|
|
|
| |
| | | | | |
| |
Het wederzyds huwelyks bedrog
Blyspél
Eerste bedryf
Eerste tooneel
Lodewyk, Jan
Myn heer, hoe langen tyd zal nog dit wand'len duuren?
Ik bid verander: want die malle vieze kuuren 2
Zyn nergens nut toe, en je maakt my schier ontzind. 3
'k Zal zoeken, Jan, zo lang tot ik haar wooning vind.
Jan, durf ik 't u wel vertrouwen?
Ik ben een kaerel die een ding kan by my hoûwen,
En zwygen als een mof, daar kan je vast op gaan. 7
Zeg vry wien dat je zoekt.
Ach! Jan! de Malibaan....
De Malibaan? hei hei! myn heer, wat moogje praaten!
10
Zoek jy de Malibaan? en hebben we al de straaten
Van Uitrecht daarom zo doorkruist? zoek dan niet meer.
Is jou geboorte plaats dan zo veranderd, heer?
Dat jy de Malibaan, en je eigen huis moet zoeken?
Ja wel, ik zou schier vloeken. 14
15
Ach Jan de Malibaan! het lykt wel schier een klucht.
Ik heb dat Malibaan, gevolgd van zucht op zucht,
Den ganschen dag gehoord. Wat hebben wy geloopen,
Als of wy beenen om een daalder konden koopen. 18
Ik had gedocht dat hier wat wonders zou geschiên;
20
En nu is 't anders niet als na de wolken zien,
En och! de Malibaan! Het hapert je in de zinnen.
Daar zag ik 't voorwerp dat ik eeuwig zal beminnen.
| | | |
Nu vat ik eerst de kneep. Je zyt misschien verliefd?
'k Heb daar niet tegen, maak vry dat je wordt geriefd. 24
25
Kom, 'k zal je gaeren na de Malibaan verzellen;
Je kunt my dan de zaak terwyl in 't breed vertellen.
Jan, gy verstaat my niet. Ik heb daar niet te doen. 27
Ja wel, 'k verlang al wat myn heer hier uit zal broên:
Jan, hou op de gek te scheeren.
30
Ik zal 't u zeggen. Al dat wand'len, gaan en keeren
Is om de woonplaats van een dame te verstaan, 31
Die 'k gist'ren middag in de Malibaan zag gaan,
Alwaar ze in 't lieflyk groen zig zelven wat vermaakte,
En naa een korten tyd in haar karos geraekte,
35
My laatende als verrukt door 't aangenaam gezigt
Zo myn heer, nu heb je my verlicht. 36
Had ik 'er by geweest 'k had my terstond gestoken
In haar gesprek, en naar de Fransche wys gesproken,
Gelyk de jonkertjes: je suis vôt serviteur,
40
Ma belle dame, aanschouw alhier un grand seinjeur,
Die u pour pas la temps wat zoekt te konvojeeren 41
In uw karos, om daar zyn hart te reklameeren,
Dat gy hem hebt ontroofd.
Was ik in jou plaats ik had in de koets getreeên.
45
Nou is die schoone dame uit jou gezicht gestreeken.
Het zy zo 't wil, ik zal en moet haar zien en spreeken.
Wat zou 't je helpen, heer? je beurs is plat en schraal;
't Geld dat wy wonnen met de kaart is altemaal
Ach! 't valt my hard te hooren! 48-49
| | | |
50
Ik barst van spyt! dat ik zo edel, welgebooren, 50
Geen staat kan voeren als een edelman betaamd.
'k Ben nu in Uitrecht, myn geboortestad, beschaamd
Om dat ik and'ren zie in hunne koetzen ryên.
Gediend! ha spyt! ik mocht de braafste dame vryën, 54
55
Ten opsicht van myn rang. 55
Ik ook: maar Jan Contant....
Ha spyt! ik voer geen staat!
't Gaat buiten myn verstand.
Voer jy geen staat? 'k zeg, met verlof, dat dat onwaar is;
Hoe, hou je geen lakkei? geen pagie, sekretaris,
Geen kok noch kamerling? en ook geen trezorier? 59
Want al die ampten zyn in myn persoon te vinden.
Maak van me wat je wilt, ik zal 't my onderwinden. 62
'k Weet dat gy assurant, vol leugens, fieltery, 63
65
Hoe zou ik, eerlyk borst, aârs door de waereld raaken?
Ja, door een touw, Jan, aan een dwarsbalk op twee staaken.
Myn heer, ik bid je dat wy hier toch met malkaar
Geen questie maaken; ei, laat deze zaaken daar,
Waar zou 't toe dienen als om alles om te stooten?
70
Zyn wy van 't zelfde sop niet beiden overgoten?
Wy zyn hovaerdig, en daar by geen kleintje kaal:
Maar eerlyk in ons hart. Hoe zouden 't altemaal
Juist schelmen zyn die met een abelheid in 't speelen 73
Hun voordeel zochten? neen.
Maar, scheelt het veel van steelen
75
Wanneer men iemant, op een valsche wys, het geld
Elk moet zien hoe dat hy 't stelt;
| | | |
Die speelen wil, moet zich daar weeten voor te wachten;
Het laatste is 't beste, zou ik achten.
Maar zeg eens. Jan, hoe staan wy nu met onze kas?
80
Je meent de beurs, niet waar? die gistren zieklyk was,
En schier op 't sterven lag? wel, die begint te zwellen.
Laat zien hoe veel? hoe veel? koom, 'k zal het geld eens tellen.
Dat is niet noodig hier op straat; gy kunt het strak
Ik hou 't dan in myn zak.
85
Wy hebben nog aan goud schier vijftienhonderd gulden,
Wel neen, myn heer: 'k heb schulden
Daar onze koffer staat. Had ik geen geld beschaard, 88
Die schoft zou al ons goed fraai hebben doen verkoopen,
Had gy dat goed maar laaten loopen,
Het was zo veel niet waard als onze schuld bedroeg:
De koffer, Jan, was leeg.
Ja leeg, die koffer woeg 92
Zo zwaar als lood, daar was wat in, myn heer, zou 'k meenen.
Ja oude kleêren, en geen kleintje keizelsteenen
95
De droes dat spyt me, foei! had onze waard, die schoft, 95
Die lompe rekel, nu de koffer maar verkoft.
Maar 'k bid je zeg me toch, myn heer, wat is de reden
Dat jy die koffer houdt? en mê voert door de steden,
Met zo veel kosten; want je hebt ze van Parys
100
Tot Uitrecht toe gebracht.
In schelmeryen, en moet ik u dat nog zeggen?
Wanneer een vreemd'ling in een Herberg t'huis wil leggen, 102
Is 't nodig dat hy wel voorzien is van krediet
Want 't eerste daar monsieur de hospes strak na ziet 104
105
Is de equipagie, en bagagie, en de kleêren; 105
Het spreekwoord zegt: men kent den vogel aan zyn vêren.
Ik heb het al verstaan, myn heer, en ik beken,
| | | |
Dat ik, als and'ren, door dien trek bedrogen ben. 108
Maar a propô, je hebt gezeid dat je al je vrinden 109
o Ja: maar 'k kan niemant vinden.
'k Heb nog een moeder en een zuster, waar zy zyn
Is me onbekend. Om haar is 't dat ik hier verschyn.
Myn zoeken is vergeefs, helaas! zy zyn vertrokken.
Ik heb het wel gedocht, myn heer, met Faroos bokken, 114
115
Niet waar? ik heb het te Parys u al gespeld. 115
Ach Jan gy weet niet hoe myn hart nu is bekneld
Maar gistren schoot my iets, van groot belang, te binnen;
Dat kan ik door dit geld nu met fatzoen beginnen.
Ik meen my als een heer van staat
120
En groot vermogen te vertoonen.
En huuren knechten, en een koets om in te ryên.
Ik vat het, om aldus dat dametje te vryën,
Daar jy verliefd op zyt; dat jou zo heeft bekoord.
En alles met het geld daar my de helft van hoort.
125
Maar wat zal ik dan doen?
Ik meen voor graaf te speelen,
Gy zult baron zyn, en wy zullen alles deelen,
Zo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,
En and're kneepen. Maar, wy moeten van den waard
Daar wy lozjeeren, nu vertrekken na een ander.
130
Dan is het nodig dat ik ook myn kleed verander.
Gy kunt maar aanstonds na een kleerverkooper gaan,
En loopen dan met een by onzen hospes aan,
Om de bagagie. Ik zal u terwyl hier wagten
In deze herberg: die is beter, zou ik achten.
135
Dat denk ik ook dat die veel beter weezen zal.
Wat hangt 'er uit? laet zien, de Goude muizeval.
Maar a propô, myn heer, wy dienen ook lakkeiën
| | | |
Te hebben. Wil ik ook die kaerels met me leiën,
Die 'k dezen morgen vroeg, in onze Herberg sprak?
Lod. geeft Jan een sleutel.
140
Ja, geef hen uit de kist elk een Lakkeië pak.
| |
Tweede tooneel
Lodewyk, alleen
Wat moet een edelman al door den nood verdraagen!
Het spyt me dat ik my van dien lakkei laat plaagen, 142
En niet durf spreeken, om dat hy geheimen weet
Die niemant weeten mag. 'k Heb menigmaal gereed,
145
En op het punt geweest, den rekel te kasseeren, 145
En hoe het gaan zal, zal de tyd my verder leeren;
'k Moet zwygen; want hy kan my dienen in dit stuk.
't Zyn ongelukkigen, die 't reek'nen voor geluk
Van edel bloed te zyn, ontbloot van geld en schatten;
150
Maar niemand kan het wel, dan die 't bevind, bevatten. 150
Ik zal 't geluk nog eens beproeven, met dit geld,
En zo het op raakt, zoek ik myn geluk te veld.
Lodewyk gaat na de herberg en roept:
| |
Derde tooneel
Lodewyk, Waard
Wat is myn heers believen?
Ik kan je hier gerieven: 154
155
'k Akkommedeer de lui hier ieder naar zyn lyf.
'k Ben tot je dienst, myn heer, en zo is ook myn wyf.
Zeer wel, gy moet terstond de plaatzen dan bereiên
Voor eenen graaf, baron, en twee of drie lakkeien.
Myn heer 'k bedien de lui voor een civiele prys.
160
Ik weet wel, hospes, dat is te Uitrecht zo de wys.
| | | | | |
| |
Vierde tooneel
Lodewyk, Waard, Charlotte, Klaar
Lodewyk spreekt stil met den Waard, terwyl Charlotte en Klaar voor de deur komen.
Haal, als ik heb belast, een haas, met drie kalkoenen,
En (zo ze vet zyn) breng dan ook een paar kapoenen.
Jy meent een koevoet, en drie ming'len karrepap, 163
En loop met een dan met een snap 164
165
By onzen slaager, om een harst. 165
Dat 's nuchter kalfsvleisch.
Laat die groote pot ook vullen
Met versche augurken, by Pierre Karmolyn.
'k Zal terstond hier weder zyn.
't Is wel Juffrouw, maar 'k dien myn kap dan eerst te zetten.
170
'k Moet by den juwelier eens zien of de orlietten 170
| |
Vyfde tooneel
Lodewyk, de Waard, Klaar
‘Ja wel, dat is wat raars, 171
‘Jou orlietten! zie, hoe draait ze met haar naars. 172
‘Die arme sloof is met den adel zo bezeten,
‘Dat zy haar armoê schier uit grootsheid zou vergeeten.
175
‘Zy praat van harsten, en kalkoenen, maar ik zweer,
‘Dat zy 't alleen maar doet om dat die gintsche heer
| | | |
‘Het hooren zou. Zy spant hem zeker minnestrikken;
‘Indien 't zo is, zal ik haar trouw zyn, niet verklikken.
Doe als ik heb gezegt, en maak drie kaamers klaar,
180
Een voor de knechts, en twee voor ons, maar naast malkaâr.
'k Zal zyn genade, naar zyn staat, akkomodeeren:
Wy zyn wel meer gewend hier graaven te lozjeeren.
| |
Zesde tooneel
Lodewyk, Klaar
Gy neemt niet qualyk dat ik u iets prezenteer?
Wat zal my hier ontmoeten? 185
Nu, neem het, zoete kind.
Myn heer ik wil je groeten.
Myn heer, myn heer, ik ben beschaamd.
Zeg, zoete meisje, hoe die juffer is genaamd
Die flus hier was? my dunkt ik heb nog van myn dagen 189
190
Geen schooner beeld gezien.
Zy schynt je te behaagen?
Het is geen wonder: ze is het puikje van de stad.
En haar vrouwmoeder heeft een heele groote schat. 192
Aan elken vinger kan zy wel een vryer krygen.
Ze is hoog van adel. Maar, myn heer, laat ik maar zwygen:
195
Ze is hier genoeg bekend. Vraag maar aan iedereen.
Haar kapitaal is groot, ‘maar wat bezwaard met schulden.
Het rukt myn juffrouw aan geen honderd duizend gulden: 198
Ze zeggen dat' er schier geen end is aan haar goed,
En ze is, gelyk ik zeg, van heel oud aad'lyk bloed.
| | | |
En tegen jou gezeit, ze zou heel gaeren trouwen,
Ik kan 't wel merken. Maar laat ik myn mond maar houwen.
Gy zegt my veel, maar 'k heb haar naam nog niet gehoord.
205
Gy vraagt zo naauw, myn heer, wat wilt gy tog beginnen? 205
Uw juffer, tot het end myns leevens, trouw beminnen.
Hebt gy haar meer gezien?
En stond gereed om haar myn' diensten aan te bieden;
210
Maar zy ontweek my in haar koets, en scheen te vlieden
Voor myn gezicht, ja reed te viervoets in de stad; 211
Zo dat ik gants geen tyd om haar te volgen had.
Dat kan wel weezen: want ze is gist'ren uitgereden
Met haar vrouwmoeder, om zich zelfs wat te vertreeden.
215
De Malibaan geeft groot vermaak aan die hier woont.
Ik bid u, meisje, dat gy my een gunst betoont.
Dat gy my, als zy t'huis is, eens koomt spreeken.
Spreek jy myn juffrouw zelf: ik durf me 'er niet in steeken.
Lodewyk, Klaar geld geevende.
220
Koop daar wat moois voor. Nu, wy zullen haast malkaâr
Wat beter kennen. Hoor, indien gy weet te maaken,
Dat ik haar spreek, zult ge in het kort aan iets geraaken
Dat is onnodig geld verspild.
Myn heer! myn heer! je zyt te mild.
Wel, ik beloofje, als meid met eeren,
Dat 'k alles doen zal wat gy van my zult begeeren.
Ik zal haar zeggen, dat myn heer haar vierig mint,
En jou dan alles weer vertellen, zo ik 't vind. 228
Maar, 'k hoor daar juffrouws stem.
| | | | | |
| |
Zevende tooneel
Lodewyk, Klaar, Charlotte
Och dieven! dieven! guiten!
230
Och! och! myn paerelsnoer! och buuren kom eens buiten!
Och! die is gestoolen van myn hals!
De schelmen zyn, hun best, dat straatje door geloopen! 233
| |
Achtste tooneel
Lodewyk, Klaar, Charlotte, de Waard met een bezem, de knecht van den Waard met een stok.
He! houd den dief! hy zal het met den hals bekoopen! 234
Alon, dat gaat je voor. 235
He! houd den dief! he! houd den dief! dat straatje door.
| |
Negende tooneel
Charlotte, Lodewyk, Klaar
Zy loopen daar verkeerd, 'k heb in die straat geweezen.
Ik slaa die straat dan in, Mejuffer, wil niet vreezen:
'k Hoop dat ik hen door vlyt wel achterhaalen zal.
240
‘o Hemel dit 's voor my een zonderling geval!
Hoe waaren ze gekleed, Mejuffer?
Zy waaren! beide in 't blaauw! och ik kan niet bedaaren!
Geef aan mejuffer gaauw te drinken, meisje, ik gaa,
En zet de schelmen met gezwindheid achter na,
245
En breng u voort bescheid.
| | | | | |
| | Tiende tooneel
Charlotte, Klaar
Charlotte, lachende
Nu lachen? en flus schreien? 245
Klaar, wy moeten hier verbeiên,
En niet in huis gaan, voor dat wy hem weder zien.
Ho, dan is 't een list misschien?
Voor zeeker; 'k hoop dien heer in 't minnenet te trekken,
250
En met een schyn van staat tot liefde te verwekken; 250
Dat was de reden dat ik van kapoenen sprak.
Ik heb daar ginder in een hoek gestaan, en strak
Heel klaar gezien dat hy met u iets heeft gesproken,
En tweemaal uit zyn beurs geld in de hand gestoken.
255
Toen dacht my was het tyd om met hem in gesprek
Te raaken, door een list; ik wist geen beter trek 256
Dan dezen; want hem zelfs aanspreeken zou niet voegen.
Wat sprak hy met u Klaar?
Hy gaf me, eer hy begon te spreeken, een dukaat; 259
260
Toen vroeg hy na je naam, geslacht en stam, en staat;
Die heb ik hem gezeid; maar 'k heb, en 't had ook reden,
Van al uw geld en goed zodanig op gesneeden
Dat hy versteld stond, en dat kost hem een pistool, 263
Maar 'k moest daar wat voor doen.
265
o Hemel! 'k hoop niet dat ge onze armoede openbaarde?
Het eerste dat ik in oprechtigheid verklaarde,
Was, dat men in je huis gort uit het water at.
Het tweede, dat 'k nooit huur en heb gehad.
Het derde, dat 't zo slecht hier is geschapen,
270
Dat Juffrouw en Mevrouw en meid op één bed slaapen,
Dat jou juweelen valsch, je kleêren onbetaald,
En alle zo ik denk zyn op krediet gehaald.
| | | |
o Valsche pry! 'k zal u verscheuren met myn tanden! 273
Zacht juffrouw, wordt niet boos, wel foei! wel foei! 't is schanden:
275
Jy zyt 't alleen niet. Hoor, heb jy geen geld noch goed,
Je kent wel leeven van jou oud en aad'lyk bloed.
Myn adel, myn fatzoen, aldus te schand'lizeeren!
Gy my verwyten dat we in huis wat deklineeren? 278
Ik zal gevoelig zyn van zulken groot affront. 279
280
Ik zal Mevrouw die zaak....
Hoor! hoor! 't is maar een vond
Die ik bedacht heb, om je wat te doen ontstellen:
Ik zag wel datje flus maar veinsde, en u moest quellen
Om recht verschrikt te zyn, 't geen nu natuurlyk is.
Als hy nu weder koomt, dat haast zal zyn, na 'k gis,
285
Ken jy je rol wat net, en ongeveinsder speelen.
En hy niet merken dat je zoekt zyn hart te steelen.
Gy spot met my, o feeks! en hebt my zo ontsteld.
Zyt maar gerust, juffrouw: ik heb hem niets gemeld
Als 't geen je dienstig is om hem in 't net te brengen.
290
Wat voordeel zou 't my zyn?
De tyd kan niet gehengen 290
Hier lang te praaten. Zeg wat hy aan u verzocht.
Ik heb door leugens hem heel fraai in 't net gebrocht.
Hy denkt niet anders als om jou getrouw te minnen;
Je zyt van nu af aan meestresse van zyn zinnen.
295
Maar Klaartje mag ik my verlaaten op uw trouw?
Daar 's niets dat ik niet voor u over heb, juffrouw.
Je kend my immers: wat behoefje dat te vraagen?
'k Verzoek dan vrindlyk, of gy my voor drie vier dagen
Dat geld wilt leenen, dat die heer u heeft vereerd. 299
300
Ei juffrouw, 'k bid! myn staat is ook gedeklineerd:
| | | |
Want eer ik by je quam had ik nog honderd gulden,
Die ik je leenen moest, om daar je kleinste schulden,
Die 't meest schreeuwden mê te stoppen, en dit geld
Is al myn rykdom. Ei zie liever hoe je 't steld.
't Is niet de pyne waard, mamaatje 305
Wel, ik zeg, het is een quaadje 306
Den kaalen adel te bedienen.
Ja juffrouw, 'k magje niet verlegen laaten, daar.
Je kunt het my, als je getrouwd zyt, weêr betaalen.
310
Ja, ja, gy weet wel waar gy 't wederom zult haalen.
Ik heb juist geen klein geld, en wil niet wiss'len, kind.
Ik weet warentig niet, mejuffrouw, hoe je 't vindt.
Is goud klein geld? en wil je groots zyn, by die weeten,
Dat je uit gebrek van geld in lang niet hebt gegeeten,
315
Als potje beuling, en ...315
Zwyg. Wie heeft ooit gehoord,
Dat gy zo stout... maar...
| |
Elfde tooneel
Charlotte, Klaar, Bode
Woont mevrouw van Adelpoort
Dit geld moet hier dan weezen.
Laat het opschrift my eens leezen.
Gy zyt te recht, myn vrind. Blyf hier een weinig staan.
320
Klaar, haal mevrouw. Maar 'k zie zy komt daar zelfs al aan.
| |
Twaalfde tooneel
Charlotte, Klaar, Bode, Konstance
Daar is een zak met geld.
‘Voor ons, myn kind? wy droomen.
‘Van waar zou dat geluk zo schielyk by ons koomen?
Laat my den brief eens zien. Ja. Hoe veel is de vracht?
| | | |
325
Dat ik het open doe. Maar 'k zie 'k hoef niets te geeven:
't Is immers gefrankeert, zie daar, 't staat daar geschreeven.
Waar staat het? ja ik zie 't, ik heb het niet belet! 327
Maar 't is er ook te flaauw en duister opgezet. 328
'k Verzoek exkuus, en moet dan niet als voor 't bestellen, 329
Kind, wilt gy ze hem maar tellen?
Ik heb juist geen klein geld. Hebt gy het Klaar, zo geef.
'k Heb ook juist geen klein geld, zo waar niet als ik leef.
'k Heb wel dukaaten en pistoolen.
Ja 'k vind nog geld, Juffrouw, het zat juist in de hoeken
335
Geschoten van myn zak. Daar vriend daar is je geld.
| |
Dartiende tooneel
Charlotte, Klaar, Konstance
Konst. den brief geopend hebbende.
Die brief komt van myn zoon, Charlotte, ik ben ontsteld.
Van broeder? ach Mevrouw! is hy nog in het leeven!
Hy heeft hem zelfs geschreeven 338
Uit Brussel: ach! myn kind, wat is myn hart verheugd!
340
Hy zal ons aad'lyk huis herstellen door zyn deugd.
Vrouw moeder, en maseur, 'k neem de eer van u te groeten,341
En uwe droefheid met dit gifje te verzoeten.
't Fortuin heeft t'zederd ik van u gescheiden ben
My iets gediend; 'k toon dan dat ik myn plicht erken,
345
Voor 't goed, dat ik van u, en by u, heb genoten.
'k Zend duizend guldens, en ik hoop het te vergrooten,
In 't kort, zo 't mooglyk is. 'k Ben kapitein te voet
| | | |
Geworden, en ik heb gelegenheid en moed
Om tot een hooger trap en meer fortuin te raaken.
350
'k Kan ook niet laaten, om aan u bekend te maaken,
Dat ik getrouwd ben, met een juffer welker stam
In Uitrecht, zo als onze, een' aad'lyk oorsprongk nam.
'k Berei my tot de reis, die morgen zal geschieden
Om u myn gemalin, Sofia, aan te bieden. 354
355
'k Breek af, door haast. Vaar wel.
Hy schryft haar stamnaam niet, veel min rept hy een woord
Van haar geslacht, dat 's raar, dat doet my zeer verlangen.
Na 'k aan den datum zie, zal ik hen haast ontfangen.
Charlotte, ik zal dit geld terstond in onze kist
360
Weg sluiten: want indien een krediteur dit wist,
Men quam ons op den hals. En Klaar maak gy te zwygen. 361
Neen, neen, daar zal door my geen mensch de lucht van krygen.
| |
Veertiende tooneel
Charlotte, Klaar
Ik wenschte, Klaar, dat nu die Heer hier weder was.
365
Ik maakte al zwaarigheid: want zulke groote Heeren,
Gelyk je weet, moet m' in het vryën braaf trakteeren. 366
Zwyg stil, daar koomt hy weer, en schynt niet wel te vreên.
| |
Vyftiende tooneel
Charlotte, Klaar, Lodewyk
Zyn ze achterhaald myn Heer?
't Moeit my mejuffer, neen. 368
'k Heb alles aangewend; maar ach! het is verlooren;
370
Zy zyn te ver voor uit, en niet wel op te spooren.
De beste raad is dat men overal berigt
| | | |
By juweliers laat doen, de dieven zullen licht
De snoer ten eersten aan den een of d'aâr verkoopen. 373
En ik zal met 'er haast eens na de Lommerd loopen,
Zwyg stil. Myn Heer, 't is maar een bagatel,
Niet waardig dat ik my om zulken zaak onstel.
De schrik was 't allermeest. Ik zal wel order geeven
Aan iemand van myn volk. 378
't Dient in de k'rant geschreeven.
Ik ben myn Heer, voor zo veel moeite, geobligeert.
380
Neen schoone Juffer, 'k hou my daardoor zo geëerd,
Dat uw beveelen my voor wetten zullen strekken.
Uwe oogen, die myn hart tot zuiv're liefde wekken,
Door hunne aanlokkigheid, zyn van zo'n grote kragt,
Dat ik moet buigen voor de min, en haare magt.
385
'k Wil liever duizendmaal voor u, o schoone! sterven,
Als 't zoet genoegen, van me uw slaef te noemen, derven.
Myn Heer, de vleijery is nu zo algemeen,
Dat 't dwaasheid weezen zoude, op uw beleefde reên,
My zelf te vleijen met die ydele gedachten,
390
Dat ik iets schoons bezit: maar 'k kon niet anders wachten
Van u; want 'k zie u aan voor eenen hoveling,
Dien 't vleijen eigen is, myn schoonheid is gering.
Ik ben een hoveling, 't is waar; maar zeer verscheiên
Van aart als anderen: ik heb de walg van 't vleijen,
395
En zyt verzekerd, dat al 't geen ik zeg niet spruit
Als uit een zuivre min. Het liefelyk geluid
Van uwen lieven mond kan my zo zeer bekooren,
Dat ik den Hemel bid om dat altoos te hooren.
Myn heer! het loopt te hoog. Zoudt ge in zo korten tyd
400
Verlieven? 'k denk dat niet.
‘'k Geloof ook dat 't je spyt.
Ja Juffrouw, 't kan wel zyn: 'k heb in de Astree gelezen, 401
| | | |
Dat 't by de Herders ook altyd zo was voor dezen.
Lees maar Lyzanders en Kalistes vryery,
Of Bassa Ibrahim of Milord Koerteny,
405
Kleopatra, Kassandre, en duizend fraaije dingen;
't Is 't ouwe liedje dat de dichters altyd zingen;
Een boere meid word ligt door hen een koningin,
Een herder koning. Wel steekt daar juist zo veel in?
Hoe menig prins doen zy in boere klêren dwaalen,
410
Om Filisjes, die hen ontvlugten, te achterhaalen; 410
En dunkt je dit nu raar? je leest het al den dag.
Gy lacht, myn schoone, en geeft my stof, helaes! tot treuren.
Ach, mogt my de eer gebeuren,
415
Dat ik uw' dienaer wierde, en dat ik wedermin
Van u verwachten mogt, ik zou myn engelin
Betoonen, dat myn staat haar schoonheid evenaarde.
Ik ben een Graef, van waarde
En macht in Poolen; doch in 's keizers hof gevoed, 419
420
Eerst heer, en nu een slaaf, om dat ik u ontmoet,
Een slaaf, geketend in uw' straffe minnebanden,
Die zyn geluk geheel gesteld heeft in uw' handen.
Heer graaf, hoewel ik my niet ongevoelig ken,
Weet echter, dat ik zo onnozel ook niet ben,
425
Om niet te zien, dat wy te veel van staat verscheelen;
En dat 't u lust met myn eenvoudigheid te speelen;
Ik ben een Juffer, wel van adel, maar myn goed
En rykdom zyn gering, ten aenzien van myn bloed.
‘Dat liegt zy niet, die pry, zy heeft hem nu al binnen.
430
'k Moest volgens mynen staat, een hoofsche juffer minnen. 430
Maar gy hebt my bekoord, door uw volmaakt gezicht,
Waar voor de schoonste, die ik ooit gezien heb, zwicht.
De tyd vereischt, heer Graaf, dees reden af te breeken. 433
| | | |
'k Hoop de eer te hebben, schoone, om met u meer te spreeken
435
En zal, met uw verlof, verzoeken aan Mevrouw
Uw Moeder, dat ik u somtyds wat onderhouw.
Ik hoop dat zy daar niet zal tegen weezen.
Helaas! uw weigring doet my vreezen.
‘Heer Graaf, kom jy maar flus.
440
Gedoog, myn Engelin; dat ik uw' handen kuss’.
Myn Heer! ik hoor daar volk.
Ik ken ze, 't zyn myn vrinden,
| |
Zestiende tooneel
Charlotte, Klaar, Lodewyk, Jan in een Edelmans gewaad, twee Lakkeien, een Kruijer met een koffer op den Kruijwagen
Dit's de straat, nu zal ik het wel vinden.
Ha! ha! hier is het. Volg me met den gantschen trein.
Maak plaats! maak plaats! voor den Baron van Schraalenstein;
445
En dat ben ik kanaalje! A 't za! hier moet ik weezen.
Vat aan, heer Kruijer. Ha, wat breekje? je moogt vreezen, 446
Daar's steene waar in. Zo, de koffer moet hier in.
Jan geeft geld aan den kruijer, die weg kruijd, terwyl Lodewyk de Juffer na de deur leid.
| |
Zeventiende tooneel
Lodewyk, Jan, Lakkeiën
Hoe ben je al bezig in de min?
Ik heb haar, die ik in de Malibaan zag wand'len,
Laat ze zich een beetje maklyk hand'len?
Ik ben niet hoopeloos: de zaak schynt wel te staan.
'k Zal 't u verhaalen. Laat ons in de Herberg gaan.
Einde van het eerste Bedryf.
|
20 nu A nou; als D dan; na C naar
3ontzind: waanzinnig, dol
7vast op gaan: vertrouwen
18als of wy beenen om een daalder konden koopen: alsof we voor een krats nieuwe benen konden kopen
23 nu A nou; zyt A bent; 25 na C naar; 28 zal A zel; 34 En A Doch; 38 naar A na 47 je D u.
24maak vry dat je wordt geriefd: zorg er gerust voor dat je liefde beantwoord wordt
27niet te doen: niets te maken
31te verstaan: te weten te komen
41pour pas la temps: fr. pour passe temps, voor tijdverdrijf; konvojeeren: fr. convoyer, begeleiden, gezelschap houden
48-49is altemaal jou rykdom: is je hele rijkdom
59 noch C of; 69 vlg. A 't Zou ons niet dienstig zyn, wyl wy malkander kennen. En van hetzelfde sop beide overgooten bennen.
54gediend: als heer erkend, gediend; dus: een man van stand
55ten opsicht van: wat betreft, ten aanzien van
59kamerling: kamerdienaar; trezorier: schatbewaarder
60is het scheeren: maak je er een grap van
62zich iets onderwinden: iets ondernemen, beproeven
90 goed C geld; 104 strak A stark C straks
88beschaard: (op bedriegelijke wijze) hij elkaar gekregen
102t'huis wil leggen: wil logeren
112 haar A heur; 116 nu A tans; 123 zyt A bent; 125 voor A den; 129 na C naar 133 de C myn.
109vrinden: bloedverwanten
114Vertrekken met Faroos bokken: met de noorderzon vertrekken
115gespeld: voorspeld, gezegd
142Het spyt my: het ergert me
145kasseeren: zijn congé geven, afdanken
165 zellen C zullen; 167 versche A varse
163ming'len: mengel, als wijn-, bier- en oliemaat = 1.21 liter, als brandewijnmaat 1.231. en als melkmaat 1.81 liter;
karrepap: karnemelkse pap
164met een snap: spoedig, vlug
165harst: lendestuk van een rund
172aars (met voorgevoegde n): achterste
185ontmoeten: gebeuren, overkomen
192vrouwmoeder: mevrouw, haar moeder; vgl. ook 'heervader' (vs. 585), en thans nog 'heeroom'; vroeger werd dit vrouw en heer meestal geplaatst voor verwantschapsnamen
196ongemeen: buitengewoon
198Het rukt myn juffrouw ... etc.: het komt er bij mijn juffrouw niet op aan
214 zelfs C zelf; 224 zyt A bent
205nauw: nauwkeurig, precies
211te viervoets: vlug, snel
233hun best: zo hard zij maar konden
234met den hals: met z'n leven
235Alon, dat gaat je voor: vooruit, (fra: allons) ik zal je maar voorgaan; vooruit dan.
257 dan A als; 268 dat 'k nooit huur en A dat ik nooit geen huur en C dat 'k nooit huurgeld
250met een schyn van staat: welstand, door mij rijk voor te doen
259een gouden dukaat had de waarde van ongeveer ƒ5.59; een zilveren ƒ2.50
263pistool: een Spaanse gouden munt, ter waarde van ongeveer ƒ12.-
275 zijt A bent; 279 zulken C zulk een; 282 en u moest quellen C ik moest u quellen; 293 tekst denk C, D denkt; 294 zyt A bent
273pry: scheldwoord, eig. bet.: kreng, aas
278deklineren: (fr. déclin) in décline zijn, achteruit gaan, in verval zijn
309 zyt A bent; 318 koomt A komt
305pyne: moeite, fr. peine
306quaadje: een lastig baantje, onaangename betrekking
315potje beuling: meelpap met boter
327 C 'k heb daar niet op gelet; 342 gifje C en D giftje; 343 t' zederd C sederd
327ik heb het niet belet: ik heb er niet op gelet
328te: heel, erg; duister: onduidelijk
357 dat doet C dit doet; 370 ver A veer
354aan te bieden: voor te stellen, zie vs. 2066
361maakt gy te zwygen: zorg er voor dat je je mond houdt
368't moeyt my: 't spijt me
386 als D Dan; 396 Als D Dan
373ten eersten: dadelijk, zo spoedig mogelijk
378myn volk: mijn personeel
401Langendijk spot hier met de toentertijd veel gelezen vertaalde Franse herderromans, n.l. Astrée van Honoré d'Urfé, De vrijagie van Lysander en Caliste, vertaald naar het Frans van d'Audiguier, Ibrahim ou l'illustre Bassa van Madeleine de Scudéry (in het Nederlands vertaald onder de titel Bassa Ibrahim), en Cleopatra en Cassandre van Gautier de Costes de la Calprenède.
Van de avontuurlijke Eustache Lenoble is de roman Mylord Courtenay, met als thema een amourette van koningin Elisabeth van Engeland.
411 al den A alle; 415 wierde A wierdt D wierd 432 de A het
410Filisjes: Phyllis was een bekende naam voor herderinnetjes in de herderromans
433dees reden: dit gesprek
434 om met u meer C om weêr met u; 445 kanaalje A kanaille
446wat breekje?: vermoedelijk is breken hier gebruikt in de betekenis van: bezwijken, door de knieën gaan. Zie WNT II A - 6-b.
|
|