Spiegel der vaderlandsche kooplieden (ed. C.H.Ph. Meijer)


auteur: Pieter Langendijk


editeur: C.H.Ph. Meijer


bron: Pieter Langendijk, Spiegel der vaderlandsche kooplieden (ed. C.H.Ph. Meijer). W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1929 (zesde druk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. III]

Levensschets van den dichter.

Pieter Langendyk werd den 25sten Juli 1683 te Haarlem geboren. Zijne ouders waren ‘Arent Pietersz van Langendyck en Anneke Luyckes Nieuwenhuysen van Bochstt (Boxtel?)’. Arents vader, Pieter Kort, was uit Outcarspel, een der vier dorpen, die te zamen ‘de Langendijk’ heeten, naar Haarlem gekomen. Pieter Kort en zijn zoon Arent waren beiden metselaar van beroep. De laatste leefde onbekrompen; althans hij bouwde voor zich een huis in de Gierstraat (waarschijnlijk no. 5), waar de dichter geboren werd, en bezat nog meer panden.

Toen Pieter Langendyk zes jaar oud was, stierf zijn vader; zijne moeder zette de zaken voort met behulp van een meesterknecht. De nu volgende jaren zijn waarschijnlijk in onbezorgdheid voor den knaap voorbijgegaan; in twee gedichten, later aan vrienden uit zijne jeugd gericht, herinnert hij dezen aan de gezamenlijke wandelingen en uitstapjes (I. 96 en 171); met een van hen, F. v. Steenwyk, teekende hij de kasteelen en de mooiste plekjes van Haarlem.

Intusschen ging de metselaarszaak te niet, en begon zijne moeder, geholpen door goede vrienden, een linnenwinkel, terwijl Pieter, nu omstreeks tien jaar oud, in Amsterdam bij Willem Sewel, waarschijnlijk door zijne vrouw, familie van de Langendyks, in huis bezorgd werd. Deze op velerlei gebied ervaren man, in zijn tijd bekend door het uitgeven van verschillende geleerde werken, onderwees hem in de beginselen van het Latijn, en waarschijnlijk ook in die der dichtkunst.

De linnenwinkel te Haarlem ging evenwel niet goed; Juffrouw Langendyk was wat kwistig, en scheen geen overleg te bezitten. Alles moest verkocht worden; zij nam haren zoon tot zich, en vertrok naar den Haag, waar een klein winkeltje hen ternauwernood in 't leven hield (± 1695). Door nood gedron-

[p. IV]

gen vatte Pieter ten laatste het wevershandwerk op, en vervaardigde naar eigengeteekende patronen ‘gaarendamast en servet-goed’, 't welk hij in Amsterdam ging verkoopen.

Was hij in den Haag, waarschijnlijk door zijn teekenen, in kennis gekomen met kunstenaars, o.a. H. Pola, dáár kwam hij in aanraking met groote wevers. Een van deze, de Heer Prado, nam hem in dienst als meesterknecht over een weefzolder (± 1702). Daarna kwam hij als kantoorbediende bij Jan Brand, voor wien hij ook patronen teekende voor zijden stoffen. Hierin slaagde hij zóó goed, dat de Heeren Verhamme, die zoowel te Haarlem als te Amsterdam eene fabriek schijnen gehad te hebben, hem als vasten patroonteekenaar aannamen. Toen zijne verbintenis met dezen ten einde liep, ging hij zich zelfstandig als zoodanig vestigen, en werkte nu voor verschillende wevers.

Toen hij in Amsterdam zich een werkkring verschaft had en wat om zich heen kon zien, begon met volle kracht zijne liefde tot de dichtkunst zich te doen gelden, daar hij in aanraking kwam met verschillende van de vele groote en kleine dichters van dien tijd. Reeds in den Haag schijnt hij zijn eerste tooneelwerk, den Den Quichot op den bruiloft van Kamacho geschreven te hebben, doch eerst nu kon hij zich vrij aan zijne neiging overgeven.

In Amsterdam maakte hij eerst kennis met den wever-dichter Jan van Gysen, bij wiens vrij erbarmelijke gedichten hij zeer leelijke prentjes1), en enkele lofdichten maakte (1707, 1708 en 1711). Doch betere kunstvrienden vond hij in H. v. de Gaete (ook uitgever en boekverkooper), J. v. Hoogstraten, H. Angelkot, den als teekenaar bekenden Jan Wandelaar, de beide Bidloo's, L. Smids en vele anderen. Door dien omgang slaagde hij er waarschijnlijk in, zijn D. Quichot op den schouwburg te zien opvoeren (1711).

In 1712 verschenen van hem: De Zwetser en 't Wederzyds Huwelyks bedrog; in 1715 Krelis Louwen of Alexander op het Poeëtenmaal, de Wiskunstenaars of 't gevluchte Juffertje, de travesti Eneas in zijn Zondagspak, en, buiten zijn weten, de

[p. V]

dialoog: Boertige Beschrijving van den Amsterdamschen Schouwburg. Ook hielp hij in dat jaar zijn vriend Angelkot in in het berijmen van Addison's Cato.

In 1720 vervaardigde hij de Quincampoix of de Windhandelaars en bewerkte hij den Arlequyn Actionist naar een Fransch stuk. In dit jaar waagde hij zich ook aan den Caton d'Utique van Des Champs, dien hij als Julius Cezar en Cato in 't licht gaf.

In 1721 kwamen zijne Gedichten uit in twee 4o deelen, met portret. Hieruit blijkt, dat hij niet alleen de tooneelpoëzie beoefende, maar zich ook bewoog op 't gebied van 't herders-, hekel-, punt- en gelegenheidsdicht.

Tot nog toe had hij nu eens binnen, dan buiten Amsterdam gewoond; daar evenwel de meeste wevers, voor wie hij werkte, in Haarlem woonden, vestigde hij zich in de nabijheid van die stad (1722). Reeds het vorige jaar was hij Factor geworden van de Rederijkerskamer ‘Trou moet Blijcken’ te Haarlem, 't geen hem verplichtte, geregeld een jaarzang te vervaardigen.

Door het weinige overleg van zijne moeder kon hij zich geen eigenlijk kapitaal vergaderen, hoewel hij veel te doen had; alleen prenten en boeken verzamelde hij, en vond hierin troost voor het onaangename humeur van zijn moeder, dat hem ook dikwijls de deur uitdreef naar een van zijne vele vrienden.

Intusschen schijnt hij onbekrompen te hebben kunnen leven, ja zelfs een soort eigen optrekje te hebben bewoond, dat hij echter in 1728 verliet.

In 1724 kreeg hij hinder aan de oogen, en uit vrees, het teekenen niet meer te zullen kunnen volhouden, vatte hij het weven weder op, en voegde er zelfs de garenspinnerij aan toe. Gelukkig echter genas hij. Of en hoe lang hij de weverij en spinnerij heeft voortgezet, is niet bekend.

In 1727 stierf zijn moeder, en nu trad hij in het huwelijk met een meisje, dat hij reeds lang lief had gehad, nml. Joannetta Sennepart. Had hij tallooze malen de bruiloftslier voor anderen getokkeld, nu kon hij aanheffen voor zijn eigen bruid (III. 248). ‘Dan hy was ook met haar niet gelukkig, want behalven dat zy vry kwistig viel deelde haar inborst in de ongesteldheid van haar lichaam, totdat zij door veelerleie

[p. VI]

kwaalen gesleeten, na verscheiden jaaren sukkelens den geest gaf’ (1739)1).

't Zij tengevolge van zijne huiselijke omstandigheden, waarin hij zich met voorbeeldig geduld gedroeg, 't zij tengevolge van zijne wel wat zorgelooze natuur, nam Langendyk niet met den noodigen ijver zijne zaken waar; ten minste hij schijnt aan lager lij geraakt te zijn. In 1747 werd zijne verzameling van boeken en prenten verkocht, hoewel eerst na zijn dood het optrekje, dat hij in 1728 verlaten had, te koop kwam.

Waarschijnlijk zullen de omstandigheden hem den rechten lust tot het vervaardigen van tooneelspelen hebben benomen. Sedert 1720 vinden wij van dien aard niets dan eene berijming van een stuk van Legrand: De bedriegery van Cartouche (1732). Wel verscheen in 1745 een geschiedwerk op rijm, De Graaven; dit was eene verzameling nieuwjaarsgedichten, door hem van 1724 tot 1744 telkens op 1 Januari in de Kamer ‘Trou moet Blycken’ voorgelezen. Ook bij bruiloften, bij nationale feesten (b.v. den vrede van Aken) enz., deed hij zich hooren.

In 1749 benoemden de Burgemeesters van Haarlem, die wisten, dat Langendyk zich veel bezig hield met de geschiedenis van zijne geboortestad, en ook wisten, dat hij in vrij bekrompen omstandigheden leefde, hem tot Stads-Historie-schrijver, en verschaften hem als zoodanig onderhoud in het Proveniershuis in de Groote Houtstraat. Zijne beschrijving van Haarlem heeft hij niet geheel kunnen voltooien, hoewel het niet veel scheelde; uitgekomen is ze niet.

Intusschen hield Langendyk zich ook met de poezie bezig. In 1751 verzamelde hij zijne later gemaakte gedichten tot een derde deel, weder met een portret voorzien. In dit deel ziet men, dat de staatsgezinde dichter door de omstandigheden geheel van inzicht veranderd was, en met vreugde Willem IV begroette.

Ook de liefde voor het tooneel ontwaakte weder; hij begon enkele stukken, die hij vroeger had laten liggen, te voltooien; de Xantippe en den Papirius of het oproer der Vrouwen binnen Rome.

In 1756 op den 9den Juli stierf de grijze dichter, na langen tijd gesukkeld te hebben. Op zijn ziekbed liet hij zich doopen;

[p. VII]

hij was Mennist, en had uit onverschilligheid voor ceremoniën ook die van den doop verzuimd.

Na zijn dood vond men den onvoltooiden Spiegel der Vaderlandsche Kooplieden. Door zijn vriend, den uitgever J. Bosch, werd dit stuk aan twee Amsterdamsche dichters in handen gesteld, om het te voltooien en na te zien, en daarna met de beide andere stukken uit zijn laatsten tijd benevens enkele nog ongedrukte verzen als vierde deel van zijn Gedichten uitgegeven1).