|
|
|
| |
| | | | | |
| |
Vierde bedryf
Eerste tooneel
Charlotte, Konstance, Klaar, Fop en Hans beide in lakeije kleeren
Je denkt wel, Juffrouw, op de klok van zeven uuren? 1271
Ik ben zeer ongerust, en kan van angst pas duuren. 1272
Mevrouw, recht uit gezegt, ik durf het niet bestaan.
't Is ook te schand'lyk met een' minnaar door te gaan.
1275
Zo 't qualyk uitvalt, 't zal my al myn leeven spyten.
Tut, tut, geen mensch zal jou, hetgeen je doet, verwyten.
Ik wagt nog wat, misschien dat Broeder hier haast koomt;
Men hoor wat hy ons raad: wy kunnen onbeschroomd
Aan hem verklaaren, hoe de zaaken zyn gelegen;
1280
Hy kan ons helpen door veel eerelyker wegen. 1280
Gy hebt al wat gelyk, dat heb ik niet bedacht;
De tyd van Broeders komst dient eerst nog afgewacht.
Indien hy geld heeft om de bruiloft uit te voeren,
Is alles wel. Ik wil uw hart niet meer ontroeren.
1285
'k Zou ook niet toestaan dat gy weg gingt, zo 'k niet wist
Dat 't my aan 't geld ontbrak; 'k bedacht alleen dees list,
Mevrouw 't kon wel gebeuren,
Dat jy jou dat besluit voor altoos zoudt betreuren;
De Graaf zal denken dat hy van je wordt begekt.
1290
En moog'lyk dat hy dan om dat affront vertrekt.
Indien hy haar bemint zal hy zo licht niet scheiden,
Want anders blykt het dat hy ons zoekt te misleiden.
Daar word gescheld.
Dat zal misschien de Snyër zyn,
1295
Of Lakenkooper om te maanen. 't Zyn gezellen
| | | |
Die ik niet langer weet met praatjes uit te stellen. 1296
Zeg dat wy uit zyn. Spel dat volk wat op de mouw.
Indien zy 't zyn, zal ik myn best wel doen, Mevrouw.
Licht dat het Broeder is, die kan hier nu al weezen.
1300
't Kan zyn; doch ik heb reên om 't tegendeel te vreezen.
'k Ben bang voor krediteurs, zo dra 'er wordt gescheld.
| |
Tweede tooneel
Karel, Charlotte, Konstance, Klaar, Hans, een Lakkeij van Karel
Het is uw Broeder ach! ik ben van vreugd ontsteld!
Zyt welkom, lieve Broeder.
Wat is 't me een vreugd, dat ik u zien mag! ach! Vrouw Moeder!
1305
Wat heb ik u misdaan, misleid door myne jeugd!
Ach! myn waarde Zoon! de vreugd
Verhindert my, ik kan van blydschap naauwlyks spreeken!
Karel omhelst Konstance
O neen, myn Zoon, ik reken
Dat gy door uw vertrek, den grond van ons geluk
1310
Gelegt hebt. Ach wat vreugd na zo veel ramp en druk!
Wie hadt gedacht dat ik u in myn oude dagen
Nog weder zien zoude! al myn tegenspoed en plaagen 1312
En droefheid zal ik nu vergeeten! Koom myn kind,
Omhels uw' Broeder, dien ge in 't leeven weder vindt.
Karel omhelst Charlotte
't Is hier byzonder druk met kussen,
En ik kryg niet een brui, van 't bystaan, ondertussen. 1316
Wel, Klaartje, leefje nog!
Ja, zo 'k niet beter weet.
Och dat je wist, myn Heer, hoe deerlyk dat ik kreet,
| | | |
Toen jy zo stilletjes en zonder eens te spreeken
1320
Vertrokken waart, en dat ik van je taal noch teken
Kon hooren waar je waart, je zoudt my ook wel eens.
Dat 's ligt wat ongemeens!
o Neen, niet ongemeens, je hebt het van je leeven 1323
1325
Gy zyt nog de oude Klaar, een snaakje van een meid.
En jou ook één tot dankbaarheid.
Klaar, wil die dartelheid een weinigje betoomen.
Myn Zoon, waar is uw Liefste, of zyt ge alleen gekomen?
Ik wagt myn Lief haast, 'k ben te paerd vooruit gereên;
Hoe, liet gy haar zo alleen?
Ik koom hier om te zien hoe 't staat met onze zaaken,
Om, zo hier iets ontbrak, eerst op zyn stel te raaken; 1332
Myn liefste weet niet hoe het by ons is gesteld.
Hebt gy myn laatsten brief, en 't pakje met dat geld
Ja myn Zoon. 'k Geloof dat uwe leden
Vermoeijd zyn van de reis; gy hebt licht hard gereden?
Laar ons dan binnen gaan.
'k Zal u een voorval, 't geen ons voorkomt, doen verstaan,
Van zek'ren Graaf, die met Charlotte zoekt te trouwen.
Treed voort, 'k zal u de zaak ontvouwen.
| |
Derde tooneel
Klaar, Hans
Wel Hansje staa je daar, en spreekje niet een woord?
Myn bloed! hoe ben je zo verstoord? 1342
Je zyt nochtans myn uitgeleezen,
| | | |
Die haast myn bruidegom, myn man, en voogd zelt weezen. 1344
Hoe? waarom myn lieve Hans?
Myn hart, zeg, is 'er dan geen kans,
Om jou met traanen te vermurwen, noch met smeeken?
Myn lieve maatje, ik bid, wil tog een woordje spreeken;
Je weet het immers dat ik je altyd heb bemind?
1350
Het spyt me dat ik je in zo'n quaad heumeurtje vind.
't Is wel, wil jy geen reden hooren?
Dan is het huuwlyk of; dat zeg ik van te vooren.
Goed: dan trouw ik met een aâr,
Tot spyt van jou: je moet me niet veul bruiën, vaâr. 1354
1355
Dat is een hangbroek! dat 's een puikje der portretten 1355
Uit de almenak! ja wel, men hoord je beeld te zetten,
Van klinklaar goud gemaakt, vlak op de vulliskar.
Ja, dat zou heel mooij zyn, nar.
Maar vryt jou die Baron, zeg Klaar? 'k begin te vreezen.
Hoor Klaar, je bent myn uitgeleezen.
Ik meen 't zo quaad niet, zeg, wat zeit myn heer Baron?
Ey hoor! myn pynxterblom, myn zon, 1362
Wy zellen met malkaâr, gelyk gezeid, is, trouwen.
Och! hoe ken je jou zo houwen,
1365
Myn schepseltje! je weet dat ik je zo bemin,
En gist'ren had je ook in jou Hansje groote zin.
Het is voor jou dat ik zo zuinig weet te spaaren.
Och Klaar, wil toch je zelfs bewaaren,
Want die Baronnen zyn zo vol van guitery,
| | | |
1370
Je weet het niet myn kind.
Hans, zorg jy niet voor my:
Je hebt de paspoort, en de bons, 'k wil jou niet kennen.
Zie daar, de mortepaaij moet jou en my dan schennen, 1372
Heb jy het hart, dat jy, karonje, me verlaat; 1373
Ik zal dien gekken vent waarneemen op de straat, 1374
1375
En kloppen hem zo plat als stokvis met myn handen.
De kuiten zel ik hem afbyten met myn tanden,
En voort de rest zo kort als potjebeuling slaan. 1377
Ja maar, myn lieve vaar, hy is al mede een haan, 1378
Hy zou dan, op jou kop, zodanig vliegen vangen 1379
1380
Dat jij zoudt wenschen, dat je al zalig waart gehangen, 1380
Gelyk je wel verdient voor jou bedriegery.
Hans haalt de trouwbelofte uit zyn zak
Je bent een vuile pry; 1382
Een lichtekooy. Ik zweer je zelt het je betreuren.
Zie daar's je trouwbelofte; ik zal ze aan stukken scheuren.
1385
Ik ken je nou niet meer; ik wil je niet meer zien.
Klaar haalt ze ook uit
Zie Hans, dat gaat je veur; het moet gelyk geschiên.
Maar wacht een beetje, Klaar, is 't ernst? of is het scheeren?
Dat is my evenveel, zo als je zelt begeeren.
Ik doe 't maar om te zien of jy me nog bemint.
1390
Ik meen het ook niet, Hans; ik was alleen gezind 1390
Om je eens te toetsen, en hetgeen hier is bedreeven,
Dat moeten wy malkaêr van harte weêr vergeeven.
| | | |
Daar slaa geluk toe, drie pond vygen op de koop. 1393
Vier vaten wyn daar by; drie ankers met een stoop. 1394
1395
Maar zacht, daar is Mevrouw.
| |
Vierde tooneel
Karel, Konstance, Charlotte, Klaar, Hans, Fop, Lakkei van Karel
Gy zegt my wond're trekken,
En listen, maar de tyd zal alles wel ontdekken.
Die brief is my verdacht, dewyl ik niemant kan
In Brussel, die zoo hiet gelyk als deze man.
Kristoffel Ossekop, bankier der heeren Deenen!
1400
't Is een verdichte naam.
Zou dan myn broeder meenen,
Dat zulk een' graaf bequaam zou weezen tot bedrog? 1401
Hetgeen men nu niet weet leert ons de tyd licht nog.
'k Heb meer messieurs gekend, die om fortuin te maaken,
Opsneden van hun staat, en wonderlyke zaaken
1405
Verzonnen, om een duif te lokken in het net.
Daar is te Brussel korts een karel vastgezet, 1406
Die zich een graaf noemde, en ook niet ontzag te vryën
By Jufferen van rang; hy had die schelmeryen
Al lang gepleegd, eer hy bekend wierdt voor een guit;
1410
Derhalve, zuster, dient uw vryery gestuit,
Tot dat men na zyn' staat ter dege heeft vernomen.
'k Zal hem verzoeken of hy hier belieft te komen,
Zo dra myn lief hier is, wyl ik nieuwsgierig ben,
En niet gerust zal zyn voor ik dien graave ken.
1415
Zyn deugden kan men aan zyn ommegang bespeuren.
o Zuster, 'k waarschouw u, men ziet het meer gebeuren;
't Kan een bedrieger zijn; al zyt gy kloek van geest.
| | | |
Daar zyn wel wyzer door den schyn bedot geweest.
Dat hy een graaf is, Heer, daar wil ik wel op zweeren,
1420
Want hy voert staat, en 't gaat niet aan zyn kouwe kleêren,
Al douwt hy me een pistool uit vrindschap in myn hand; 1421
Daar is geen nobelder noch beter heer in 't land.
Dat is een schoon bewys! zulks kan genoeg geschieden,
Al is hy juist geen graaf; men kan verachte lieden
1425
Niet onderscheiden van de grootste, indien het geld
Hun veinzery bedekt. 'k Zie veel hetgeen ons meld
Dat wy bedrogen zyn; de tyd zal 't best ontdekken.
Maar Frere, uw onderzoek mocht hem tot gramschap wekken.
Ik merk hy heeft u reets al binnen door de min.
1430
'k Zoek maar te peilen hoe hy 't met u heeft in 't zin.
'k Zal hem beleefd, gelyk een edelman, ontmoeten,
En in zyn logement, flus in passant, begroeten. 1432
Maar laat ons met malkaêr nu heen gaan na de poort,
Goed. Hoor Klaartje! hang eens voort
1435
Teewater op, wy gaan myn dochter t'zamen haalen.
Maak alles op zyn stel, 't za wakker, niet te draalen! 1436
Wy komen, denk ik, in een klein half uur weêr hier.
Indien de graaf hier komt, zo geef hem dit papier
Van Stoffel Ossekop, 't geen hy hier heeft verlooren.
1440
Als gy hem spreekt, zo laat hem vry de tyding hooren,
Dat zal ik doen myn Heer.
Nu, als gezegt is, Klaar, wy komen daatlyk weêr.
En ik belast u, dat het water dan moet kooken.
't Is wel, 'k zal met 'er haast wat hoepelstokken stooken: 1444
1445
Wy hebben juist geen hout tot nog toe, in ons huis. 1445
| | | | | |
| |
Vyfde tooneel
Charlotte, Klaar, Hans
Maar Hans, ik hoorde flus hier zulken groot gedruis;
Ik hoorde u nogtans kyven.
't Geen hier geschied moest tog vooral verhoolen blyven.
't Was onder ons, juffrouw, het raakt jou zaken niet.
1450
Hans keef op my; maar 't is door jaloezy geschiet.
Ik heb het hem, uit grond myns harten, al vergeeven.
Hy docht dat die Baron...
Daar wordt gescheld en Klaar doet op
Wat heb jy groot verstand! zou zulken edelman
Zyn zinnen stellen op een meid? my dunkt dat kan
De Graaf zou 't niet gehengen. 1455
Juffrouw, hy zou de meid misschien in schande brengen.
Ik heb vooral geen zin in horens, dat je 't vat .... 1457
'k Praat van den drommel, en daar komt hy zelf op 't mat. 1458
Gy moet dien Edelman behoorlyk respekteeren,
1460
Gelyk 't den staat vereischt van zulke groote Heeren.
| |
Zesde tooneel
Jan, Klaar, Charlotte, Hans
Vind ik je t'huis, dat's goed, myn suikerzoete Klaar.
Ja Heer Baron, 'k ben tot je dienst, gebied my maar.
Juffrouw, myn neef heeft lang hier voor de deur staan wachten,
En tuuren na 't balkon; maar tegen zyn gedachten 1464
1465
Quam een aanzienlyk heer hier uit het huis; Mevrouw
Verzelde hem; hy wist niet wat hy denken zou.
Te meer, omdat hy ook een stoet zag van lakkeijen;
En daarom kom ik hier. De kaerel zou schier schreiën
| | | |
Van droefheid, om dat hy niet weet wat dit beduid.
1470
Hy denkt al dat je bent veranderd van besluit,
En dat dit mooglyk zal een medeminaar weezen.
o Neen, de graaf heeft daar in 't minst niet voor te vreezen,
't Is Juffrouws Broeder, die flus t'huis gekomen is. 1473
Dan zal de zaak nou niet gelukken, naar ik gis.
1475
De graaf kan hier... daar is hy zelf, de deur was open.
| |
Zevende tooneel
Lodewyk, Jan, Charlotte, Klaar, Hans
Mejuffer, ach! heb ik te vreezen of te hoopen?
Ik wacht het vonnis van myn leeven, of myn dood,
Uit uwen lieven mond. Ach was uw' gunst zo groot,
Dat gy myn wedermin... maar neen 'k moet altoos zuchten,
1480
Een nieuwe minnaar zal...
Myn Heer, de minnaars duchten
Altyd het zwaarste. Laat ons in 't zalet wat gaan.
Ik zal u zeggen hoe wy met de zaaken staan.
De Heer Baron gelief ons beide te verzellen.
Daar wordt gescheld, Klaar doet op
Wie of daar is? o bloed! Wat dunk je van zulk schellen?
1485
Die brengt voorzeker geld, maar basta; dat 's abuis.
| |
Achtste tooneel
Hans, Klaar, Hendrik, Joris
Goên avond Klaar, is nu Mevrouw en juffrouw t'huis?
Mevrouw is uitgegaan, het komt nou niet gelegen.
Geef my je rekening, wy zellen ze ter degen
Hoe? Mevrouw heeft die al lang
1490
Gezien, en nagezien; dat is weêr de oude zang.
Hoe raas je zo? Mevrouw zal je immers wel betaalen?
| | | |
Hoe? heb je niet gezeid dat ik nu geld zou haalen?
Dat 's goed; maar kom dan als zy t'huis is, dat is raar. 1493
Ze scheert met ons de gek, het is al over 't jaar
1495
Dat ik geloopen heb; ik zal heur affronteeren: 1495
Ze draagen aan haar gat begut de zelfde kleêren, 1496
Het zelfde stof, dat ik 'er heb verkoft, ik zal
Meen je 't ook? ei, Hendrik, ben je mal?
Het is twee honderd gulden.
Ja waaren al je schulden....
'k Wil zeggen schuldenaars, zo goed als myn Mevrouw,
Hoor, weet je wat? met jou
Wil ik niet praaten; 'k wil Mevrouw nu zelver spreeken.
Je hebt ons lang genoeg bedrogen met je streeken.
1505
Nu is Mevrouw niet t'huis; dan leid ze nog te bed;
Dan zit ze aan tafel; en dan heeft ze weêr belet.
Ze zel je 't geld wel geeven.
Ja, dan was 't weêr om 't even.
Al wisje wasjes! komt Mevrouw niet haast weêrom?
1510
Is dan het geen dat jy moet hebben zulken som,
Myn heer de Snyër? dat kan zeker niet veel weezen.
Niet veel? hoor toe, ik zal myn rekening eens leezen. 1512
Joris leest
Mevrouw, Mevrouw van Adelpoort
Debet aan Joris Luberts Koort.
1515
Ik heb aan Juffrouws rok genaaid: Drie gulden.
Item: 't oud rygelyf verfraaid: Een guld. tien st.
Item: een nieuw korsjet gemaakt: Twee gulden.
‘Item: daar heb je toen geen kleintje van getaakt. 1518
Joris leest
Item: aan rechtdraat, en aan zei: twee gulden twee st. 1519
| | | |
1520
Item: een nieuwe leverei: vyf gulden één stuiver. 1520
Item: aan gaeren en aan lint: een gl. twe st. acht pen.
‘Item: jou lappedief je maakt my schier ontzind.
Joris leest
Item: nog ééns een zy korchet: Twee gulden.
Item: balynen ingezet: zes stuivers acht penn.
1525
Item: een tabbertje voor Klaar: drie gl. drie st. vier pen. 1525
Item: doen haalde je myn lappen deur de schaar. 1526
Joris leest
Item: aan voering en aan baaij: zes gulden twee pen.
Item: aan monstering heel fraaij: sestien stuivers. 1528
Item: een nachtjak voor Mevrouw: een gulde sestien st.
1530
Item: aan loot in elke mouw: vyf stuiv. tien penn. 1530
Item: nog aan Mevrouws japon: twee gulden.
Dat is zoo klaar gelyk de zon.
'k Moet hebben: Somma dartig gulden en een stuiver.
o Ja, ik weet het wel, jou rekening is zuiver.
1535
Kom morgen ochtend weêr, jou geld is al gereed.
Ik heb den brui daar van; ik zegje dat ik weet,
Dat jou Mevrouw hier is. Ze laat zich maar verzaaken. 1537
‘Hoe drommel zal ik het met de quaâ geesten maaken?
Is zy in huis niet, ik zal blyven tot zy koomt.
1540
Ei raas zo niet, sus, sus! ‘wat is myn hart beschroomd!
Hoor, juffrouw is wel t'huis; maar 't komt nu niet geleegen.
Daar is een zeker heer. Zy heeft belet gekreegen...
Maar zacht daar is zy zelf.
| | | | | |
| |
Negende tooneel
Charlotte, Lodewyk, Jan, Klaar, Hans, Hendrik, Joris
‘Is 't mooglyk! wat is dit?
1545
Geef stoelen Klaartje. 'k Zal de heeren aanstonds spreeken.
Juffrouw dat hoeft niet, 'k kom... de tyd is reets verstreeken.
Zit neer, je hoed op, want je luizen worden kout.
Myn heer is onderdaags getrouwd? 1548
De Juffer is zeer aartig.
1550
Myn heer is ook de min van zulk een' vrouw wel waardig.
Dat 's waar, ik ben vernoegd, maar...
'k Heb haar stem gehoord,
Zy zingt zeer fraaij muziek; voorwaar haar stem bekoort
Ja zy kan my met haar stem vermaaken.
Maar als 't juffrouw belieft te spreeken van myn zaaken....
1555
Zy is bequaam tot uw negotie.
In stoffe winkels. By Ragoe altoos twee jaaren. 1557
Gy kond niet beter paaren,
Als met een Juffer die zoo veel bequaamheid heeft.
1560
Gy zult welvaaren: ze is aanminnig, en beleefd.
'k Denk morgen by uw vrouw een modens stof te koopen.
Ik mag niet op een ander loopen. 1562
Gy doet my wel. Schryf dan meteen uw reek'ning uit. 1563
Gy wacht zo lang daar me, 'k weet niet wat dit beduid.
1565
Ik heb myn rekening al lang aan Klaar gegeeven.
| | | |
Ik heb myn rekening ook netjes uitgeschreeven.
o Pry, waarom geeft gy my daar geen kennis van?
Juffrouw ik heb 't versloft, en zo als ik den man
Hier zie, begin ik om de rekening te denken.
1570
Door zulke slofheid zoudt gy myn krediet haast krenken. 1570
Wat denken deze liên? indien dit weêr geschied,
Och! Juffrouw, ik wist het niet.
Dat gy, Messieurs, uw geld ontfangen zult, op morgen.
‘Ras Klaartje, lei me dat kanailje na de deur.
| |
Tiende tooneel
Lodewyk, Jan, Charlotte, Hans, Klaar
Myn lief, het moeit my dat ik nu zo ras moet scheiden.
o Ja, heer graaf, gy dient niet langer te verbeiden.
Gy weet de reden; want 't zou stryden met myne eer,
1580
Dewyl mevrouw 't verbied. Wy zien malkander weêr
Deez' avond: Broeder zal u zekerlyk bezoeken.
Ei, ik bid wil u verkloeken.
Wel aan, ik wacht hem dan in myne herberg flus. 1583
Vaar wel, myn schoone, met dees kus.
1585
Ik volg je zo, myn heer. 'k Moet nog een weinig praaten
Ik zal myn heer dan wat alleenig laaten.
Klaar 'k gaa wat leggen op de rustbank; ik heb pyn
In 't hoofd; maar roep me als hier de vrinden weder zyn,
't Is wel juffrouw, ik zal.
| | | | | |
| |
Elfde tooneel
Klaar, Jan
Wilt gy niet meê vertrekken
Neen, 'k zel jou tot gezelschap wat verstrekken.
Maar liefje, zeg my, is jou Heer een kapitein?
Ja tot uw' dienst, myn hart, Baron van Schraalenstein.
Zo hy in Duitsland diend zou ik hem mooglyk kennen.
Hoewel men door den tyd malkander kan ontwennen.
Neen dan is 't dezelfde niet.
Ik ken een kapitein in Duitsland die zo hiet.
‘Het is myn hopman niet, nou heb ik niet te vreezen.
Ik heb een vaers op jou gerymd, meid, kan je leezen?
Heel wel, waar is het van?
Wel ja, steekt daar wat in?
Ik heb een heer gediend in Holland, die 't me leerde.
Wel neen, 'k wil zeggen, ik verkeerde
Met zeker heer. ‘De droes! 'k had my daar schier verpraat!
Dat is 'er een die net de poëzy verstaat.
1605
Hy rymeld op één dag ten minste zeven vellen;
Hy hoest zyn kluchten, en hy zweet gestadig spellen.
Hy weet het onderscheid van de en den heel net.
PH. is maar een beest, en moet aan kant gezet. 1608
Ae, die, zweert hy, zel nog van zyn handen sterven,
1610
En 't woord quansuis zel hy in ballingschap doen zwerven.
CK, die 't a.b.c. veel jaaren heeft gebruid,
Krygt van hem na de dood nog steeken in de huid,
En al de prullevaars, die qualyk conjugeeren, 1613
Zal hy met knuppeldicht geen kleintje deklineeren. 1614
1615
Dan is het a.b.c. tans in een grooten nood?
| | | |
't Leit al op sterven; ja, het is al ruim half dood.
Maar meid, je moest de kunst ten vollen meester weezen,
Eer jy dit vaersje, naar den aard, zoudt kunnen leezen;
Madame, 'k zal 't, met jou permissie, zelfs eens doen;
1620
Het is een rympje dat jou raakt, na 'k zou vermoên.
Jan leest
Al in de wereld plane!1622
Myn harteken minjoot,1623
Je moet me helpen zane:1624
1625
Of 'k sterf de bitt're dood.
Let eens op myn aanschyn,
Dan zult gy haast certyn1629
1630
Bemerken daar bezeven,1630
Oorlof myn lieveken, ziet,
Help my nu uit dangieren!1634
1635
Ik bendere geenen bandiet,
Maar vol kompleete manieren. 1636
Dat is eerst kunst, niet waar?
Hoe kan je 't zo bedenken?
| | | |
1640
Zo zulke vaerzen jou de harsenen niet krenken
In 't maaken, dan verstaa ik me op het rymen niet 1641
Maar waar is d'inhoud van dat rympje toch geschied?
't Geschied op deeze plaats, o maagdeken verheven.
Dat heele vaers is maar op jou alleen geschreeven.
1645
Zo, meen je 't nog in ernst?
Ik hou je voor myn Bruid, je bent myn hartedief. 1646
Maar weet de graaf het wel dat wy malkaâr beminnen?
Neen, dat durft hy niet beginnen;
Ik zel je trouwen, spyt wie dat het je benyd. 1649
1650
Maar heer ik vrees jy zult verand'ren door den tyd. 1650
Ik, ik verand'ren? dat zal nimmermeer gebeuren.
Eer zal de Dom van 't hoofd tot aan de voeten scheuren,
Eer zal een olifant verand'ren in een luis,
Een kikvorsch in een paerd, of in een haringbuis.
1655
Eer zal je een baviaan in een karos zien ryên,
Met veertien uilen als trouwanten van ter zyên. 1656
‘De vent is zeker gek. Maar als ik met je trouw,
Moest jy me zeggen waar dat ik belanden zou.
Belanden? hoor eens toe: voor eerst, om niet te doolen,
1660
Zel ik je brengen in een koets rechtuit na Poolen;
Maar onderwegen ook wat pleist'ren, dat je 't vat.
Nou, in dat Poolen leit een heele groote stadt,
Nog grooter als Parys, met Amsterdam, en Londen,
Konstantinopelen, en Rome, aan een gebonden,
1665
Met Uitrecht 'er op toe; en deeze groote stadt
Zel ik je geeven tot een bruidschat, vat je dat?
Je kent van de inkomst van die stadt gemak'lyk leeven;
Zo niet, ik zel je een stadt nog op de koop toe geeven.
Ik heb van zulken stadt myn leeven niet gehoord.
| | | |
1670
Zy is 'er evenwel, myn hartje, rechtevoort. 1670
't Is zo; ter goeder trouwen. 1671
De grond die is 'er; maar de huizen moet je bouwen.
Myn heer Baron, ik heb je waarlyk al wat lief.
Maar, waar is myn heer geboren?
Myn heer is hier... maar zacht, ze zeggen op een toren.
Maar... 'k was 'er zelf niet by, ten minste, 'k weet het niet.
Ja myn zieltje, dat geschied
In Polen altyd zo; daar worden al de grooten
1680
Op torens voortgebracht; dat 's eens voor al beslooten;
Die dat niet doen wil, acht men voor geen edelman;
Men dronk, morbleu, met zulken vent niet uit één kan;
Wy staan op 't point d'honneur. Dat zou jy niet gelooven.
| |
Twaalfde tooneel
Hans, Jan, Klaar
Het water kookt al Klaar.
Wie koomt my daar berooven
1685
Van al myn vreugd? zeg op, wat ben je voor een schoft?
'k Zeg handen van de bank: het vleis is al verkoft. 1686
Al ben je de Baron, ik zel, de duivel haalje,
Ha! wat zeg je daar, kanailje?
Dat ik geen schoft ben, en die meid is reets myn Bruid.
1690
Myn heer, hy liegt het, 't is een olyke schavuit.
'k Zel met dit entje staal je zo de lenden smeeren, 1691
Dat je op een ander tyd my meer zelt extimeeren. 1692
Dan haal ik hier terstond de buuren in het huis.
Ik zeg je karel, maak me hier niet veel gedruis,
1695
Of 'k steek je voort aan 't spit.
Je hoeft me niet te dreigen, 1695
| | | |
Of 'k zel ten eersten ook een grooten degen krygen. 1696
‘Hier is 'er geen in huis, Baron, wees vry gerust.
'k Zeg karel, zo je niet terstond myn rotting kust,
Dat ik zodanig meen je ruggestuk te meeten, 1699
1700
Dat jy de jaloezy ten eersten zult vergeeten.
Je doet my ongelyk, 'k zel 't jou betaalen, Klaar,
Dat zweer ik; komt myn heer, mevrouw en juffrouw maar.
Hoe karel, durf jy haar, daar ik ben, affronteeren?
Morbleu! 'k spring uit myn vel!
'k Moet jou de lenden smeeren;
1705
Want jy verzoekt 'er om. Bid aanstonds om genâ!
Jan slaat Hans met de rotting
Daar, daar, daar. Doe aanstonds 't geen ik raâ.
Och! Och! vergeefme tog het geen ik heb gesprooken!
De droes, is dat ook slaan! myn ribben zyn gebroken.
Jan geeft Hans geld
Daar, zalf ze hier wat mee, 'k vereer je dees dukaat.
1710
Maak me op een ander tyd door jaloezy niet quaad.
'k Bedank je heer Baron. Zo veel! o seldrementen!
Doet rottingolium in Polen zulke renten, 1712
Dan is het goed, naar 'k merk, om daar lakkei te zyn.
Wat belieft Mevrouw van Schraalenstein?
1715
Mevrouw van Schraalenstein? wel, daar moet wat voor weezen.
Hoor Hans! kom hier eens Hans!
Och! ik begin te vreezen!
Hoor Hans! kom hier eens Hans! kom hier eens by me staan:
Maar ik vrees je zelt weer slaan.
Mevrouw van Schraalenstein vereert je twee dukaaten,
1720
Maar mits konditie, dat je 'er my zelt trouwen laaten;
En wilje met ons gaan na Polen, zel ik jou
| | | |
Hofmeester maaken van den graaf van Habislouw.
Je zegt zo wat, t' is wel; ik zel me een reis bedenken.
't Komt my niet qualyk voor, ik wil ze jou wel schenken.
1725
Ik stap 'er dan van af; zie daar, daar is myn hand;
En daar is 't briefje, dat ik heb tot onderpand
Van Klaar; 'k wil zeggen van mevrouw, jou uitverkoren.
Geef hier, dat 's goed. Wel zo, wel zo, dat mag ik hooren.
Zie daar, myn lief, daar is het schrift dat ik van hem
Jan scheurt de trouwbeloften aan stukken
Wel zo, dat geeft de zaak wat klem. 1730
'k Zel jou tot Baronnes, jou tot Hofmeester maaken;
En moog'lyk zel jelui tot hooger staat geraaken;
Want dat bruit my niet, weest te vreede zo ik 't schik; 1733
Je zelt het allebei net hebben, zo als ik.
1735
Zyn exelentie denkt wel om die twee dukaaten?
Hofmeester, zou ik niet? 'k vergat het door het praaten.
Zie daar, myn vriend, ze zyn van harte jou gegund.
'k Bedankje, heer Baron. Bloed! dat is schoone munt.
Nu dat's gearresteerd, niet waar, myn uitgeleezen? 1739
1740
Je zelt van nu voortaan myn' Baronnesse weezen.
Geef my daar op een zoen.
Hadie, ik gaa: 'k heb in myn herberg iets te doen.
Myn hart, ik heb' een brief, heb jy die hier verlooren?
Laat zien myn Engellief; o ja myn uitverkooren.
1745
Vaar wel, tot flus myn hart, ik kom hier daatlyk weêr.
Ik blyf je dienaares, en wacht je dan, myn heer.
Einde van het vierde Bedryf.
|
1284 uw A u; 1286 aan 't geld C aan geld; 1292 In C volgt Klaar: Misleiden? neen mevrouw, dat heeft in 't minst geen schyn.
1272pas duuren: het nauwelijks uithouden
1280eerelyker: gepaster, behoorlijker
1296met praatjes uit te stellen: met een kluitje in het riet sturen, van zich afschuiven
1316niet een brui: niets; bystaan: er bij zijn
1330 den A de; 1334 laatsten A laatste; 1340 Treed A Tree; 1343 zyt A bent
1342myn bloed: arme kerel
1343wat bruit dat jou: wat gaat jou dat aan
1350 heumeurtje C D humeurtje; 1362 pynxterblom C pynxterbloem
1345dat zel je liegen: dat lieg je
1354bruiën: lastig vallen
1355hangbroek: scheldwoord, syn. van ‘drasbroek’: vuile, slordige vent
1362pynxterblom: uitverkorene
1371 de paspoort C je paspoort; 1377 voort C voor; 1379 jou C je; 1392 harte C harten
1372mortepaay: duivel; moet: moge
1374waarnemen: bespieden, nagaan, of te pakken nemen
1377zo kort als potjebeuling slaan: tot pap slaan
1379vliegen vangen: ranselen, slaan
1380al zalig: goed en wel
1382vuile pry: vuil kreng
1401 zulk een' A zulken; 1403 messieurs A messeurs; 1410 Derhalve C Derhalven; uw A u; 1414 graave C graef wel; 1415 Zyn deugden kan men C Men kan zyn deugden
1393drie pond vygen op de koop: moge dat besluit ons geluk aanbrengen; als scherts wordt er dan aan toegevoegd: drie pond vijgen op de koop toe.
1406korts: onlangs, kort geleden
1421 douwt C duuwt; 1433 na C naar; 1434 Den A De
1432in passant: in het voorbijgaan
1444hoepelstokken: latten, gebruikt voor vaten en tonnen
1445tot nog toe: op dit ogenblik
1447 nogtans A nochtans; 1464 na C naar
1457in horens: in de rol van bedrogen minnaar
1458komt op 't mat: komt voor de dag
1464tegen zyn gedachten: terwijl hij daar niet aan dacht
1470 bent C zijt; 1480 nieuwe A nieuwen; 1488 wy A we; 1490 oude A ouwe
1493dat is raar: het is vreemd (dat je altijd komt als mevrouw niet thuis is)
1495affronteeren: hard de waarheid zeggen
1496begut: verbasterd uit: bij God
1518geen kleintje van getaakt: niet weinig van gestolen
1519rechtdraat: stijf linnen
1523 zy A zei; korchet C korsjet
1525tabbertje: een glad neerhangend kleedje (als morgenjapon)
1526deur de schaar halen: gewone uitdr. op kleermakers toegepast, met de betekenis van stelen
1528monstering: garnering
1530loot in elke mouw: lood om de mouw omlaag te doen hangen
1537ze laat zich maar verzaaken: zij laat maar zeggen dat ze niet 't huis is
1544 juffrouw A juffrou; 1549 aartig A aardig; 1550 zulk een' A zulken
1548onderdaags: dezer dagen
1563doet: behandelt, bedient
1571 lien A lui; 1573 rekening. Daar myne. C rek'ning. Daar de myne; 1576 na C naer; A na deur; 1578 dient niet langer te C moet niet langer hier
1590 tot jou C jou tot; 1593 zou C zal; 1600 poejeet C pojeet; 1605 minstens C minste; 1608 en moet aan kant A 't moet aan een kant; 1609, 1610 zel C zal; 1612 na de dood C naar zyn dood; 1615 grooten A groote
1608de bet. van de zin is: ph is flauwe kul, en moet afgeschaft worden
1613prullevaars; prulschrijvers; conjugeeren: vervoegen (van een werkwoord)
1614knuppeldicht: hekeldicht; deklineeren: naar beneden halen
1617 vollen C volle; 1629 certyn A sertyn; 1634 nu A nou
1622plane: groot, wijd. Dit en vele andere woorden van dit minnedicht zijn ontleend aan de rederijkerstaal in de 16de eeuw.
1632ruwyn: ruïne, ondergang
1634dangieren: ellendige toestand
1642 toch A C tog; 1652 de Dom A den Dom; 1654 Eer C Een; 1660 na C naar
1641verstaa ik me op het rymen niet: heb ik geen verstand van het rijmen
1650door den tyd: mettertijd
1656trouwanten: lijfwacht
1670 zy A hy; 1680 eens A een; 1687 zel C zal; duivel C pikken; 1692 zelt C zult; 1695 dreigen A drygen
1670rechtevoort: nu, op het ogenblik
1671ter goeder trouwen: voorwaar
1686verkoft: Hans wil zeggen: zij is mijn liefje, en jij moet er afblijven
1691de lenden smeeren: afranselen
1695aan 't spit: aan de degen
1696 grooten A groote; 1699 meen C mien; 1720 zelt C zult; 1721 na C naar
1696ten eersten: dadelijk
1699ruggestuk te meeten: af te ranselen
1712rottingolium: stokslagen, met een rotting.
1734 zlet C zult; 1735 exelentie C exellentie; 1738 is C 's een; 1739 's A is
1730zet de zaak klem: zet kracht bij
1733bruit my niet: raakt mij niet
1739gearresteerd: afgesproken
|
|