meestal in vochtige, lage plaatsen, vooral in kelders, gewelven, grotten; het krijgt alsdan den naam van muursalpeter. Door kunst wordt het salpeter overal voortgebragt op zoogenaamde salpeterbedden; het aldus verkregen salpeter is echter bruiner en onzuiverder en bevat meestal 15 à 20% aan vreemde zouten. Om het salpeter te zuiveren wordt het gewoonlijk in kokend water opgelost, van tijd tot tijd eenig koud water daarbij gevoegd, de nederplofsels weggenomen, een weinig gesmolten lijm bijgevoegd, afgeschuimd en afgedampt. Indien het salpeter verzonden moet worden, dan wordt het gesmolten en in brooden gegoten, omdat alsdan de vochtigheid er minder invloed op heeft. Het salpeter is het voornaamste bestanddeel en de hoofdoorzaak van de groote uitwerking van het buskruid. Indien het door de hitte ontleed wordt, ontwikkelt zich daaruit eene groote hoeveelheid zuurstof en stikstof; in het eerste gas verbrandt de houtskool zeer snel en vormt daarmede eene uiterst veerkrachtige vloeistof.
Het gelijktijdig afvuren van een aantal geweren of vuurmonden, die in een troepenkorps vereenigd zijn. De salvo's geschieden dus op kommando. Een bataillonssalvo is het gelijktijdig afvuren van alle geweren, ten minste die der beide voorste gelederen. Met de volmaking der vuurwapens en van het tirailleurgevecht worden de S. natuurlijkerwijze hoe langer, hoe zeldzamer. Vroeger golden zij als eerbewijzen, zoo als nog thans bij militaire begrafenissen en zelfs was het een tijd lang gebruik bij het aflossen der wachten een salvo te geven.
De werken, waarmede de belegeraar langzamerhand gedekt eene belegerde plaats tracht te naderen (zie Vestingoorlog) in zoo ver men daarbij de wijze van hunne daarstelling, niet hun doel of hunne ligging in het geheele stelsel der aanvalswerken, beschouwt. Alle loopgraven, parallellen, approches, bekrooningen, de batterijen, de schietgaten kunnen door middel van verschillende soorten van sappen daargesteld worden. Men onderscheidt de sappen in: 1o. De onbedekte gezwinde sappe, die men verkrijgt als men de rigting waarin de loopgraven moeten aangelegd worden, door een touw of door fascines aanduidt, daarachter eene rij arbeiders op ongeveer 2 passen afstands van elkander plaatst, die den grond uitgraven en de uitgegraven aarde naar de zijde van den vijand in de afgebakende lijn als onregelmatige borstwering opwerpen. 2o. De bedekte gezwinde sappe of vliegende sappe onderscheidt zich alleen daardoor van de vorige, dat de rigting der lijn door digt naast elkander geplaatste schanskorven wordt aangegeven, die nu eerst met den uitgegraven grond gevuld worden, terwijl de overige aarde aan de buitenzijde daarvan, tot versterking der borstwering wordt opgeworpen. 3o. De volle sappe; deze wordt uitgevoerd door eene brigade sappeurs van 8 man, die in nommers zijn afgedeeld en die elk eene afzonderlijke en bepaalde taak hebben, de vier laatste nommers dragen den naam van handlangers. In de rigting van de loopgraaf wordt een groote schanskorf, rolkorf genaamd, voortgerold, achter dezen wordt de eene schanskorf na den anderen in de aangegeven rigting geplaatst, terwijl daarachter de grond wordt uitgegraven, hetgeen door het eerste nommer ter breedte en diepte van 50 duimen geschiedt en door de volgende drie nommers tot op eene breedte
en diepte van 1 el gebragt wordt; no. 1 gebruikt de uitgegraven aarde om den schanskorf te vullen, terwijl de volgende nommers den grond daarover heen werpen. Iedere schanskorf wordt zoodra hij geplaatst is door middel van den sappenvork tijdelijk met twee korte fascines bekroond, terwijl tusschen elke twee schanskorven een sappenbundel geplaatst wordt. Zoodra de vierde sappeur drie schanskorven achter zich heeft, worden de tijdelijke bekroonings-fascines door de handlangers weggenomen en door 3 fascines van 2 ellen lengte vervangen. De verdere verbreeding geschiedt dan door andere arbeiders. Daar de borstwering gedurende den arbeid aan het sappenhoofd, naast den rolkorf zeer zwak is, bedient men zich hier nog van verschillende tijdelijke versterkingsmiddelen. Daartoe behoort het sappenscherm zijnde eene houten tafel ter hoogte van eenen schanskorf en ter breedte van de dubbele middellijn eens schanskorfs, van binnen beslagen met eene sterke ijzeren plaat en op twee kleine blokraderen rustende, waarmede het scherm langs de berme, die tusschen de rij schanskorven en de gracht blijft staan, voortgerold wordt. Al verder kan men des nachts op 3 ellen buiten de loopgraven naar 's vijands zijde zoogenaamde kandelaars stellen, zijnde houten toestellen, gelijkvormig aan diegenen waarin men hout wist, waartusschen eene dubbele rij blinderingsfascines gelegd wordt. Tusschen de schanskorven plaatst men sappenbundels, terwijl de beide eerste nommers kuras en helm dragen; ook maakt men gebruik van aard- of wolzakken. De verwisseling der arbeiders geschiedt telkens nadat het eerste nommer twee schanskorven geplaatst heeft, terwijl eene brigade niet langer dan 8 achtereenvolgende uren werkzaam blijft. In Pruissen plaatsen de sappeurs binnen tegen de eerste korven van het sappenhoofd, zandzakken, dit geeft dadelijk bescherming, daarna worden de korven gevuld en goed gesteld, bekroond, enz., de zandzakken worden alsdan weder naar voren overgemand, hetgeen zeer doelmatig is. 4o. De halve volle sappe is eene op de gewone wijze uitgevoerde volle sappe waarbij geen gebruik van den rolkorf gemaakt wordt. De sappe is enkel of dubbel naarmate zij slechts aan eene zijde of wel aan beide zijden der loopgraaf eene borstwering verkrijgt. De dubbele sappe wordt gebruikt als men regt op een vijandelijk werk zal aangaan en dus aan weerszijden aan het vijandelijke vuur der vestingwerken is blootgesteld. De vijand kan dus in de loopgraaf zien en om deze nu te defileren gebruikt men verschillende gedaanten van sappen, die gewoonlijk aangewend worden, zoodra men het glacis bereikt heeft, dus bij eene regelmatige belegering volgens Vauban, van de derde parallel af. De voornaamste dezer vormen zijn: de slangsgewijze sappe, die uit korte bogen bestaat, welke nu eens regts, dan weder links wenden, de zaagswijze sappe van de vorige alleen onderscheiden, doordien de wendingen regthoekig zijn; eindelijk de rondgaande, waarbij twee brigades sappeurs naast elkander werkende, eerst een eind weegs met de dubbele sappe regtuit gaan, daarna wendt de eene zich regts, de andere zich links tot op zekeren afstand, gaan dan weder evenwijdig vooruit, totdat zij naar elkander toe wenden en voorts met de dubbele sappe weder vooruitgaan. Daardoor is nu in het midden eene vierhoekige aardmassa blijven staan, die eene stevige traverse voor de achterliggende loopgraaf is. - Indien eene sappe ook tegen worpgeschut moet gedekt worden, dan verkrijgt men 5o. de overdekte sappe; de gewone bedekking ontstaat door zoowel boven de volle als boven de dubbele sappe, ribben, fascines en aarde aan te brengen, waarbij men hier en daar tusschenruimten laat om lucht in de sappe te behouden. Bij dubbele sappen gebruikt men meestal blinden. Dit zijn ramen, die naar gelang de uitgraving der sappe vordert, ter weerszijden vertikaal geplaatst worden en van boven door liggende ramen verbonden worden. Daarna worden zij met fascines en aarde
overdekt en ook de ruimten tusschen de ramen en borstweringen met fascines aangevuld. Het begin en soms de geheele afdaling naar de gracht werden volgens de vroegere aanvalswijze met de overdekte sappe uitgevoerd. - Men zie over de mogelijkheid der toepassing van den sappenarbeid bij de tegenwoordige wijze van oorlogvoeren en de bestaande oorlogsmiddelen het art. Vestingoorlog. Bijzondere moeijelijkheden bij den sappenarbeid zijn: a. een moerassige grond, zoodat men bij het graven dadelijk water ontmoet; b. een grond vol met wortels, zoo als men die aantreft bij glacis, die met houtgewas beplant waren, dat bij het armement gekapt wordt, terwijl men de wortels in den grond laat; c. een naar de vesting hellend terrein. Zie Glacis en contrepente; hierbij moet men den rolkorf met touwen vasthouden, opdat hij niet wegrolle; bij een grond vol wortels moet de rolkorf dikwijls over de stompen der boomen geligt worden of deze afgezaagd worden. 6o. Turksche sappe of aardrol. Daartoe worden verschillende sappeurs naast elkander geplaatst, die zich eerst ingraven en den grond in de rigting werpen, waarin de loopgraaf komen moet; zij nemen dan de uitgegraven aarde weder op de schop en werpen haar vooruit, kortom schuiven haar voor zich uit; arbeiders, die hen volgen, maken de uitgraving dieper en vormen aan weerszijden daarvan eene borstwering. De Turken gebruikten deze wijze van sapperen al zeer vroeg, de Nederlanders beproefden haar in 1578 voor Deventer om daardoor den overgang over eene natte gracht tot stand te brengen; dit mislukte door een' sterken uitval, doch in 1592 werd zij voor Steenwijk werkelijk tot dat doel gebezigd; zij werd onlangs weder voorgesteld, vooral om beter over een' wortelachtigen grond heen te komen. - De dubbele sappe schijnt het eerst bij het beleg van 's Hertogenbosch in 1624, (waar zij als nieuwe uitvinding den naam van groote batterij kreeg), de overdekte sappe in 1573 voor Haarlem, de gezwinde sappe in 1601 voor Ostende gebruikt te zijn. De Zweden bezigden buitendien dikwijls nog eene geheel onderaardsche sappe, die even als de mijngalerijen gebouwd werd. Bij de belegering van het kasteel Spielberg in 1645 voerden zij uitgestrekte approches van dien aard uit.
Elk mengsel van zuurstof leverende ligchamen en brandbare zelfstandigheheden. De felle verbranding der laatsten in de vrijgeworden zuurstof der eersten is de oorzaak van de groote werking der sassen, die naar mate van hunne meer of minder snelle verbranding in vlugge en trage onderscheiden worden. De sassen worden in twee hoofdsoorten onderscheiden; drijfsassen en brandsassen, waarvan de eersten eene groote hoeveelheid gas snel moeten ontwikkelen of een langen, krachtigen vuurstraal moeten opleveren, terwijl de laatsten eene groote vlam en veel hitte moeten ontwikkelen. Men geeft voorts aan de sassen naarmate van hunne bestemming of van hunne uitwerking nog verschillende namen, als: spuitsas, lichtsas, slagsas, wrijvingssas, buizensas, vuurpijlsas, enz.
S. of salve-garde. Een post, die op last van den opperbevelhebber of van eenige andere hooge militaire autoriteit bij eene plaats, een huis of een bijzonder persoon geplaatst wordt om ze te waarborgen tegen geweld en overlast van de eigen troepen. Die post bestaat somtijds uit een detachement of wel uit eene enkele schildwacht en wordt zelfs wel eens vervangen door een vrijbrief of eenig ander
teeken, dat dezelfde uitwerking moet doen als de post. Het niet eerbiedigen der sauvegarden en het schenden van de door hen uitgeoefende bescherming zijn hoogst strafbaar en werden vroeger met den dood bedreigd.
De schanskorven zijn cylindervormige manden van vlechtwerk van zeer ongelijke afmetingen, naar gelang van hunne bestemming. De meest gewone afmetingen zijn 1 el hoogte en 0,65 el middellijn buitenwerks. De schanskorven worden gebruikt tot bekleeding van borstweringen, vooral in de batterijen en in de loopgraven (zie Sappen), waartoe men ze naast elkander plaatst, met aarde vult en in sommige gevallen verankert, tot vorming van holle traversen, van batterijmagazijnen, van schietgaten, tot herstelling van bruggendekken, enz. Om de schanskorven te vervaardigen wordt op den grond een cirkel beschreven, van vereischte middellijn; den omtrek verdeelt men in een willekeurig aantal gelijke deelen, echter bij voorkeur niet minder dan 7, slaat op de deelpunten aangepunte palen in den grond van 3 à 4 duim dikte en begint nu het vlechten met twee latten te gelijk werkende waarbij de eene binnen en de andere buiten den paal gebragt wordt, zoodat zij elkander tusschen de palen kruisen; bij afwisseling wordt dan de eene en dan de andere boven gelegd. Wanneer men nagenoeg aan het uiteinde eener lat gekomen is wordt eene andere met het overschietende einde ineen gedraaid. Telkens als men 1 of 1,5 palm hoog heeft omgevlochten, wordt het vlechtwerk met den sleg of den pikethamer ineen gedreven. Als de korf geheel voltooid is wordt het vlechtwerk van boven met 4 banden vastgebonden, voorts uit den grond getrokken, omgekeerd en ook het ondereinde met banden voorzien. Zulk een korf weegt ongeveer 30 à 35 pond en kan door vier man in één uur tijds vervaardigd worden. - Om de palen op den juisten afstand te houden, staat een man in het midden van de korf; ook kan men daartoe een hoepel van de vereischte middellijn boven aan de palen bevestigen. Het trekken van den cirkel op den grond kan vervangen worden door een schanskorfbord, in welks omtrek gaten zijn uitgesneden voor de palen. Bij de Oostenrijksche artillerie vlecht men tot op het 1/4 der hoogte in dezelfde rigting erwijl men het volgende 1/4 in tegengestelde rigting vlecht; daardoor blijven de palen beter verticaal en wordt de korf regelmatiger. In Pruissen doet men hetzelfde na iederen voet vlechtens. De bovenste krans van stevig vlechtwerk wordt op 3 à 4 plaatsen tot op 1/3 der hoogte met het overige vlechtwerk vereenigd door rijsbanden, veelal ook door ijzerdraad. Men heeft daar ook de gewoonte om schanskorven, die ver gedragen moeten worden op 2/3 van hunne hoogte van eene lus te voorzien. In Engeland heeft men bandijzeren schanskorven, die minder wegen dan houten en die door twee sappeurs in 4 1/2 minuut vervaardigd
worden. Zij zijn veel duurzamer dan houten en vooral zeer geschikt voor de bekleeding van schietgaten. Ook de Franschen hebben met goed gevolg van zulke ijzeren schanskorven voor Sebastopol gebruik gemaakt.
De banken, klippen en kleine eilanden aan de kusten der Oostzee, namelijk aan de Zweedsche kust, die in groot aantal voorhanden zijn en de toegang tot die kusten moeijelijk maken. Scheerenvloot heet de flotille van kleine vaartuigen, kanonneerbooten en jollen, die Zweden tot verdediging der kusten onderhoudt.
(Chemie). Hetzelfde wat van eene militaire natuurkunde (zie Natuurkunde) gezegd is, kan ook op de militaire scheikunde toegepast worden, hoewel deze minder meeijelijk dan eerstgenoemde is zamen te stellen. Een leerboek der militaire scheikunde moet een kort overzigt der algemeene scheikunde bevatten en hiermede de bijzondere toepassing in verband brengen, vooral met opzigt tot het ijzer en zijne verbindingen, het brons, het buskruid en het schietkatoen, de slagpreparaten, de verschillende stoffen, die tot de zamenstelling van sassen gebezigd worden, de wijze om metalen tegen bederf door oxydatie te behoeden en eindelijk de bouwstoffen, welke de militaire ingenieur noodig heeft.
Bronnen: Gronden der krijgskundige scheikunde voor de kadetten der artillerie en Genie, naar het Hoogduitsch van Moritz Meijer. Colin. Cours de chimie.
Men verstaat daardoor het gepast gebruik maken der slag- en stootwapens tot den aanval en de verdediging. De S. is de moeder der taktiek, welke zich evenwel na de uitvinding der vuurwapens over hare afkomst schaamde, en juist in dienzelfden tijd tot verval kwam, toen zij meende op haar hoogste standpunt te staan. Eer nog iemand er aan dacht, de strijders in geregelde hoopen op te stellen en in den strijd te voeren, had men er al overal over gedacht, hoe men zijnen tegenstander het best kan aanvallen of zijne aanvallen kan tegengaan. Alle gevechten waren niets dan tallooze tweegevechten. Deze speelden ook nog toen eene hoofdrol, toen de troepen reeds eene taktische orde hadden aangenomen. Na den val van het Romeinsche wereldrijk verhief het ridderwezen zich langzamerhand. Met lans en zwaard bewapend en van een geducht strijdros voorzien, ging de ridder zijnen vijand overal stout te gemoet en bood hem het hoofd. Wel is waar bevorderde eene goede wapenrusting de verdediging buitengewoon en van eene S. in den tegenwoordigen zin van het
woord, kon wel naauwelijks spraak zijn; maar men moest er zich ook op voorbereiden zonder wapenrusting met eere den strijd met de zwaarden te kunnen volhouden. Tot op het tijdstip toen de vuurwapens de overhand kregen, stond dus de S. in hoog aanzien, en wie geen goede schermer was, boette zijn onbekwaamheid gewoonlijk met het leven, reden genoeg om zich in het kunstmatige gebruik der blanke wapens te oefenen.
Deze kunst was van de strijdlustige Romeinen op hunne ontaarde nakomelingen overgegaan en is tegen het einde der 16de eeuw in Italië het eerst wetenschappelijk behandeld. De Franschen en Spanjaarden volgden dit voorbeeld zeer spoedig. Het eerste werk van eenige beteekenis over de S. werd in 1628 door Thibault in folio met vele figuren in Parijs uitgegeven; het draagt den titel; Académie de l'épée ou secret du maniement des armes à pied et à cheval, terwijl in Duitschland het werk van Meijer: Beschreibung der freien Kunst des Fechtens 1670 als het eerste van dien aard kan beschouwd worden. Later werd deze tak van letterkunde vooral door de Franschen en Duitschers beoefend. De nieuwere S. vervalt in de volgende hoofdsoorten. Het schermen met den degen, den sabel en de lans en het bajonetschermen. Alleen door haar wordt de soldaat, vooral de infanterist in staat gesteld, alle mogelijke voordeelen uit zijn wapen te trekken; zijn ligchaam wordt buigzamer, vlugger en sterker, zijne geestvermogens, zelfbewustzijn en zelfvertrouwen, moed en tegenwoordigheid van geest opgewekt. Het schermen met den degen en met den sabel wordt meestal met ligtere oefeningswapenen, schermdegens (fleuretten) en schermsabels onderwezen, terwijl men daarbij tevens lederen handschoenen, maskers van gevlochten ijzerdraad of mandenwerk en borstlappen bezigt. Alvorens tot het tweegevecht over te gaan moet de schermer eerst afzonderlijk geoefend worden.
A. De grondslag van het schermen met den degen, is even als die van elke andere S. een goede gevechtsstelling; daardoor moet het ligchaam aan den tegenstander eene zoo smal mogelijke oppervlakte aanbieden en zij moet het doen van stooten en parades begunstigen. Daarbij wordt de regtervoet naar de gestalte van den man 4 à 6 palm vooruit gezet, de knieën gebogen, de regterknie loodregt boven den hiel en de linkerknie loodregt boven de punt van den linkervoet, de punt van den degen ter hoogte van het oog, de hand iets beneden den schouder, het gevest in de volle hand, den duim uitgestrekt boven op, den arm een weinig gebogen, de elleboog binnenwaarts, de linkerschouder teruggetrokken, de linkerarm in eene flaauwe bogt opwaarts met de hand ter hoogte van het hoofd, de palm binnenwaarts. Indien de arm te veel gestrekt wordt is het ontwapenen voor den tegenstander zeer gemakkelijk; die stelling is dus gebrekkig. De stellingen, waarnaar ook de stooten en parades benoemd worden zijn: links (quarte), regts (tierce), laag links (demicercle), laag regts (octave), laag regts met de hand omgekeerd (seconde), hoog links (prime) en hoog regts (quinte), Bij het trekken plaatsen de schermers zich zoo ver van elkander, dat zij bij den aanval elkander met de wapens behoorlijk kunnen raken; de uitval (à fond) bestaat in het vooruitbrengen van het ligchaam door het voorwaarts brengen van den regtervoet, met gelijktijdige strekking van het linkerbeen; men komt door het herstellen (en garde) in de gevechtsstelling terng. De stooten worden onderscheiden in hooge en lage stooten, stooten aan de binnen- en aan de buitenzijde, doorgaande (gedegageerde) stooten, waarbij men onder of boven de vijandelijke kling heengaat, schijnstooten of feintes (une, deux) en dubbele schijnstooten (une, deux, trois), waardoor de stooten alleen aangetoond en niet uitgevoerd worden, om ten tegenstander tot eene voorbarige parade uit te lokken en zich zoodoende bloot te doen geven, waarop dan de werkelijke
stoot volgt, schijnstooten in den kring (tours d'épée), overheen stooten (coupés) in verband met parades en schijnstooten, enz. Indien de tegenstander zich niet bloot geeft, zoo kan men eene opening daarstellen, door eenen slag tegen de vijandelijke kling (battement), door het strijken daarlangs (froissement) of door het omwinden daarvan (liement). Men kan de tegenpartij ontwapenen (desarmeren) door een slag tegen zijne kling of door het omwinden daarvan. Nastoot (riposte) noemt men elken stoot, die onmiddellijk na het pareren van eenen vijandelijken stoot of na de ontwapening zijns tegenstanders volgt. Alle stooten moeten met geheel gestrekten arm, de hooge met opgeheven hand en de volle stooten met uitval uitgevoerd worden. De stooten van de tegenpartij moeten gepareerd, dat is de vijandelijke kling moet door de eigene doelmatig afgeweerd worden. De parades moeten met het dikke van den degen plaats hebben; de vijandelijke kling moet daarbij zooveel mogelijk bij de punt genomen worden, opdat zij door de werking op den langeren hefboom verder wijke en den tegenstander meer bloot geve. De punt van de parerende kling moet steeds op den vijand gerigt blijven, waardoor de nastoot gemakkelijk gemaakt wordt en het mogelijk is den te ver uitvallenden tegenstander in de kling te laten loopen (arrêteren). De parades worden onderscheiden in korte of eenvoudige tegen regte stooten en zamengestelde tegen onderdoorgaande of schijnstooten. Het muur trekken is het salut in verbinding met uitvallen, stooten en parades en dient om te bewijzen, dat men eene sierlijke houding bezit en behendig en vlug kan aanvallen en afweren.
B. Het schermen met den sabel kan met regte of kromme wapens geschieden. Daar hierbij de punt van het wapen niet even als de fleuretten van eene zachte punt voorzien kunnen worden, moeten de schermers zich behoorlijk dekken door helmen, borststukken, enz., opdat zij flink leeren toeslaan. De gevechtsstelling is dezelfde als die voor den degen bepaald, met uitzondering, dat de linker hand op den rug gelegd wordt, buitendien heeft men eene stelling, waarbij de hand omgekeerd wordt met den duim naar beneden. De sabelhouwen of slagen moeten steeds met den scherpen kant der kling gegeven en afgeweerd worden en worden onderscheiden in slagen naar het hoofd, in wang-, zij-, dij-, buik- en voetslagen, slagen onder den arm, enz., in schijnslagen, welke op dezelfde wijze benoemd worden en dubbele slagen. De parades moeten met het dikke van de kling geschieden, opdat de tegenstander er niet doorheen zoude slaan.
C. Het zamengestelde schermen met stooten en slagen, eene verbinding van de beide opgenoemde vechtwijzen, naarmate een stoot of een slag gemakkelijker toe te brengen is of waarschijnlijk van meer uitwerking zal zijn, kan alleen met regte wapens geschieden. Hoewel in het gevecht alle fijnheden der schermkunst meestal niet kunnen toegepast worden, zoo zal toch ook hier de meer geoefende schermer in het voordeel boven den minder geoefenden zijn. Voornamelijk moet daarop gelet worden, dat de slagen of houwen met kracht worden toegebragt.
D. Het schermen met de lans. De lengte der lans maakt hare behandeling betrekkelijk moeijelijk, laat echter ook toe met elken stoot eene parade, met elke parade eenen stoot te verbinden. De volle stooten worden door het uitstrekken van den arm, de verkorte door het opheffen van den arm in loodregte rigting, namelijk tegen eenen digt opdringenden infanterist toegebragt. De lengte der lans maakt ook eene dekking naar achteren en zijwaarts door slagen in horizontale rigting mogelijk. Hoe langer de lans is, des te minder is zij tot eene kunstmatige behandeling geschikt en moet zij uitsluitend tot den gewonen stoot gebezigd worden, waarbij de snelheid van het paard, de kracht van den stoot bepaalt.
E. Het bajonetschermen (zie Bajonet) wordt in de laatste veertig jaren kunstmatig beoefend bij vele infanteriën, vooral naar aanleiding van den Saksischen kapitein Von Selmnitz, die het eerst een volmaakt stelsel van bajonetschermen daarstelde, dat in het eerst bijna algemeen aangenomen werd. Sedert verscheidene jaren volgt de Pruissische infanterie een ander stelsel, daargesteld door den kapitein Rothstein, directeur van de centrale inrigting voor gymnastiek te Berlijn, hetwelk vooral door den Hannoverschen officier Linsinger hevig aangevallen is. De oefeningen in het bajonetschermen hebben even als alle overige schermoefeningen weinig waarde, indien de manschappen niet grondig geoefend worden in het schermen tegen elkander; het onderrigt in eenige passen, sprongen, appels en stooten in de lucht en hunne gezamenlijke uitvoering door geheele afdeelingen is eene nuttelooze drillerij, waarbij de soldaten het gebruik der bajonet niet leeren en niet op prijs stellen, terwijl dit, als de man daarmede bekend is, een veel werkzamer wapen is dan de kolf, welks gebruik in het gevecht van man tegen man nog buitendien het geweer als vuurwapen kan bederven. De gevechtsstelling van den bajonetschermer is met de voeten regthoekig op elkander, den regter op ongeveer 5 palm achterwaarts van den linker geplaatst met de holte tegenover den linkerhiel, de knieën een weinig gebogen en het ligchaam op het regterbeen rustende. De linkerhand vat het geweer tusschen den midden- en onderband aan, de regter, die voor de heup geplaatst is over den greep, het slot is omlaag en de punt van de bajonet op de borst van de tegenpartij gerigt. Tegen den lancier wordt de loop van het geweer naar boven en eenigzins binnenwaarts gedraaid. Uit deze stelling worden de stooten verrigt, door het geweer met beide handen op te ligten en met de regterhand snel vooruit te stooten, glijdende het geweer door de linkerhand tot aan het slot, terwijl de kolf ter hoogte vau de borst gebragt wordt; daarna wordt het geweer teruggetrokken en de gevechtsstelling hernomen; bij den werpstoot wordt het geweer geheel uit de linkerhand losgelaten en gewoonlijk met een' uitval vereenigd. Verkorte stooten, waarbij het geweer eerst met beide handen teruggetrokken en daarmede door het uitstrekken der beide armen een' forschen stoot toegebragt wordt, kunnen bij het gevecht van man tegen man toegepast worden. In tegenstelling hiertoe worden volgens de leerwijze, van Von Rothstein alleen hooge en lage stooten gedaan met beide handen, waarbij de pas voorwaarts den uitval vervangt: dit moet ook zwakkere manschappen in staat stellen met gemak te stooten. De parades worden regts en links, hoog-regts en links, laag-regts en links, neerslag regts en links verrigt, door met den loop eenen krachtigen stoot tegen het vijandelijke wapen te geven, bij Von Rothstein altijd met de lade om het vizier en den loop niet te beschadigen. Voor het gevecht tegen den ruiter dient de spildraaijing, waarbij de infanterist langzaam ronddraaijende steeds front maakt naar zijne tegenpartij, die verondersteld wordt zich om hem heen te bewegen. Tegen den lancier wordt eene bijzondere gevechtsstelling, namelijk de lage parade-positie aangenomen. Hierbij wordt het geweer in eene omgekeerde schuinsche strekking gebragt, de laadstok naar voren, de regterhand iets hooger en op korten afstand voor het voorhoofd, de bajonet ongeveer eene halve el van den grond, de linkerhand bijna gedekt en de vingers om de lade onder den geweerriem gehouden, de regterarm gebogen, het geweer voor de linkerzijde. Indien de infanterist in deze positie de lans met den bajonethals kan opvangen, zal hij met de linkerhand eenen halven cirkel beschrijven en de lans forsch naar omlaag werpen, waardoor de lancier voor een oogenblik geheel ontbloot is. Voorts beoefent men het balstooten, naar vrijhangende ballen, waardoor de soldaat leert raken. Eindelijk moet de soldaat tegen eenen infanterist en eenen ruiter strijden. Dit laatste wordt
zoodanig onderwezen, dat de onderwijzer op eene verhooging staat of op een houten paard zit en van daar sabelhouwen en lansstooten uitvoert. De schermers worden door een helm met vizier, kuras met buik- en beenstukken beschermd en de bajonetten van lederen knoppen voorzien, zoodat men zonder gevaar kan stooten.
Bronnen: Pönitz. Fechtkunst auf den Stosz. Wemer. Fechtkunst auf den Hieb. Roux. Die Kreuszler'sche Stoszfechtschule en Anweisung zum Hiebfechten mit geraden und krummen Klingen. Seidler. Anleitung zum Fechten mit dem Säbel und dem Kürassierdegen. Nadosy. Equitationsschule. Selmnitz. Bajonettfechtkunst. Linsingen. Bajonettfechten. Ivanowski. Nouveau sijstème d'escrime pour la cavallerie. Segers. Anleitung zu den Fechtübungen in der Kön. Preusz. Cavallerie. Balassa. Fecht methode. Siebenhaar. Handleiding voor het onderwijs in de Schermkunst.
Over de behandeling der piek door de piekeniers, zie men Wallhausen. Kriegskunst zu Fusz; De Gheijn. Maniement d'armes, d'arquebuses, mousquets et piques, etc.
Projectilen, die met weinig gekromde kogelbanen bestemd zijn om vertikale doelen te treffen, worden geschoten, die met zeer gekromde banen horizontale doelen moeten bereiken, geworpen. Sedert de vuurwapens bestaan wordt het schieten en werpen onder den algemeenen naam van vuren begrepen. Zoowel bij het schieten als bij het werpen heeft men het voornemen een bepaald doel te treffen. Dit doel nu kan een enkel punt of wel eene oppervlakte zijn. Het middel om een bepaald doel werkelijk te treffen, dat op eenen bepaalden afstand van het wapen en op zekere hoogte boven of beneden de horizontale lijn ligt, welke men vooronderstelt door de monding te gaan, is de juiste rigting, waartoe de vizieren van het wapen dienen en in sommige gevallen, zoo als bij mortieren en gedeeltelijk bij houwitsers de juiste keuze der lading. Indien men opvolgend verschillende projectilen naar eenig doel afzendt, dan kunnen deze allen het doel treffen of slechts eenigen hunner, terwijl de andere het niet bereiken of daarover heen gaan, te hoog of te laag gaan, afwijkingen in schootsverheid of wel te ver regts of links gaan (zijdelingsche afwijkingen). Deze schoten of worpen noemt men dan misschoten. De waarschijnlijkheid om eenig doel te treffen. (kans van treffen) hangt van velerlei omstandigheden af; men drukt haar wiskunstig uit, door het aantal treffers van 100 schoten. De omstandigheden, die invloed uitoefenen op de kans van treffen, zijn: 1o. De grootte van het doel; hoe grooter dit is, des te meer projectilen zullen het onder overigens gelijke omstandigheden treffen. 2o. De
afstand; hoe kleiner deze is, des te meer schoten treffen. 3o. De wind; zoo deze zijdelings op het schootsvlak werkt en aanzienlijke sterkte heeft, drijft hij de projectilen zijwaarts uit dat vlak; zoo hij in het schootsvlak en van het doel afwaait, houdt hij de projectilen tegen en verkort de schootsverheden. 4o. De temperatuur en de vochtigheid van den dampkring; zij zijn van invloed op de zwaarte der lucht, die daarmede gestadig verandert en die onder overigens gelijke omstandigheden, elk oogenblik een ander gebruik van het vizier zoude vereischen, terwijl de schutter en de artillerist in het gevecht deze onmogelijk in acht kan nemen. 5o. Indien de afstand van het doel onbekend is dan moet hij geschat worden. Alle zaken die het juiste schatten der afstanden beletten of moeijelijk maken, ongunstige verlichting van het doel of onmogelijkheid om het te zien, afmatting en opgewondenheid der manschappen, zullen dus de kans van treffen verminderen. 6o. De constructie van het wapen heeft buitendien daarop den grootsten invloed; hierbij zijn vooral van belang de inrigting van het wapen of het glad of getrokken is; de speelruimte, de wijze van ontsteking, de wijze van laden, of daarbij het projectiel al dan niet misvormd wordt, de gedaante en de helling der trekken, de meerdere of mindere doelmatigheid en volmaaktheid der vizierinrigtingen, terwijl het tevens van invloed is of het wapen eenen vasten stand heeft of door een enkel man gehanteerd wordt. In het laatste geval wordt het schot regtstreeks afhankelijk van elke ligchamelijke beweging van den man en de kans van treffen natuurlijk verminderd; deze moet dus onvoorwaardelijk onder overigens gelijke omstandigheden bij de artillerie grooter zijn en steeds grooter blijven dan bij de infanterie. - Indien de manschappen eener troepenafdeeling hun wapen niet kennen en het niet weten te behandelen, dan kan natuurlijker wijze geen spraak van trefkans zijn, hoe voortreffelijk het wapen ook zij. Zij worden met hun wapen bekend gemaakt, vooreerst door eene theoretische uitlegging van de inrigting daarvan, door oefeningen in het uiteennemen en ineenzetten der afzonderlijke deelen, door oefeningen in de handgrepen bij de gewone excercitiën, eindelijk door schietoefeningen. De schietoefeningen der infanterie beginnen doelmatiger wijze met de oefening in het juiste aanleggen, daarna wordt de man er aan gewend om bij het afgaan van het schot, dat eerst alleen nit een slaghoedje, daarna uit een losse patroon bestaat, niet te bewegen en eindelijk begint het schieten met scherpe patronen naar een gegeven doel (schijf) op bekende afstanden, eerst op kleinere, daarna op grootere, tot aan de grootste, waarop het wapen nog met vrucht kan gebruikt worden. Deze oefeningen in het schijfschieten moeten dan volmaakt worden door het schieten op schijven, wier afstand voor den man onbekend is, die hij dus eerst moet schatten, door het schieten in verschillende houdingen, knielend, liggend, staande, met gebruikmaking van dekkingen en steunpunten, zoo als het terrein die oplevert, door het schieten in het avanceren en het retireren, in gesloten orde, na groote marschen, enz. Door zulk eene beredeneerde oefening der manschappen kan men met dit schieten op de oefeningsplaats, de werkelijkheid eenigzins nabootsen, hoewel het onderscheid nog altijd buitengewoon groot zal zijn. Wat voor de schietoefeningen der infanterie gezegd is, geldt ook in de hoofdzaak voor de overige wapens, artillerie en kavallerie, natuurlijk met in achtneming van hunnen verschillenden aard en gebruik. Hoe vreemd het ook klinken moge, daar de draagbare vuurwapens reeds sedert drie eeuwen het hoofdwapen der infanterie zijn, zoo dagteekenen hare schietoefeningen eerst van het laatste vierde gedeelte der vorige eeuw, terwijl de artillerie van ouds her in het schieten met scherp op schijven geoefend werd. Het infanteriegeweer was vooral door eene ondoelmatige inrigting der lade tot het jaar 1777 zeer gebrekkig in geheel Europa; buitendien streed het voet-
volk altijd in gesloten, nooit in verspreide orde, zoodat men wanhoopte aan elke poging om de kans van treffen te verhoogen. Men streefde er alleen naar om het aantal schoten, dat door een zeker aantal manschappen in eenen bepaalden tijd kon gegeven worden, zoo groot mogelijk te maken, waarbij men rekende, dat het aantal treffers toch in verhouding met het aantal schoten moest toenemen. Tegenwoordig hecht men welligt te veel waarde aan de vorming van den man tot scherpschutter met dien verstande, dat men daarbij eene verkeerde rigting volgt en in de werkelijkheid blijft staan op het punt, waarmede de voorbereiding moest sluiten en de eigenlijke oefening moest aanvangen. Men laat namelijk den man alleen schieten op bekende afstanden en op het bekende oefeningsterrein, terwijl men het vuren op onbekende afstanden op verschillend terrein, in gesloten orde, enz. slechts bij uitzondering beoefent. Het is gemakkelijk in te zien, dat men bij die handelwijze een zeer verkeerd begrip verkrijgt over de wezenlijke uitwerking der wapens en dat men geneigd is, om de verschillende oorzaken, die in de werkelijkheid de kans van treffen zoo verbazend verminderen, niet naar waarde te schatten.
Gewoon katoen in zuiveren toestand heeft een soortelijk gewigt van 1,47 tot 1,5 en bevat 44,45 gewigtsdeelen koolstof, 49,38 zuurstof en 6,17 waterstof. Om daaruit schietkatoen te vervaardigen, wordt de streng losgedraaid, uitgeplozen en van alle onreinheden gezuiverd, in bladen watten vervormd en gedroogd; naderhand brengt men het in een bad van 100 gewigtsdeelen salpeterzuur en 79 deelen zwavelzuur in een vat, dat aan den bodem van eene kraan is voorzien. Nadat het katoen een kwartier uurs in het bad gelegen heeft, laat men de zuren door de kraan afloopen en drukt de bladen watten met glazen staven uit, brengt ze dan onder eene pers en na herhaald keeren en uitpersen in een waterbad, dat zoo lang vernieuwd wordt, tot blaauw lakmoespapier daardoor niet meer van kleur verandert, komt het katoen weder onder de pers om er het water zoo veel mogelijk uit te verdrijven. Het wordt eindelijk bij eene temperatuur van niet meer dan 45o R. gedroogd en het schietkatoen (pyroxylin) is gereed. Uiterlijk verschilt het bijna niet van gewoon katoen; in de werkelijkheid echter bevat het eene aanzienlijke hoeveelheid salpeterzuur (
), waarbij het aequivalent van de stikstof N gelijk aan 88 voorondersteld wordt, en wel in die mate dat op 12 aequivalenten C, 5 of 6 aequivalenten N komen. Terwijl het scheikundig teeken van het gewone katoen (Cellulose) C12 H20 O10 is, waarbij het aequivalent van H op 6,2 is aangenomen, zal het teeken van schietkatoen dus C12 H20 O10 +
zijn of de bestanddeelen worden op de volgende wijze geplaatst C12 H20 O22 N6, als slechts 5 aequivalenten ondersalpeterzuur waren opgenomen C12 H20 O22 N5. De bestanddeelen van het schietkatoen zijn nog niet naauwkeurig bekend, omdat daarbij gedeeltelijk nog onveranderde vezels zijn gevoegd en omdat zich behalve het S. nog meer andere dergelijke zelfstandigheden schijnen te vormen. Het S. zoo als het tegenwoordig in Oostenrijk vervaardigd wordt, onderscheidt zich van het gewone katoen uiterlijk slechts daardoor, dat het bij het zamenpersen in de hand een zeer zacht geknars doet hooren. Door wrijving kan men het alleen in zeer dunne vlokken ontbranden door het lang heen en weder te wrijven op ruwe oppervlakken, terwijl daarbij het vuur zich niet eens voortplant; door een' hevigen slag met eenen hamer ontploft alleen het gedeelte, dat getroffen wordt; het andere gedeelte vliegt on onontbrand op zijde. Om oogenblikkelijk te ontbranden heeft het eenen warmtegraad van 230o C. noodig; het kan even als het buskruid door gewone slaghoedjes, buizen, enz. ontstoken worden en neemt lang zoo veel vochtigheid niet op als het buskruid. Daar nu het S. door zijne veerkracht niet gemakke-
lijk door wrijving, slaan of schokken ontbrandt, heeft het ten opzigte van bewaring en vervoer groote voordeelen boven het buskruid, te meer daar het ook niet tot stot overgaat. Als lading voor vunrwapens en mijnen moet het in eenen normaal zamengepersten toestand gebruikt worden. Indien het ontstoken wordt en verbrandt, ontwikkelt het S. even als het buskruid gassen; het werkzaamste daarvan in mogelijk het koolzuurgas
. Uit eene vergelijking der hierboven aangehaalde formulen voor het gewone en het schietkatoen volgt, dat gene slechts zuurstof genoeg bevat om in het gunstigste geval 5 van hare 12 aequivalenten koolstof tot koolzuur te vervormen, terwijl door de bijvoeging van het ondersalpeterzuur in het schietkatoen zooveel zuurstof O voorkomt, dat nu bijna al de koolstof tot koolzuur kan veranderd worden. Intussen en wordt in de werkelijkheid toch niet alle zuurstof daartoe gebruikt; behalve het koolzuurgas vormt zich stikoxyde
, cyangas C N, water; de waterstof wordt gedeeltelijk vrij. De hoeveelheid werkzame gassen, die het S. ontwikkelt is drie of viermaal grooter dan die, welke eene gelijke gewigtshoeveelheid buskruid oplevert; het heeft dus ook eene veel grooter drijfkracht dan het buskruid. Daarbij ontwikkelt het een' veel geringeren warmtegraad en eenen minder hevigen schok dan het buskruid en werkt derhalve in weerwil van de grooter spanning van zijn gas minder nadeelig op den vuurmond en de affnit; het veroorzaakt minder terugstoot en terugloop en verwarmt den vuurmond niet zoo spoedig als het buskruid. Bij de boven opgegeven zamenstelling van het S. kan er geen spraak zijn van kruidslijm; men behoeft dus het verslijmen van het wapen niet te vreezen en behoeft niet een te wisschen. Het S. geeft weinig damp; eene batterij van schietkatoenvuurmonden wordt door deze dus nooit verhinderd in het vrije uitzigt, levert daarentegen ook voor den vijand een gemakkelijk mikpunt op. Deze laatste eigenschap is vooral belangrijk voor het gebruik der schietkatoenvuurmonden in kazematten. De gevormde dampen zijn echter zeer gevaarlijk voor de gezondheid, welke slechte eigenschap echter door bijmenging van salpeter kan weggenomen worden. Het schietkatoen werd in het jaar 1846 door de hoogleeraren Schönbein te Basel en Böttcher te Frankfort aan den Main uitgevonden; kort daarna maakte dr. Otto te Bruwswijk een middel tot vervaardiging daarvan bekend. In alle staten nam men nu proeven om de vraag op te lossen of het S. het buskruid in het algemeen of zelfs met voordeel zou kunnen vervangen. Deze vraag werd welligt wat spoedig en te bepaald ontkend. Intusschen lieten de Duitsche Bond en Oostenrijk de proeven voortzetten. De toenmalige kapitein der Oostenrijksche artillerie Von Lenk wist door zijne uitvindingen op dit gebied de meeste der tegenwerpingen tegen het S. op te heffen. Hij bewees, dat de vervaardiging van S. in groote hoeveelheden volstrekt niet zoo moeijelijk was als men beweerde, dat veeleer de daartoe benoodigde inrigtingen eenvoudig en goedkooper waren dan die voor de vervaardiging van buskruid; eene machine om de kracht van het schietkatoen te meten (Gradirmachine) vernietigt de bedenking, dat men de gelijkslachtigheid van het fabrijkaat niet zou kunnen onderzoeken: terwijl de bewering, dat men de ladingen niet behoorlijk zon kunnen afwegen en afmeten, wier onjuistheid reeds vroeger gebleken was, nu geheel te niet gaat door een uitgevonden mechanisch middel om de schietkatoenladingen te gelijk af te meten en zamen te persen. Met het verbeterde Lenk'sche schietkatoen werden in 1850 en 1851 te Maintz nieuwe proeven genomen, die ten minste het Oostenrijksche bestuur door hare uitkomsten zoodanig bevredigden, dat het nadat Lenk in 1854 de constructieregels voor een schietkatoenkanon had aangegeven, de daarstelling van 8 kavallerie-batterijen elk van 8 schietkatoenvuurmonden gelastte en te Weenen eene uitgebreide schietkatoenfabrijk stichtte. Door de snellere ontwikkeling van het gas der schietkatoen-kardoezen
kan het schietkatoengeschut veel korter dan het gewone gemaakt worden; het Oostenrijksche is slechts 8 kalibers lang, terwijl het een kamerkanon is, omdat de ladingen een veel kleiner volume hebben dan de overeenkomstige buskruidladingen. Hierdoor verkrijgt men tevens het voordeel, dat de lading overal door eene groote metaaldikte omgeven is, wat bij de aanvankelijk grootere spanning der gassen noodzakelijk is, terwijl overigens het kanon eene veel geringer metaaldikte heeft dan het gewone. Zoo weegt bij voorbeeld het 8 kalibers lange schietkatoenkanon van 12
niet meer dan de gewone 6
er. Daar de verslijming niet te vreezen is heeft het kanon minder speelruimte dan het gewone. Men schiet daaruit kogels, granaten, kartetsen en granaatkartetsen. De kardoes bevat het S. in eene zamengepersten toestand. Zij wordt in een' geelkoperen koker gestoken en door het voortschuiven van eene in dezen koker beweegbare schijf, in de kamer gebragt. De schijf wordt bewogen door eene stang, die door den bodem des kokers heengaat en die van een teeken voorzien is, dat aanduidt als de kardoes den koker geheel verlaten heeft. Bij deze inrigting verkrijgt men met het S. nog gelijkmatiger uitwerking dan met het buskruid. Het S. kan ook als springlading in holle projectilen, in mijnen, als vulling van buizen, enz. gebruikt worden; alleen in de eigenlijke vuurwerksassen kan het tot nu toe niet in plaats van buskruid gebezigd worden. Daar de stof van alle plantenweefsels dezelfde scheikundige zamenstelling heeft als die van het katoen, zoo is men geenszins tot dit laatste bepaald; men geeft daaraan echter de voorkeur door de losheid en de betrekkelijke zuiverheid. Men heeft reeds tegen het S. aangevoerd, dat men tot zijne vervaardiging een uitheemsch product noodig heeft, dat in tijd van nood gemakkelijk kan ontbreken; maar de vindingrijke geest des tijds zal wel een ander inlandsch middel vinden dat het katoen kan vervangen. Het moet een paar jaren geleden aan eenen Zwitserschen scheikundige Schweizer te Zurich gelukt zijn het S. te korrelen, wat zijne doelmatigheid voor verschillend gebruik zeer zou bevorderen. Tot nu toe is het S. slechts hier en daar bij straatgevechten werkelijk gebruikt, o.a. in den strijd binnen Volta in den nacht van den 26sten op den 27sten Julij 1848 en in den laatsten tijd door de Koninklijken in Calabrië.
Deze hebben een verschillend doel. 1o. Om een wapen te beproeven of het met een ander te vergelijken; voor dit doel schiet men met de wapens die men vergelijken wil, onder de meest gunstige omstandigheden op verschillende bekende afstanden naar zulke doelen, die in de werkelijkheid voorkomen en waartegen men deze wapens redelijkerwijze gebruiken kan; voor elken afstand spoort men nu de trefkans op. Wanneer dit geschied is, kan men de omstandigheden veranderen en onder andere minder gunstige schieten, bij voorbeeld op onbekende afstanden, om te zien welke uitkomsten men dan met die wapens verkrijgt. De vergelijking der uitkomsten met verschillende wapens geeft eene vergelijking der wapens zelve. Het is echter klaarblijkelijk, dat S. alleen, nooit kunnen beslissen of een vuurwapen al dan niet geschikt is voor oorlogsgebruik; het moet vooral aan de eischen van eenvoudigheid en duurzaamheid voldoen en deze kunnen niet door S. onderzocht worden. Zeer dikwijls hoort men tegenwoordig een geweer prijzen omdat het zóó en zóó veel honderd passen ver draagt. Dit wil hoegenaamd niets zeggen, want behalve dat bij de opgave van een aantal treffers, op zekeren afstand verkregen, ook nog de grootte van de schijf in lengte en breedte moest worden opgegeven, moet ook nog bij elken afstand vermeld worden hoe groot de vizierhoek is; hoe kleiner die hoek, des te bestrijkender de baan, des te grooter de bestreken ruimte (zie Kogelbaan). 2o. Om te beproeven welke uitwerking een aangenomen wapen heeft bij de reglementaire schietoefeningen, in de hand van schutters, zoo als men die gewoon-
lijk zal hebben. 3o. Om de ladingen, dc vizierhoeken. enz. te zoeken, die men voor verschillende afstanden, voor verschillende plaatsing van het doel moet bezigen om de trefkans zoo groot mogelijk te maken en daarnaar schoots- en worptafels te vervaardigen. Deze laatste S. zijn bijzonder belangrijk voor de artillerie.
Het voornaamste verdedigende wapen van de oudheid en de middeleeuwen vroeger hier te lande beukelaar geheeten, was van zeer verschillende grootte en gedaante en was nu eens van hout met leder of metaal bedekt, dan weder geheel van metaal. Het voetvolk had aanvankelijk grooter schilden dan de ruiterij; zij werden voor beide wapens steeds kleiner, zoodat zij eindelijk niet meer dan 6 à 8 palm middellijn hadden en verdwenen na de invoering der vuurwapens geheel. Bij de Grieken onderscheidde men het groote schild (tyreos), dat eene manslengte hoog, van ovaalronden vorm was en van binnen eene passant voor den linkerarm had en het kleine cirkelvormige schild (aspis) van nagenoeg 6 palm middellijn met twee passanten voorzien tot het doorsteken van den linkerarm. Het groote schild werd vervaardigd uit verschillende lagen rundsleder en voorts met eene metalen plaat bedekt of ten minste van metalen randen voorzien; het kleine schild bestond voor de zwaargewapenden uit metaal, voor de ligtgewapenden uit hout met leder overtrokken of uit vlechtwerk. Verschillende Aziatische volken, zoo als bij voorbeeld de Perzen hadden zeer groote schilden van vlechtwerk, die den naam van pavesa droegen. De boogschutters staken ze voor zich in den grond, waartoe die schilden van onderen van eene punt voorzien waren en dekten zich daarachter. Zij kwamen later ook in Europa in gebruik, vooral bij de belegeringswerkzaamheden en men vindt ze nog in de middeleeuwen vermeld, o.a. bij het beleg van Bayonne in 1451 en zelfs bij den slag van Marignano in 1515. Ieder boogschutter had tot het dragen van dit S. eenen schilddrager bij zich. - De Romeinsche zwaargewapende soldaten hadden het groote vierkante S. (scutum) uit hout met leder overtrokken vervaardigd en van metalen randen voorzien, de ligtgewapenden een rond schild (parma) van 1 el middellijn, en de ruiterij een ovaalrond schild (clijpeus). Het voetvolk van den nieuweren tijd voerde in de regel geen schild; de schutters toch konden er geen gebruik van maken, terwijl voor de piekeniers, die zeer lange pieken hadden, welke buitendien geheel aan het uiteinde vastgehouden moesten worden een S. te lastig zoude geweest zijn. Alleen de dubbelsolders, die met zwaarder of korter pieken bewapend waren en de eerste gelederen van het vierkante bataillon vormden, bezigden kleine schilden van verschillende gedaante, die zoo ligt waren, dat ze alleen met den linkerarm konden gehanteerd worden, zoo als de brocchiëri der Spaansche infanterie of die aan eenen riem over den regterschouder hingen en met den linkerarm bestuurd werden, zoo als de cirkelvormige rondassen (rondaccia, rundtartsche), die 6 palm middellijn hadden en hier en daar verspreid, tot aan het einde der 17de eeuw bleven bestaan en onder anderen weder door Montecuccoli tot bewapening van het eerste gelid werden voorgesteld. Bij de Franschen, Spanjaarden en Nederlanders en bij de Italiaansche ruiterij bleven deze rondassen het langst bestaan. Het is ten onregte, dat de uitvinding aan Prins Maurits wordt toegeschreven; bij de Duitschers droegen de bevelhebbers kleine S. of tartschen en bij de Spanjaarden, Franschen en Italianen waren de piekeniers van kleine ronde schilden rondelles voorzien, die door de officieren tot het einde der 16de eeuw gedragen werden. In 1595 liet Maurits proe-
ven nemen om met groote schilden of targes door een bataillon piekeniers heen te dringen. Deze proeven gelukten volkomen, doch om onbekende redenen werd aan de invoering dier targes geen gevolg gegeven. In het algemeen werden de schilden niet alleen in het gevecht van man tegen man gebruikt, maar de Grieken en Romeinen wisten in groote afdeelingen hunne schilden zoodanig te houden dat daardoor een ondoordringbare muur ontstond, vooral tegen de aanvallen der vijandelijke ruiterij. Ook maakten zij daarvan de zoogenaamde schildpad (testudo), door ze boven hunne hoofden te houden en volgens overlevering moet zulk een dak zoo sterk geweest ziju, dat niet alleen enkele ruiter- maar ook ligte voertuigen daarover konden rijden.
Een klein huisje, groot genoeg om een man te kunnen bevatten, dient tot beschutting der schildwachten bij regenweder. Gewoonlijk is het van planken vervaardigd, somtijds echter ook gemetseld in torens of muren, zoo als bij voorbeeld vroeger meestal in de uitspringende hoeken der vestingwerken.
Oorspronkelijk de wachter bij de schilden, tegenwoordig een infanterist, die tot bewaking van eenig voorwerp of tot waarneming van eenig terreingedeelte is opgesteld. De schildwachten der kavallerie dragen den naam van vedetten. - Schildwachten van eer zijn degenen die volgens de reglementen voor de woningen van generaals of hoofd-officieren geplaatst worden. Vroeger werden zij met kwistige hand uitgesteld, maar tegenwoordig heeft men wijsselijk ingezien, dat de eeuwige wachtdienst in vredestijd meer schadelijk dan nuttig voor de vorming van den soldaat is.
Oorlogschip is de naam van de grootste oorlogsvaartuigen (zie Vaartuigen), onder de zeil- of gemengde schepen, dezulken die van drie masten voorzien zijn. Men onderscheidt drie soorten van schepen: a. korvetten, welke slechts eene batterij op het bovendek hebben; b. fregatten, die buitendien nog eene bedekte batterij (de kuilbatterij hebben; c. linieschepen, die behalve de batterij op het bovendek nog minstens twee bedekte batterijen, dus ten minste drie batterijen hebben. Linieschepen met twee bedekte batterijen worden tweedekkers, die met drie bedekte batterijen driedekkers genoemd. Bij den driedekker heeten de batterijen van boven naar beneden opperdeksbatterij, bovendeksbatterij, tusschendeksbatterij, onder- of eerste batterij; bij den tweedekker, opperdeksbatterij, bovendeksbatterij en onderbatterij. Driedekkers voeren 100 à 120, tweedekkers 70 à 100, fregatten 40 à 60, korvetten 22 à 30 stukken. Iedere laag bestaat dus gemiddeld uit 22 à 34 stukken. Naar het aantal kanonnen, dat zij voeren verkrijgen de schepen hunnen rang (bij ons klasse,) Bij de Engelschen bijv. zijn al de schepen, die meer dan 110 stukken voeren van den 1sten rang, die van 80 à 110 van den 2den rang, die van 70 à 80 van den 3den rang, de fregatten van 50 en meer van 4den rang, de fregatten van 30 en meer stukken van den 5den rang en alle kleine schepen van den 6den rang. Schepen met stoomvermogen zijn volkomen zeilschepen, die buitendien van een stoomwerktuig voorzien zijn, zoodat zij door den wind of door stoom of door beiden vereenigd kunnen bewogen worden. Alle schroefstoomschepen zijn met stoomvermogen. Een linieschip van die klasse heeft 16 à 18 el
grootste breedte en is zesmaal zoo lang; het heeft een' diepgang van 8 à 9 el, dat wil zeggen dat als het volkomen uitgerust is, de kiel zoo ver onder den waterspiegel ligt en het gedeelte boven water bijna even groot is.
Het voornaamste of ten minste een der voornaamste voorwerpen van de uitrusting der troepen; er kan verschil bestaan of men den man halve laarzen of schoenen moet geven; het zal wel het best zijn bij ieder leger het gewone schoeisel, dat in het land gedragen wordt te bezigen en vooral daarop te letten dat het S. passend is. Als men den man al geen wollen sokken kan geven, moet men er toch vooral op letten, dat hij bij groote marschen zijne voeten zindelijk houde en ze met lappen met kaarsvet omwikkele, dat het schoeisel regelmatig en goed ingesmeerd wordt, dat als de soldaten in het bivouac de schoenen uittrekken, wat steeds voordeelig is, zij ze behoorlijk met stroo opvullen, opdat ze passend zouden blijven. Tot de uitrusting rekent men 2 paar schoenen en een paar zolen in voorraad. De kavallerie, zoo als alle bereden troepen, draagt laarzen; het best zijn dezulken, die tot digt aan de knie reiken, zonder hare beweging te belemmeren.
1o. Militaire school, zie Militaire Akademie, Vorming. Men noemt soldaten-, pelotons-, bataillons-, linie-school de verschillende afdeelingen der oefeningen, die de soldaat, het peloton; het bataillon, enz. volkomen moeten kunnen uitvoeren, om als goed geoefend beschouwd te worden, voorts ook de reglementen, die deze scholen bevatten. Op dezelfde wijze spreekt men ook van schietschool. 2o. Rijschool zie Rijden, Schoolpaard, Schoolrijden, zie Dienstpaard.
1o. Het afschieten van eenen vuurmond of van een handvuurwapen. 2o. Wijze van vuren bij de artillerie. De schoten en worpen, die bij het geschut voorkomen, worden onderscheiden: a. naar de wijze van rigten in kern-, vizier- en opzetschoten. Bij de kernschoten is in algemeenen zin de vizierlijn evenwijdig met de as van de ziel, in engeren zin is daarbij de as van de ziel horizontaal. Bij de vizierschoten wordt de rigting over de beide hoogste punten van het metaal genomen, die meestal aangegeven zijn door eene viziersnede en eene inkeeping op pen kop of door viziernokken. Bij de opzetschoten wordt van den opzet gebruik gemaakt. Tusschen het kernschot en het vizierschot heeft men bij de zware veldkanonnen, de belegerings- en ijzeren kanonnen nog het kernopzetschot waarbij gebruik van den opzet met dat van den kernring verbonden wordt. b. Naar de buskruidlading in schoten met volle, verzwakte en versterkte lading. c. Naar het gebezigde projectiel in schoten met kogels, kartetsen, granaat-
kartetsen en granaten, worpen met bommen, granaten, spiegelgraten, steenen, kogels, brand- en lichtkogels. d. Naar den stand van de as der ziel ten opzigte van het horizontale vlak en naar de ligging van het doel hooger of lager dan de stelling van den vuurmond in elevatieschoten, horizontale, dalende, plongerende en borende schoten. e. Naar de strekking van het doel in frontschoten, echarpeer-, flank-, enfileer, bricolrevers- en rugschoten. f. Naar de uitwerking in eenvoudige-, rolricochet-, demonteer- en bresschoten. 3o. Geschoten wond. Zie Wonden.
De S. dienen in verschillende gedaanten, gedeeltelijk tot verfraaijing der uniformen, deels tot bevestiging van het legergoed, deels tot onderscheidingsteekenen of tot hunne bevestiging, alsook tot het plaatsen van het regimentsnommer, deels tot bedekking der schouders tegen sabelhouwen. De epauletten zijn eigenlijk in verband met den ringkraag het laatste overblijfsel van het ridderlijke harnas en worden in de meeste legers nog tot onderscheidingsteekenen der officieren gebezigd; buitendien geeft men nog hier en daar epauletten, geheel of gedeeltelijk van dunne metaalplaten aan de kavallerie, als het wapen, dat voornamelijk handgemeen wordt, terwijl men aan de onderofficieren en manschappen der andere wapens lakensche schouderlappen geeft. Overigens heerschen hierin de grootste verschillen, die gedeeltelijk eenen meer of minder geschiedkundigen oorsprong hebben. In den jongsten tijd heeft men te regt de epauletten als onderscheidingsteekenen der officieren afgekeurd, omdat zij hen reeds op grooten afstand kenbaar maken en in zeker opzigt tot geschikte mikpunten voor de vijandelijke scherpschutters maken, omdat zij zeer hinderlijk zijn voor de rust in het bivouac, omdat zij juist door hunne lastigheid dikwijls niet gedragen worden en zonder hen de rangen niet te kennen zijn. De Oostenrijkers zijn hierin verstandiger dan de overige mogendheden en onderscheiden de rangen door sterretjes op den kraag. De officieren der rijdende artillerie dragen in plaats van epauletten schoudersnoeren, terwijl de gewone en buitengewone adjudanten en de ordonnance-officieren van den koning en de prinsen van den bloede en de officieren der maréchaussée gouden of zilveren nestels dragen.
Onder-officier of soldaat, die op de bureaux bij de chefs der korpsen of bij de kwartiermeesters geëmploijeerd wordt om schrijfwerk te verrigten. Bij ons zijn zij ten getale van 3 bij den staf van elk regiment infanterie, kavallerie of artillerie gevoegd en hebben zij den rang van sergeant.
Men klaagt bijna overal over de vele schrijverijen in de militaire dienst. Deze zijn gedeeltelijk innig verbonden met de maatschappelijke inrigtingen van onzen tijd, gedeeltelijk zijn zij afhankelijk van toevallige omstandigheden, die gemakkelijk veranderd konden worden, in de ophooping van te veel boven en naast elkander staande autoriteiten, in het hechten aan bloote vormen, in het indringen van het bureaucratische stelsel van het land ook in de militaire organisatie. Vereenvoudiging van den gang van zaken en van de zaken zelve zal steeds het beste middel zijn om de uitbreiding der S. te keeren.
op te heffen of twee voorwerpen stevig met elkander te verbinden; men onderscheidt aan de S. de cylinder, de schroefdraden en den kop. Bij elke gewone schroef behoort eene moer, met schroefdraden, die met die van de S. overeenkomen; de moer of de schroef kunnen beweeglijk zijn. Is de moer vast en kan de schroef alleen om zijne as draaijen, zonder zich in de rigting zijner lengte-as te bewegen, dan heet zij schroef zonder eind, hare draden vatten dan gewoonlijk in de tanden van een rondsel en zij wordt gebezigd om dit in beweging te stellen. Eene houtschroef is eene S. die zonder moer regtstreeks in het hout moet geschroefd worden; de stift is kegelvormig en de draden scherp. 2o. De Archimedische schroef, zoo als die tegenwoordig tot beweging der schroefschepen gebezigd wordt (zie Vaartuig) heeft slechts twee vleugels, die op 1,2 el lengte schroefvormig om de as (de stift) staan. De middellijn der S. tusschen twee punten van den omtrek der vleugels gemeten bedraagt bij linieschepen ongeveer 6, bij fregatten 4,75 el, bij kleinere schepen en vaartuigen betrekkelijk minder. De schroef beweegt zich geheel onder water onmiddelijk voor her roer om eene as, die in de verlenging van de kiel ligt; deze as wordt gesteund door standers met tappannen van 3 tot 3 el en loopt naar de stoommachine, die haar in snelle draaijende beweging brengt.
Deze heeft plaats bij de infanterie door 1/8 wending en kan geschieden, door elken man die wending te laten doen of door de divisiën of pelotons 1/8 zwenking te laten uitvoeren. Bij de kavallerie geschiedt de schuinsche marsch door 1/16 wending, zoodat elk paard met het hoofd tegenover het einde van den hals van het nevenpaard en de knie van elken ruiter achter de knie van den nevenman, naar den kant waarheen men schuins marcheert, gehouden wordt. De artillerie maakt den schuinschen marsch door 1/8 wending van elk stuk of door eene zwenkende beweging met de geheele batterij om eene beweegbare spil.
Nadat de boog uit het Oosten tot ons gekomen was, vormden zich in de steden de aanzienlijkste ingezetenen tot broederschappen of gilden schutten of schutters . ten einde zich gemeenschappelijk in het schieten met den boog te oefenen. De oudste S. van dien aard, waarvan wij berigten hebben is die van Leiden in het jaar 1266. Somtijds had men meer dan ééne schutterij in dezelfde stad, die zich dan met verschillende wapens oefenden. Iedere S. had haar doelen waar zij zich oefenden en de schutters stonden onder hunne hopmans, het geheele gild onder een deken. Zij hadden als bestemming voor de veiligheid der stad te zorgen, hun deel te leveren als de stad manschappen ter heervaart moest zenden en bij ge-
legenheid tot eerewacht der vorsten te dienen. Bij de invoering der vuurwapens, werden deze door de verschillende gilden aangenomen en weldra vormden de S. eene gewapende magt, die veel invloed verkreeg en zelfs in moeijelijke staatsaangelegenheden geraadpleegd werd. Met het ontstaan der staande legers kwamen de schutterspilden in verval, en kwijnden voort tot 1795, toen zij geheel te niet gingen. Na Neerland's herstelling duurde het tot 1820 eer de lust tot het schieten herleefde en nu ontstonden alom handboogschutterijen, waarnevens ook enkele busschutterijen opgerigt werden; in 1851 werd de eerste stap tot uitbreiding der scherpschutterijen gedaan door het concours, dat Z.M. op het Loo deed houden. De Nederlandsche scherpschutterij telt nu 24 gilden met een gezamenlijk aantal van bijna 300 leden. Men Zie Jaarboekje voor scherpschutters door Gysberti Hodenpijl en Cox. 1855.
Oude Russische houwitsers met elliptische ziel, die naar voren wijder werd; de grootste as stond horizontaal, ten einde zoo als men dacht, aan de daaruit geschoten kartetsen eenee grootere horizontale en eene geringere vertikale verspreiding te bezorgen. Zie over deze vuurmonden: Lectures sur les fusées de guerre par le gén. Konstantinoff. Paris 1861.
De gewone inlandsche troepen van de Oost-Indische kompagnie. Bij elke kompagnie zijn ten minste eenige Engelsche officieren. Tot Mei 1857 waren zij voor alle wapens meer dan 200 000 man sterk; sedert echter zijn zij deels in openlijken opstand tegen het Engelsche bestuur, deels zoo woelig en zoo weinig te vertrouwen, dat Engeland in Indië zijne toevlugt tot eene andere organisatie zal moeten nemen.
S. of signalen dienen tot mededeeling van berigten en orders op afstanden, welke de menschelijke stem niet bereiken kan onder omstandigheden, waarin tijd en gelegenheid ontbreken om deze berigten en orders door menschen naar hunne bestemming te doen overbrengen. De S. worden onderscheiden in zigtbare (optische) en hoorbare. Men geeft optische S. door het branden van alarmstangen (zie Alarmstang), door den heliotroop (zie Heliotroop), door vlaggen en wimpels van verschillende kleuren en op verschillende wijzen gerangschikt, door vuurpijlen (zie Vuurpijlen), door wenken met den degen. Hoorbare S. worden gegeven met muzijkinstrumenten, trommels, trompetten en hoorns om de troepen te verzamelen of de tirailleurlinie te leiden, hetzij door den officier, die ze onmiddellijk aanvoert of door de gesloten afdeeling, van waar zij zijn uitgezonden, tot het geven van bevelen aan niet verzamelde troepen (bijv. reveille, taptoe, appel, enz.); zij worden verder gegeven door het doen van schoten, het afsteken van moordslagen, het luiden van klokken, enz. Ieder seinstelsel moet zoo eenvoudig mogelijk zijn, opdat er niet gemakkelijk vergissingen zouden kunnen plaats hebben. Het gebruik daarvan vooronderstelt natuurlijk dat de beteekenis der seinen aan dengenen, die ze laat geven, maar vooral aan dengenen, voor wien ze bestemd zijn, bekend zij. - De S. waardoor de schepen en vaartuigen eener vloot een geregeld verkeer met elkander onderhouden zijn optisch bij dag en bij helder weder, hoorbare bij mistig weder, zigt- en hoorbare verbonden bij
nacht. De dagseinen zijn vlaggen van verschillenden vorm en kleur, die in den regel aan den bezaanmast in verschillende opvolging geheschen worden. Elke bijzondere verbinding beduidt een cijfer en elk cijfer stemt overeen met een woord of een volzin, die men in een daartoe bestemd seinboek kan vinden. In 1853 werd door eene commissie in Engeland een nieuw seinstelsel ontworpen, hetwelk 78 642 seinen bevat, zonder dat ooit meer dan vier vlaggen boven elkander behoeven geheschen te worden. In dit stelsel dat bestemd is om internationaal te worden zijn 50 000 seinen, die de namen van de schepen der Engelsche koopvaardijvloot aangegeven, weggelaten. Bij mistig weder worden de S. door kanonschoten gegeven, die in bepaald aantal en met verschillende tusschenpoozingen vallen en daardoor de verschillende cijfers van het seinboek beteekenen, - bij nacht door kanonschoten in verband met gekleurde lantaarns, die aan de masten hetzij in regte lijn boven of naast elkander of in den vorm van eenen driehoek opgeheschen worden. Op ieder schip leidt een officier, wien verschillende helpers zijn toegevoegd, de seindienst.
In de meeste Europesche legers de benaming der oudste onder-officieren van de infanterie. In de hedendaagsche beteekenis van het woord zijn naar het schijnt twee vroegere denkbeelden vereenigd. In de middeleeuwen vindt men soldeniers te voet, door de vorsten en eenige baanderheeren aangeworven en die den naam van dienstmannen (sarienten of servienten) droegen. De Franschen noemden in de 16de eeuw die officieren, welke bestemd waren om de troep te sluiten, die dus achter de gelederen geplaatst waren en die in het gevecht rond moesten loopen om te zorgen, dat alles gesloten was serre-gens, in dezelfde beteekenis als de rotsluiters (serre-file) van onze dagen. Sergeant de bataille werd die officier zonder bepaalden rang genoemd, die de opstelling der troepen moest regelen, die moest zorgen dat zij zich in slagorde plaatsen, hetgeen bij ons de betrekking van den sergeant-majoor van het regiment was.
Vergoeding voor den prijs eener woning of voor bijkomende behoeften, ameublement, verwarming, verlichting, enz. als de woning in natura geleverd wordt. Zie Kampen en kwartieren.
Ontwerp tot den veldslag, de schriftelijke of mondelingsche verklaring van het plan bijzonder met het oog op de verdeeling van de taak der afzonderlijke troepenafdeelingen. Zie Dispositie.
(Ordre de bataille). Men verstaat door slagorde. 1o. De opstelling of den opmarsch der troepen voor eenen bepaalden veldslag, zoo als zij volgen uit het doel en de bestaande omstandigheden en bij welker regeling de kunde en het doorzigt van den veldheer zich geheel vrij kunnen ontwikkelen, terwijl onkunde en onverstand zich altijd duidelijk verraden. 2o. De vaste bepaling, volgens welke een korps uit alle wapenen bestaande, een legerkorps, eene zamengestelde divisie, in den regel moeten opgesteld worden, indien geene bijzondere gewigtige omstandigheden daarin verandering noodzakelijk maken. In het artikel Veldslag wordt verklaard welke zaken invloed hebben op de eerstgenoemde soort van slagorde en hoe deze in versehillende bepaalde soorten kan verdeeld worden, die tot verschillende vormen voeren, waarbij de organieke zamenstelling der onderdeelen en der bepaling hunner sterkte weder door den veldheer moeten bepaald worden. Men zoude deze eerste soort van slagorde de bijzondere slagorde kunnen noemen.
Wij behoeven hier slechts de tweede soort te beschouwen, die wij normaalslagorde of normaalstelling zullen noemen. Deze normaalstelling hangt af vooreerst van de bewapening der troepen, voorts van de verhouding der verschillende wapensoorten, van hare onderlinge sterkteverhouding en van de waarde, welke men volgens de maatschappelijke en staatkundige omstandigheden aan ieder daarvan toekent, in welk laatste opzigt rede en vooroordeel geheel vrij kunnen heerschen. Bij den grooten invloed dien deze verschillende zaken uitoefenen, blijft ons niets over dan de normaalstelling geschiedkundig te beschouwen.
In de oudheid vinden wij twee hoofdslagorden, waartoe alle anderen kunnen teruggebragt worden; de phalangitische en de liniesgewijze schaakvormig opgestelde; de eerste is door de Grieken, de laatste door de Romeinen volmaakt. De Grieksche legers uit de oudste tijden bestonden hoofdzakelijk, somtijds uitsluitend uit voetvolk; het zware voetvolk, uit de eigenlijke burgers bestaande, vormde zoo uit een staat-
kundig als uit een militair oogpunt, het voornaamste gedeelte daarvan. De burgers werden door hunne knechten, hunne onderhoorigen en hunne slaven begeleid. Het geheel schaarde zich in ééne linie, volgens onze begrippen van aanzienlijke diepte; de eerste gelederen bestonden uit de zwaargewapende meesters, de laatste uit de ligt of in het geheel niet bewapende onderhoorigen en slaven, die van werpwapens of alleen van knodsen voorzien waren, ten einde de vijanden, die door de eerste gelederen overhoop geworpen waren, af te maken. Deze slagorde in ééne enkele linie wordt bij voorkeur de phalanx genoemd. Langzamerhand scheidden de ligtgewapenden zich hiervan af en werden in afzonderlijke afdeelingen zamengetrokken, wier werkkring nu met die van de kern der phalanx, die van toen af alleen uit zwaargewapenden bestond, in overeenstemming moest gebragt worden. Bij het voetvolk kwam nu ook ruiterij, die met het geheel in verband moest gebragt worden; zij werd in zware en ligte verdeeld en de beide soorten moesten weder op eene doelmatige wijze geordend worden. Gedurende alle tijdperken der ontwikkeling van de Grieksche phalanx, tot op den tijd van Alexander den Grooten en zelfs nog later, bleef haar kenmerkend teeken, de opstelling in ééne linie; de afwijkingen van dien regel zijn onbeduidend. Alle wapensoorten werden dan naast elkander ontwikkeld. Het was echter ook geschiedkundig, natuurlijk, dat de later bijgekomen wapensoorten op de vleugels der oudere, geplaatst werden. Men vond dus in het centrum de zwaargewapenden, verder op beide vleugels de ruiterij op verschillende wijzen in verband gebragt met de schutters te voet. De bijzondere slagorde, waartoe deze normaalopstelling der phalanx voerde en waarin zij in den regel gebezigd werd, was de schuinsche slagorde. Vooreerst was dit toevalligerwijze een gevolg van de bewapening. De zwaargewapende infanterie, die oorspronkelijk uit maatschappelijke en staatkundige redenen als het eenige werkzame element der phalanx werd beschouwd, droeg schilden aan de linkerzijde, de regterzijde werd de ongedekte zijde genoemd. Indien nu twee gelijkvormig geschaarde phalanxen elkander op het slagveld ontmoetten, dan trokken beiden bij het voortrukken onwillekeurig regts, ten einde de door het schild ongedekte zijde niet aan den vijand bloot te geven; zij overvleugelden elkander dus wederkeerig. Bij dit regts aanhouden kwamen te gelijkertijd de regtervleugels vooruit en de linkervleugels werden teruggehouden, zoodat de linie ten opzigte van de oorspronkelijke frontlijn, spoedig schuins stond. Bekwame mannen, volgens de geschiedkundige overleveringen het eerst Epaminondas, kwamen op het denkbeeld datgene wat toevallig ontstaan was, te volmaken en het te gebruiken, om de grondstelling van de gedeeltelijke overwinning in toepassing te brengen. Zij bragten een der beide vleugels vooruit en hielden den anderen uit het gevecht terug; met den eersten vleugel moest de hoofdaanval verrigt worden; hij werd dus bijzonder sterk gemaakt en uit de beste manschappen zamengesteld, de andere vleugel daarentegen, die teruggehouden werd en diensvolgens als eene reserve in den zin der nieuweren tijden kan beschouwd worden, bleef zwakker. Epaminondas gebruikte altijd zijnen linkervleugel tot den aanval, hield zijnen regtervlengel terug, daar het bij de Grieksche legers, die hij te bestrijden had, de gewoonte was, juist den regtervleugel uit de geschiktste manschappen zamen te stellen. Hij wilde eerst de overwinning op den vijandelijken regtervleugel behalen en dan met zijne geheele magt den slechter zamengestelden linkervleugel des vijands aantasten. Alexander de Groote, die de Perzen tegenover zich had, waarbij deze redenen niet bestonden, viel steeds met zijnen regtervleugel aan. Hoe meer de ligte infanterie en de kavallerie zich ontwikkelden, des te minder wilde men er zich mede tevreden stellen, het overwigt bij den aanvallenden vleugel te verkrijgen door hem uit eene diepe kolonne infanterie
zamen te stellen, des te meer trachtte men dit overwigt te verkrijgen, door eene doelmatige verbinding van de verschillende wapens op dien vleugel. Goede ligte infanterie moest door hare projectilen verwarring bij den vijand veroorzaken, dan moest de kavallerle chargeren en openingen maken; de zware of middelsoortige infanterie moest dan volgen en de nederlaag des vijands voltooijen. De eerste sporen van dit stelsel zien wij reeds in de schuinsche slagorde van Epaminondas, de hoogste bloei daarvan in die van Alexander den Grooten. Even als overal, waar de legers hun nationaal karakter verliezen, de infanterie slechter wordt, zoo was dit ook het geval met de legers, waarmede de opvolgers van Alexander den Grooten elkander bestreden. De infanterie verloor bij deze legers hare geheele waarde en het eigenlijke gevecht, werd nog meer dan vroeger door de vleugels, die geheel of bijna geheel uit ruiterij bestonden gevoerd; de infanterie werd meestal door eene vooruitgeschoven linie olifanten gedekt. Men had echter reeds lang opgemerkt, dat kavallerie als ze werkzaam zal zijn, niet in ééne linie en ééne rigting moet gebruikt worden; zij moet veel meer hare kracht zoeken in verschillende onmiddellijk op elkander volgende schokken, dan in een enkelen, zelfs zwaarderen schok; zij moet trachten tegelijkertijd den vijand in front, in de flanken en in den rug aan te tasten om zoo mogelijk den zedelijken indruk, dien zij kan voortbrengen, nog te verhoogen. Toen de ruiterij als aanvallend wapen op het slagveld deze waarde kreeg, zag men eene groote zorg besteden aan de zamenstelling van de vleugels kavallerie, vooral aan die van den aanvallenden vleugel. Wij vinden daarbij afdeelingen bestemd om den vijand in front aan te vallen, andere die hem in de flank aantasten, nog andere, die tegen overvleugelingen des vijands dekken, eindelijk afdeelingen, die als reserven dienen voor degenen, die den frontaanval verrigten. Terwijl reeds Alexander de Groote zijn zware ruiterij altijd met eskadrons in échelon liet aanvallen en zijne ligte ruiterij in het algemeen slechts tot afzonderlijke ondernemingen gebruikte, werd dat in den tijd der Diadochen in een kunstmatig stelsel gebragt. Steeds echter is de normaalstelling in het groot beschouwd, de phalanx.
Deze bestond nog langen tijd in de legers van Griekschen oorsprong toen de Romeinen reeds lang een geheel ander stelsel hadden aangenomen, waarmede zij reeds in de Punische oorlogen te voorschijn kwamen. Het was het stelsel der schaakvormige opstelling. Ook bij hen was het voetvolk de kern der slagorde. Het stelde zich in drie liniën, waarvan de beide eersten uit kleine afdeelingen van 120 man, waarschijnlijk op 6 gelederen (manipels) en de derde uit afdeelingen van 60 man bestond. De manipels van elke linie waren door intervallen van elkander gescheiden, die ten minste even groot waren als de frontbreedten, terwijl die der achterste liniën tegenover de intervallen der voorgaande stonden. Ligte infanterie met werpspiesen bewapend (veliten) was voor de slagorde verspreid om het gevecht in te leiden, trok gedurende het eigenlijke gevecht achter de linie infanterie terug en volbragt daarna de vervolging of de dekking van den terugtogt. De ruiterij werd niet zoo als bij de Grieksche phalanx geheel op beide vleugels van het voetvolk verdeeld, maar bleef gedeeltelijk daarachter in reserve, waartoe de ruimte tusschen de manipels voldoende was. Terwijl bij de Grieksche volken tot op den tijd der Diadochen de ruiterij steeds eene grootere rol kreeg, kan men van de Romeinen het omgekeerde zeggen; toen Marius (zie Infanterie) het voetvolk tot eene enkele, geheel gelijk gewapende massa vormde, hield het bestaan eener eigenlijke Romeinsche ruiterij geheel op; de ruiterij, die nu uitsluitend door de bondgenooten geleverd werd, werd als eene volstrekt niet noodige bijzaak aangezien; waar zij nog in den eigenlijken veldslag gebruikt werd, was zij op de beide vleugels der infanterie verdeeld. Het gronddenkbeeld der schaak-
bordvormige opstelling in den regel in drie liniën werd vastgehouden, maar in plaats der kleine manipels van 120 man, heeft men nu gewoonlijk de cohorten als taktische eenheden, die driemaal zoo sterk als de manipels zijn. Even als de Romeinen in hunnen hoogsten bloei, door de bewapening hunner infanterie met het pilum, minder van hare vermeteldheid eischten dan de Grieken, die haar met de piek bewapend hadden, zoo stelden ook genen door hunne slagorde niet even als deze alles in eens in de weegschaal; door hunne drie achter elkander geplaatste liniën verkregen zij reserven, die ter beschikking van den veldheer bleven; deze kon ze nu gebruiken zoowel om eenen mislukten aanval der eerste linie in dezelfde rigting te herhalen als om flankaanvallen des vijands af te weren. Terwijl de Grieksche slagorde in hare toepassing al spoedig tot de schuinsche slagorde leidde was de Romeinsche bijzonder geschikt om het vijandelijke centrum te doorbreken. Onder de latere Romeinsche keizers herhaalde zich hetzelfde feit, wat onder de opvolgers van Alexander had plaats gehad. In den loop van steeds voortgezette veroveringen en bij de gestadige uitbreiding van het grondgebied, verloren de Romeinsche legers hun nationaal karakter en werd de infanterie slechter. De kavallerie kreeg nu eene overwegende beteekenis, en het voetvolk even zwak in aantal als in gehalte nam de phalanx der Grieken weder aan, niet echter om met de piek te strijden maar met den boog, dien het van de Oosterlingen had overgenomen. Deze vechtwijze ontwikkelde zich weder in het Byzantijnsche rijk, in welke legers reeds ten tijde van Justinianus in niet alleen het voetvolk maar zelfs het grootste gedeelte der ruiterij met den boog gewapend is. Indien wij ons de slagorde der Byzantijnen onder Justinianus in groote trekken willen voor den geest halen, daar waar zij over voetvolk konden beschikken, dan komen wij ongeveer tot de volgende voorstelling: de infanterie in groote gesloten afdeelingen, phalanxen op 8 of meer gelederen geschaard; die afdeelingen vormden echter geene zamenhangende linie, maar waren door tusschenruimten van elkander gescheiden, achter deze tusschenruimten en op de flanken van de phalanx stond dan de kavallerie, het eenige wapen, waardoor men de beslissing verkrijgen kon, gereed om zich op het geschikte oogenblik in beweging te stellen. Wel is waar had de infanterie, behalve den boog ook nog pieken; maar deze werden alleen door de voorste gelederen gebruikt, ten einde daardoor eene dekking voor de boogschutters te verkrijgen. Zoo het slechts eenigzins mogelijk was stelde men de infanterie achter verschansingen op, die dan de gelederen piekeniers vervingen en waartusschen men openingen liet tot doorlating van de kavallerie.
In de avontuurlijke tijden der middeleeuwen kwam de infanterie spoedig geheel in verval; zij verloor alle waarde en hield zelfs geheel op te bestaan. Reeds in de legers van Belisarius vinden wij, dat zij nu eens geheel ontbreekt dan weder dat zij voor het gebruik op het slagveld, een nuttelooze en hinderlijke nasleep is. De slagorde heeft dan ook alleen betrekking op de ruiterij. Om dezelfde redenen, waarom de Diadochen hunne uit ruiterij zamengestelde vleugels in een stelsel van elkander wederkeerig ondersteunende afdeelingen ontwikkelden, deden de Byzantijnen het met hunne geheele slagorde, die geheel uit kavallerie bestond, terwijl de herinnering aan de Romeinsche manipelstelling daarbij ook niet zonder invloed bleef. Hun kavallerieleger werd in drie achter elkander staande liniën opgesteld, de zamenstelling der eerste linie, die uit de keur der ruiterij bestond, werd met bijzondere zorg aangegeven en deze linie werd in bijzondere afdeelingen gesplitst, die elk eene bijzondere taak hadden, en die hetzij voor den frontaanval, voor de reserven van den flankaanval of voor de dekking der flanken bestemd waren.
De hoofdtrekken van dit stelsel werden nu ook in de slagorde der westersche vol-
ken overgeplant. Onder den invloed van gemakkelijke veroveringen en het vormen van nieuwe staten, ontwikkelden zich met het leenstelsel ook het ridderwezen en daarmede de ruiterij, zoodat al spoedig het voetvolk een nuttelooze en hinderlijke ballast werd. De ruiterlegers van het westen, stelden zich in de 12de, 13de en een gedeelte van de 14de eeuw op drie liniën achter elkander, die batailles of slaghoopen genoemd werden en die achtervolgens met den vijand in gevecht kwamen, zij waren echter in hunne onderdeelen niet zoo kunstmatig als de liniën der Byzantijnsche ruiterij. Van deze drie liniën werd de eerste voorhoede (avant-garde), de tweede slaglinie (bataille) en de derde achterhoede (arrière-garde) genoemd.
De wedergeboorte eener nationale infanterie in Vlaanderen en in Zwitserland en omstandigheden, die de Engelsche ruiterlegers in het bijzonder in den loop der 14de eeuw noopten grootendeels te voet te strijden, bragten weder meer kunst en stelsel in de slagorde. De Engelschen hadden even als alle andere natiën, de hierboven vermelde indeeling in drie slaghoopen voorhoede, slaglinie en achterhoede; behalve deze die zij afgezeten lieten strijden, kwam nu nog een vierde, doordien zij een gedeelte van het leger, als eene soort van reserve opgezeten achterhielden. Zij stelden hunne drie hoopen ook niet achter elkander, maar twee daarvan naast elkander en door eene tusschenruimte gescheiden, de derde achterwaarts daarvan, zoodat zij vereenigd met de ruiterij, die opgezeten gebleven was, de eersten ter hulp kon komen, hetzij door den vijand in front aan te vallen, hetzij door hem gedurende zijnen aanval in de flank te grijpen. Tot hetzelfde stelsel geraakten de Zwitsers, die door den aard van hun land, in hunne eerste bevrijdingsoorlogen tegen de ridderschap slechts over voetvolk konden beschikken: vooral in de oorlogen in Appenzell kan men dit duidelijk bespeuren; zij stelden een hunner hoopen achter eene versterking en schoven de twee anderen vooruit naar de zijde van waar de vijands moest komen.
Toen bij de opkomst der nieuwere monarchie, dat is met het verval van het leenwezen, vooral door de overwinningen der Zwitsersche infanterie en haar optreden op het wereldtooneel sedert de oorlogen tegen Karel den Stouten, het voetvolk zich tot eene nieuwe en sedert de Oudheid, naauwelijks mogelijk geachte hoogte verhief, terwijl de ruiterij veel van haar gewigt verloor, ontstond de normaalslagorde, die wij de slagorde der 16de eeuw kunnen noemen. Ook nu is het leger in drie hoopen voorhoede, slaglinie en achterhoede verdeeld; maar elk dezer hoopen bestaat uit één groot bataillon infanterie en eene betrekkelijk zwakke afdeeling kavallerie. Buitendien is er artillerie bij. Op den marsch buiten bereik van den vijand, volgden de drie hoopen elkander werkelijk, elk voor zich betrok ook wel bij groote legers zijn kwartier of legerplaats. Voor het gevecht daarentegen ontwikkelden zich in dien tijd de drie slaghoopen naast elkander op ééne linie en wel zoodanig, dat de voorhoede den regtervleugel, de slaglinie het centrum en de achterhoede den linkervleugel innam; de drie bataillons infanterie waren door tusschenruimten van elkander gescheiden, die meer of minder groot waren, naarmate men eene meer of minder talrijke kavallerie bezat. De kavallerie, die bij elken hoop behoorde, werd hetzij in een enkel eskadron op een der beide flanken van het overeenkomstige infanterie-bataillon opgesteld of wel in twee eskadrons op de beide flanken van het bataillon verdeeld; zij stond dan in het algemeen in de intervallen tusschen de bataillons en op de uiterste flanken der slagorde. De artillerie werd hetzij stuksgewijze voor het front verdeeld of hetgeen sedert het midden der 16de eeuw gebruikeli