|
|
|
| |
| | | | | |
| |
Vyfde bedryf
Eerste tooneel
Klaar, Hans
Klaar zingt onder het schikken van 't huisraad
Wat is de waereld raar, en vol veranderingen!
Ja, d'een moet huilen, en den ander hoort men zingen.
Mevrouw van Schraalenstein is vrolykjes van geest.
1750
Zie daar, daar staat den brui: 't is lang genoeg geweest;
Ik werk niet meer, o neen, 'k zal by den selleweeken 1751
Myn juffers handjes niet meer in koud water steeken.
'k Ben nou tog ryk genoeg: waarom zou ik het doen?
Je hebt gelyk Mevrouw: jou liefste heeft tog poen.
1755
Nou ken jy in een koets, als and're juffers ryën,
Met knechten achter op, en paasjes van ter zyën 1756
Beneven de koetsier. Heer! wat zal dat een pracht
En staatsie zyn, mevrouw! wat zal jy zyn geacht!
Wat ken je mooij vertellen.
Daar word gescheld
1760
Hofmeester doe eens op: ik hoor daar iemant schellen. 1760
| |
Tweede tooneel
Jan, Klaar, Hans
Myn suikerbekje! kom ik nou niet gaauw weêr hier?
'k Heb zulken groot pleizier
In jou gezelschap, dat ik langer niet kon wachten.
Zo speult jou beeldtenis my ook in myn' gedachten.
1765
Ik zal jou liefde ook wel beloonen, dat 'k wel weet.
Ik laat jou maaken zulken kostelyken kleed,
| | | |
Dat ieder, die 't zal zien, zyne oogen uit zal kyken.
De grootste dame zal by jou een dienstmeid lyken.
Ik heb een mode voor je alleen gepraktizeert.
1770
Een nieuwe mode, liefste?
Dat ik 't beduiën zal. Hoor toe: 't is myn begeeren,
Dat je een bonnet draagt, die heel mooij met paauwe veêren,
In plaats van pluimen of senielje, is opgedaan; 1773
En recht voor 't voorhoofd zal het ad'lyk wapen staan
1775
Van Schraalenstein, op die manier als de granaaten,
Die op de mutzen zyn genaaid van de Soldaaten.
Maar dat is al te vreemd.
Dat lykt zo in het eerst.
Maar als je 't voordoet, zel je elk volgen, om het zeerst.
Die paauwe veêren met dat wapen zou niet vleien. 1779
1780
Dat 's om den adel van 't kanailje te onderscheiên;
Want hedendaags is al te weinig onderscheid;
Al wat een juffer draagt, durft tans een kaale meid
Ten eerste nadoen om een snoeshaan te behaagen: 1783
En dat 's er dan belet als juffers wapens draagen. 1784
1785
Ik zou beschaamd zyn, wech, zy lachten me uit op straat.
Neen: al wat de adel draagt, hoe koddig, t' is nooit quaad.
Voorts meen ik jou een kleed van goud of zilverlaaken,
Fraai, op zyn oud romeins, of grieks, te laaten maaken,
Waar van de sleep, op 't minst, moet dertig ellen zyn,
1790
Vol wapens geborduurd van goud, niet vals, maar fyn;
En deze sleep zal ik van paasjes laaten draagen;
Dan zal je zitten op een' grooten zegewagen,
Gelyk een Schipio, of als een' Hanebal.
Daar wordt gescheld, en Klaar doet open
‘'k Geloof warentig, die Baron wordt dol, of mal.
1795
Hoe zeg je broertje lief?
Niets: maar het lykt wel gekken.
Zwyg stil vent, of jy zult den wagen moeten trekken.
| | | | | |
| | Derde tooneel
Karel, Sofy, Charlotte, Konstance, Jan, Klaar, Hans, Fop. Twee knechts van Karel
Myn waarde lief, ik hiet u welkoom in ons huis.
‘De duvel! 'k ken dien vent, 't is hier voor my niet pluis!
En ik meen het ook zo, zuster.
‘Is hy 't? of is hy 't niet? ja ja, het is de vent,
‘Ik hoop dat hy me in dit Baronnen pak niet kent.
Wat is dit voor een heer? 't zal den Baron ligt weezen.
‘Och! ik begin te vreezen!
1805
Myn heer, 'k heb de eer van u...
Ik hiet jou wellekom; maar ik vertrek, ma foi!
Het zou me spyten dat ik je zou diverteeren. 1807
Myn heer zal ons vereeren
Met zyn gezelschap... maar... hoe lykt die heer na Jan!
Jan tegen alle elk bezonder.
U zo niet laaten gaan. Indien 't u zou behaagen...
Ik heb u ééne zaak te vraagen.
Heb ik den heer Baron voor dezen nooit gezien?
‘Daar heb je nou den brui. 't Kon weezen, heer, misschien; 1814
1815
Maar hebje me gezien, zo is 't geweest in Poolen.
Baron, wat kan een mensch raar in zyn meening doolen!
'k Zou zweeren dat gy een van myn Soldaaten waart,
Die laatst gedezerteert is met myn beste paerd.
Zes maanden is 't geleden.
| | | |
1820
Dien tyd is myn Lakkei me ook met een paerd ontreeden.
‘Ja wel, 'k zou zweeren, dat de schurk dezelfde was.
‘Hoe zal 't hier met me gaan... Myn heer, 't komt niet te pas,
Dat jy een man, van myn karakter, durft gelyken
By zulken gaauwdief. 'k Zweer, ik zal je laaten blyken
1825
Wie dat ik ben, als was 't morbleu met dit rapier.
Myn heer vergeef het my, wy hebben geen pleizier
Om heeren van fatsoen tot vyanden te maaken.
‘Hoe pikken zal ik uit dien vent zyn klaauwen raaken? 1828
Myn heer 'k vergeef het je, en vertrek met jou verlof.
1830
‘Myn liefste, gy vergreept u aan dien heer te grof.
‘Het is de zelfde schurk, ik wil 'er wel op zweeren;
‘Hy is veranderd, door die pruik, en deze kleêren.
Uw dienaar dan, tot flus.
Baron, hoor nog één woord.
‘Ik bid u, dat gy hem door vraagen niet verstoord.
Die 's Ernestus, Mouris, Stokski,
Starost Lakkeiskie, en Waiwode van de Bokski,
Heer van pasmentengoud, en kroonslakkei van 't plein,
Baron en erfheer van het land van Schraalenstein.
Dien titel hoeft de heer Baron zich niet te schaamen.
1840
Ja, dat is blind voor jou, want dat zyn Poolsche naamen. 1840
‘Ik zal hem evenwel betrekken. Dat 's een guit! 1841
Uw Serviteur, Baron. Klaar, lei dien heer eens uit.
Kom zoete Klaartje, kom myn schat, myn uitgeleezen;
Jy zelt myn Baronnes, als ik beloofd heb, weezen.
Als Klaar en Jan aan de deur zyn, roept Karel schielyk
1845
Jan! Jan! hoor hier nog eens!
Jan antwoord schielyk
Myn heer ik heb geen tyd!
| | | |
Karel trekt zyn degen
Ha schelm! uw' naam is Jan! gy zyt het leeven quyt!
a Sa! geef uw geweer. Gy kunt nu niet ontkennen, 1847
Jan trekt zyn degen
Wel vent, de drommel moet je schennen; 1848
1850
Och! och! ik ben ontsteld! hou op! hou op! myn lief!
Loop t'zaam na binnen, de lakkeijen moeten blyven.
| |
Vierde tooneel
Karel, Jan, twee lakkeijen, Hans, Fop
't Za mannen, vat hem aan.
o Seldrement! gantsch vyven! 1852
Zy neemen hem zyn pruik en degen af.
Beken goedwillig, waar myn paerd gebleeven is,
En wat gy voor hebt, schelm.
Jan knielende
1855
Ik zal het altemaal, gelyk het is, verhaalen.
Jou paerd is dood; maar 'k wil de waarde graag betaalen.
Kap'tein, ik heb het dood gereên!
Maar 'k heb wel geld om te betaalen, wees te vreên.
Neen gy zult hangen, schurk, messieurs die dezerteeren
1860
En paerden steelen, moet de hapscheer klimmen leeren. 1860
Och! zo barmhertigheid nog woont in jou gemoed,
Neen: dat gaf aan and'ren voet
Tot schelmeryen. 'k Geef 't den krygsraad voort in hande.
| | | |
Och! goede heer Kaptein! behoed me voor die schande;
1865
'k Zal jou weêr dienen als een braaf soldaat moet doen.
Die eens een' schelm is zal men 't altyd van vermoên.
Laat al de juffers vry gerust hier weder keeren.
Kom hier vry weêr, hy zal geen mensch nu kunnen deeren.
| |
Vyfde tooneel
Konstance, Sofy, Charlotte, Klaar, Jan
Karel, twee Lakkeijen, Hans, Fop
Och, och, verschoon me, want ik ben van goeje lui
1870
Met eere voortgebrocht. Myn volk is al den brui 1870
Bekend voor deugdzaam. Ach kaptein, 'k ben van de vromen, 1871
Gelyk je ziet, en weet, en hoort, en tast, gekoomen.
'k Zal my bedenken; stel je een weinigje te vreên. 1873
Maar zal ik hangen? och! Kap'tein, ei zeg...
1875
Gy zult niet hangen, Jan, maar door de spitsrôe loopen, 1875
Zo gy een paerd, zo goed als 't myne was, kunt koopen.
'k Bedank je dan kap'tein; maar 't kitt'len op myn' huid
Staat me ook niet aan; ik bid stel dat een jaartjen uit.
Wy zullen zien. Maar zeg, oprecht, en zonder liegen,
1880
Wie dat die graaf is. Pas me op nieuws niet te bedriegen. 1880
Kap'tein, ik heb hem eerst gevonden te Parys;
Hy is een Uitrechts heer, van adel, braaf, en wys.
Wy kreegen kennis in een herberg door het speelen;
'k Wierd zyn lakkei, maar met konditie van te deelen
1885
Al wat wy wonnen door knaphandigheid en kunst.
Ik drong in 't kort zo in dien goeden heer zyn gunst,
| | | |
Dat 'k van hem krygen kon al wat ik maar begeerde;
Zo dat ik, als een prins, gestadig teerde en smeerde; 1888
Nu was ik eens lakkei, en dan eens weêr een heer;
1890
'k Ben munnik ook geweest; baron, en nog al meer.
Dan hebt gy u geneerd, naar 'k merk, met beurzesnyën? 1891
Daar ben ik te eerlyk toe, tot zulke schelmeryen;
Neen, neen, wy wonnen 't geld heel zuiver met de kaart.
Ik steel myn leeven niet.
Hoe kreegt gy dan myn paerd?
1895
Dat was uit hoogen nood, tot berging van myn leeven.
Ik heb in 't zin gehad je 't paard weêrom te geeven,
Of wel de waarde, in goud of zilver, zo je wilt.
Gy oppermeester van het valsche dobb'laars gild,
'k Begeer geen geld dat met bedriegen is gewonnen.
1900
Maar biecht recht op: zoudt gy aen ons niet zeggen konnen
Hoe dat de naam is van dien Graaf, uw' kammeraat?
Zyn naam is Lodewyk: maar 'k weet niet van zyn staat,
Als dat hy te Uitrecht, en van adel, is gebooren.
Als hy hier komt zel jy de rest wel van hem hooren.
Hoe heeft hy my bekoord door zyne listigheid!
o Schelm! o Vagebond, wat heb jy al gelogen!
En my, onnoz'le duif, zo schandelyk bedrogen!
Mevrouw de Baronnes, dat is je rechte loon.
1910
Wat staan jou zaaken nou bezonder fraaij, en schoon!
Nou ken je ryên op een' gouwen staatsie wagen
Na Polen. Laat je sleep van dartig ellen draagen
Van paasjes, jou Baron zal volgen; loop voor uit.
Verwyt je my dat nog! je bent hofmeester, guit.
1915
Kom laat me nou maar gaan: ik zal het geld gaan haalen.
Neen, hou hem vast; de schurk zal 't met den hals betaalen.
Och! nou weer hangen? och! je gaf me flus pardon! 1917
Hoe, dacht gy, dat ik u ook niet bedriegen kon?
Gy hebt zo veel bekend, myn' gramschap zo ontsteeken,
1920
Dat ik geen woord meer van genâ wil hooren spreeken.
't Sa mannen, brengt hem weg, en bindt den schelm wel vast.
| | | |
Volbrengt terstond myn last.
Wat onbarmhartigheid! och! och! wie zou 't gelooven?
Voort, voort! tsa mannen brengt hem boven,
1925
En zet hem op de zaal gevangen, tot dat ik
Zyn kameraad ook heb, en ze allebei beschik 1926
In handen van 't Gerecht, om hunne straf te ontfangen.
Och! wie had ooit gedacht dat ik zou moeten hangen!
Och Klaartje, spreek een woord ten beste, zoete kind!
1930
Je weet het immers dat ik jou zo heb bemind. 1930
Bedrieger! schelm! schavuit! ik wil niet voor je spreeken;
Ik helpje liever hals, en kop en beenen breeken.
| |
Zesde tooneel
Karel, Sofy, Konstance, Charlotte, Klaar
Helaas! wie had gedacht op zulk een ramp, o spyt!
'k Ben door dat snood bedrog byna myn zinnen quyt!
1935
Myn kind, ontstel zo niet.
Zou ik my niet ontstellen?
Men zal dit snood bedrog, dit schelmstuk voort vertellen,
En my bespotten om myne al te losse min! 1937
Ik bid u, zuster, stel die droefheit uit uw' zin.
Ik zal, zo lang ik leef, die droeve ramp betreuren
1940
En ligtgeloovigheid. o Hemel! kan 't gebeuren?
Het schynt onmoog'lyk dat een heer, zo braaf, beleefd,
Die zo veel tekens van een' eed'len afkomst geeft,
Bequaam zou zyn om zulken schelmstuk te verzinnen!
Myn zuster pryst hem, ja zy schynt hem nog te minnen?
1945
Ik weet niet of ik haat of min; 'k vloek zyn bedrog:
Maar min, in weerwil van my zelfs, hem echter nog.
Och! juffrouw! daar is nou voor ons niet meer te hoopen!
Myn heer zal myn baron, gelyk je weet, opknoopen;
En hoe het met den graaf, jou vryer, zal vergaan,
| | | |
1950
Dat zullen we, als hy hier gekomen is, verstaan;
En daarom raad ik jou, dat wy maar met ons beiên
Na Brabant gaan, om in het klooster te beschreiën
Al 't geene ons is gebeurd. Wy hebben ook wat schuld;
1955
Omdat hy nog niet koomt. Charlotte, ik moet u vragen,
Hebt gy wel moeds genoeg, om 't schreien, en dat klaagen
Wat in te toomen, als die minnaar hier verschynt?
't Is nodig dat gy u wat kloek houd' en verpynt; 1958
Want als hy merkte dat gy hem niet kost vergeeten,
1960
En nog beminde, zou hy...
Ach! hoe kan ik 't weeten?
Maar neen, 'k kan zonder my te ontstellen, hem niet zien.
Dan moet gy weg gaan, als hy koomt.
Als jy hem ziet, dan zal je zeggen van den kaerel:
Hoe komt hy daar toe: 't is een man gelyk een paerel.
Daar word gescheld, en Klaar doet op
1965
Mevrouw, koom gaan wy; hy zal 't mooglyk zyn, ach my!
Wees niet verschrikt. Gaa met malkaêr wat aan een zy,
Zo gy nieuwsgierig zyt om onze reên te hooren;
Maar wil vooral, eer ik 't gebiede, ons niet verstooren.
Daar is de graaf, juffrouw. Wil voort na binnen gaan.
o Neen ik durf wel blyven staan.
Flus waart gy zo ontsteld, nu schynt gy niet te schroomen.
| |
Zevende tooneel
Lodewyk, Karel, Klaar
Heer kapitein, 'k heb de eer, op uw verzoek te komen....
‘Gy koomt van pas. 't Is waar, ik heb het zo begeerd.
Maar, waar heeft myn heer geleerd
| | | |
1975
Met my zo onbeschaamd te schertsen, en raljeeren? 1975
Doe dat ter plaats daar gy gewend zyt te verkeeren.
Heer kapitein, ik ben zo'n groet'nis niet gewend,
Het is een teken dat myn heer my nog niet kent.
Van uw beleeftheid had ik andere gedachten.
1980
Myn heer dat zy zo. Maar ik bid u, zoudt gy achten
Dat iemant schuldig is, wanneer hy wordt gehoond,
De heer kap'tein verschoont
Zich zelfs bezonder vreemt; want ik kan niet bedenken 1983
My in myn eer te krenken?
1985
Myn stamhuis smaad te doen?
Dat is een duist're taal.
‘Wat zal ik denken van dit wonderlyk onthaal?
‘Zou hy iets merken van de list, die 'k heb verzonnen?
Gy staat verzet, myn heer. Maar vindt men wel Baronnen 1988
In Polen van dien naam gelyk uw neef heet? Jan,
1990
Baron van Schraalenstein?
Neen, dat 's een misslag; want dat land leit niet in Polen.
Ik hoor zo van uw' neef. 1992
Van hem? zyn' zinnen doolen.
Het schort hem in 't verstand. ‘Nu merk ik dat de guit,
‘Die hondsvot, myn lakkei, de zaek hier heeft verbruid.
Hou op met meer te liegen;
Ik zweer, gy zult my, als de juffers, niet bedriegen!
Lodewyk trekt zyn degen
Nu hebt gy my gehoond, a sa, dat schelms affront
Zult ge u beklaagen. Gy zult kloppen op den mond; 1998
Ik zal niet met u vechten,
2000
Maar laaten dat den beul met u, o schelm, beslechten.
| | | | | |
| | Achtste tooneel
Hans, een lakkei van Karel met de degens uit, Karel, Lodewyk, Klaar
't Sa mannen, vat hem aan!
Verweer u dan alleen; maar naar ik merken kan,
Gy moet myn gevangen weezen.
Zo gy onschuldig zyt, hebt gy geen straf te vreezen.
2005
Staa af, gy rekels, of ik stoot u in den huit.
Nu heb ik uw geweer; maakt aanstonds nu besluit,
Om in 't gevangenhuis uw' zaak te defendeeren.
Zoudt gy een edelman, als ik ben, affronteeren?
't Zal u berouwen, dat gy my dus dwingt met macht.
2010
Uw eigen toeleg heeft u in den nood gebracht.
Beken nu wie gy zyt, 't kon u tot voordeel strekken,
En wil my verder tot geen gramschap meer verwekken.
Uw knecht, die Jan heet, heeft het gansche werk bekend;
Hy zegt, dat ge edel en van goeden huize bent,
2015
En hier gebooren; zo gy my dat kunt betoonen,
Geef ik myn woord, dat ik u verder niet zal hoonen.
Dat is nog redelyk. Myn heer, gy spreekt zeer goed.
Weet, dat ik niet ontaar van 't oud en aad'lyk bloed 2018
Van myn geslacht, dat eer in luister plag te weezen
2020
Door dapp're daaden; doch, hoe hoog in top gereezen,
Is 't door den tyd verarmd; en ik ben maar alleen 2021
Nog overig, en zwerf met veel rampzaligheên.
Geperst door armoê, heb ik jong ons huis verlaaten,
En my begeeven by een kompanjie soldaten,
2025
Daar ik my als kadet veel jaren by bevond. 2025
Maar laas! 't fortuin heeft my haar' gaven niet gegond! 2026
Ik wierd gevangen, zo dat ik in Vrankryk raakte,
| | | |
Daar my de tegenspoed nog verder moed'loos maakte.
Myn ov'rig leeven, heer, is van een' and'ren aart;
2030
Maar 'k heb de deugt, in al myn tegenspoed, bewaard,
Zo veel als 't de armoede, en de nood heeft konnen lyden.
Gy hebt verstand, en weet, dat deugd en armoed' stryden
In 't zuiverste gemoed, wanneer 't geen uitkomst ziet.
'k Dagt my door listigheid te redden uit 't verdriet;
2035
Maar vind me op 't onverwagtst in mynen waan bedrogen.
Myn heer, ik word met u door dit verhaal bewogen;
Maar gy verzuimt aan my te melden hoe gy heet.
'k Ken hier al d'adeldom, zo ik niet beter weet. 2038
Myn heer, ik zou myn' naam niet graag aan u ontdekken.
Het kan u niet tot voordeel strekken.
Van Kaalenhuizen, maar...
Van schrik! is 'tmogelyk, zou dit de waarheid weezen?
Hoe zyt gy zo ontstelt? dat 's raar! wat doet u vreezen?
2045
Myn heer, mislei my niet. Dat ik my zo ontstel,
Is zonder reden niet. Maar zeg my, weet gy wel,
Dat ik de magt heb, om naauwkeurig uit te vinden,
Of gy de waarheid spreekt? ik ken nu al uw vrinden, 2048
'k Blyf voor altoos u verplicht,
2050
Indien uw' goedheid my in deze zaak verlicht.
'k Liet hier, toen ik vertrok, een' zuster met een' moeder.
En niemand meer, als die?
o Neen: myn jongste broeder
Was korts voor myn vertrek gestorven.
‘'t Is Lodewyk, die zo veel jaaren is gemist.
2055
Myn heer, ei zeg my, zyn zy beiden nog in 't leeven?
Zyt maar gerust: 'k zal u terstont voldoening geeven. 2056
| | | | | |
| | Negende tooneel
Lodewyk, Hans, Lakkei
Hoe beeft myn hart van schrik! de vrees ontroert myn bloed!
Wat baart dit voorval my verand'ring in 't gemoed!
Wat of hier zal geschiên? hy gaat alleen naar binnen.
2060
'k Kan niet bespeuren wat hy met my zal beginnen.
| |
Tiende tooneel
Karel, Sofy, Lodewyk, Lakkei, Hans
Myn lief, bezie dien heer met aandagt.
Sofy, Lodewyk omhelzende
Myn zuster! 'k ben verheugd,
Nu ik u weder zie! waar is Mevrouw, myn moeder?
Sofy. Die woont te Brussel, daar ze om u, myn' waarde broeder,
2065
Gestadig treurt, om dat ze u nooit denkt weêr te zien.
Zy zal verheugd zyn als ik u haar aan koom biên. 2066
Haal Jan nu hier, en laat myn zuster ook vry komen,
En... maar zy zyn daar, 'k denk zy hebben reets vernomen
| |
Elfde tooneel
Konstance, Charlotte, Klaar, Jan, gebonden, Fop, Hans, twee Lakkeien van Karel, Sofy, Klaar, Lodewyk
Jan, van de Lakkeien vastgehouden wordende
Och, nou moet ik hangen! ja.
2070
Myn heer kaptein, 'k bid om pardon! genâ! genâ!
'k Ben zo onnozel in de zaak als 't eerstgebooren 2071
Zwyg wat stil! men kan hier zien noch hooren.
| | | |
Strak zult gy weeten of gy hangen zult, of niet.
Myn heer, 'k omhels u, en ik hoop dat gy 't verdriet,
2075
Dat ik u aandeed, my van harte zult vergeeven;
Wy moeten met malkaâr in zuiv're vriendschap leven.
'k Leef met uw zuster in oprechte liefde en min.
Jy hoeft nou niet te vreezen;
2080
Met jou is 't blydschap, maar met my zal 't hangen weezen!
Och pompernikkel! och! och! och! myn heer kap'tein! 2081
De duvel haal dien naam, Baron van Schraalenstein!
Ach myn Charlotte, die ik eeuwig zal beminnen,
Wat heb ik al misdaan! 'k bid, wil u zelf verwinnen;
2085
En laat uw gramschap my niet treffen, schoone maagd.
Zo u een Edelman in plaats van Graaf behaagt,
Maak dan een einde van myn' al te droeve plaagen,
En laat my door de min niet quynen al myn' dagen!
Myn heer, hoe kan ik? gy hebt ons zo veel misdaan.
2090
Ei zuster 'k bid u, neem myn waarden broeder aan;
Schoon hy geen rykdom heeft, wat is daar aan gelegen?
Vrouw moeder, na ik merk, is ook tot hem genegen,
En die bezit zo veel, en zulken grooten schat,
Dat gy wel leeven kunt...
Mevrouw, hoe vat ik dat? 2094
2095
Van welken kant zou dat geluk ons overkomen?
‘Ja, ja, dat zyn yd'le droomen,
‘Nou denk ik, dat Sofy mê fraaij bedrogen is.
Sofia, meent gy my? ik heb niet veel.
Hebt gy my niet gezegt, myn Karel, dat zy schatten
2100
En groote inkomsten heeft? hoe kan ik dit nu vatten?
Mevrouw wil veinzen, en zy toetst u maar, Sofy. 2101
| | | |
Och! moet ik hangen? och! kapteintje lief! och my!
Het moet 'er toch eens uit. Myn lief, wil 't my vergeeven,
Gy zyt misleid; en ik heb hier in wat misdreeven,
2105
Het is in weerwil van myn eigen zelf geschied.
Ik hoop ons altemaal te helpen uit 't verdriet.
Het ampt dat ik beklêe doet my op beter hoopen.
Och! och! ik bidje dat je my niet op wilt knoopen!
Genade voor den heer Baron van Schraalenstein!
tegen Jan, Karel tegen Lodewyk
2110
Zwyg zeg ik. Broeder weet ik ben een kapitein.
Als 't hem gelieft kan hy met my na Brussel trekken;
'k Zal daar myn vrinden voort de gansche zaak ontdekken,
En maaken dat hy haast een officiers plaats kryg'.
2115
Maar 'k voel myn hart van schrik al in myn schoenen zygen.
Heer broeder, 'k neem het aan; maar echter 'k kan niet zwygen,
Dat ik verwonderd ben van 't geen mevrouw ons zegt.
Heeft zy geen hofstede, en zag ik geen boere knecht
Verscheiden' zakjes geld nog deezen dag hier brengen?
Neen dat zou ik niet gehengen.
Ik speelde voor dien boer, jy rook niet wat 'er school;
En al dat vraagen deed men my maar om de kool. 2122
Maar kort daar aan quam hier een waal, die veel juweelen
Heeft aan myn lief verkoft.
Un dief, hum zou ze steelen,
2125
Zo mooi was de juweel, die ik jou heb verkoft.
Ik was de waal, myn heer.
Zo zyt gy mede een' schoft.
Wy hebben dan malkaêr, nâ 'k merken kan, bedrogen?
Ja graaf, ik heb 'er me geen kleintje by gelogen.
Maar evenwel, als ik bedenk, wat my myn waard
2130
Van zekere erf' nis uit Oostinje heeft verklaard,
| | | |
Gaat alles wat ik zie myn klein verstand te boven.
Dat hebben wy aan al de waereld doen gelooven.
Mevrouw heeft buiten 's huis den adel gebraveerd; 2133
Maar altyd hebben wy heel sobertjes geteerd
2135
In onze keuken, om de rest weer goed te maaken;
Op hoop dat Juffrouw aan een man van staat zou raaken. 2136
Ik heb schier al myn geld voor haar reets opgezet: 2137
En daarom zocht ik jou te lokken in het net,
Opdat ik myn verschot daardoor zou weder krygen. 2139
2140
Myn broêr, en vryër ook...
Gy kunt de rest maar zwygen.
Heer broeder, ik moet my nu schikken naar uw raad.
Gy moet niet trouwen, want gy zyt nog niet in staat,
Om zuster als 't behoord te kunnen maintineeren. 2143
Wy zullen met malkaêr naer Brussel weder keeren.
2145
Kom Hansje, laaten wy maar trouwen: 'k heb berouw.
Neen, neen, jy Baronnes van Schraalenstein, mevrouw
'k Begeer jou niet. Ik ben jaloers, en mal van zinnen
Je kunt dien kaerel, die nou hangen moet, beminnen.
Heer Lodewyk, ga meê na Brussel, blyf ons by.
2150
Dat zal ik doen, myn lief, zo 't u behaaglyk zy.
Het smert my zeer dat ik den trouwdag uit moet stellen.
'k Wil dat gy deeze zaak aan niemand zult vertellen
Men spoel de zwarigheid eens af met held'ren wyn.
'k Vrees, dat het water nu al lang verkookt zal zyn.
2155
Hoe staa je 'er me, Baron? Begin je al dorst te krygen?
Myn heer kap'tein, zie daar, nou ken ik niet meer zwygen.
Zo jy me hangen laat, zal ik het al den brui,
Wat hier gebeurd is, voortvertellen aan de lui!
Als jy ge .. han .. gen? neen ik.
| | | |
2160
Ik wacht zo lang niet, pry; maar eer ik dood ben meen ik. 2160
Vergeef het Jan, myn heer.
Maar hoe zal ik het met myn krediteuren stellen?
Ik ben vol schrik wanneer ik iemant aan hoor schellen.
2165
Betaal die uit het geld dat ik u zond, mevrouw.
'k Zal zien, hoewel ik dan heel weinig over hou.
| |
Twaalfde tooneel
Lodewyk, Jan
Vaart wel myn titels van Ernestus, Mouris, Stokski,
Starost Lakeiski, en Waaiwooide van de Boxki;
Jy waart maar beesten; want je hulpt my in den druk;
2170
Ik zoek, met kaale Jan, voortaan weêr myn geluk.
Jan, ik gaa binnen, om te zien hoe wy het maaken
Met onze dingen; 'k hoop in 't kort op reis te raaken 2172
Na Brussel. Haal ons goed hier, en betaal den waard;
En met de dienaars kunt gy zien hoe dat gy 't klaart; 2174
2175
Gy kunt hen voor hun dienst, zo veel 't u goeddunkt, geeven.
| |
Dertiende en laatste tooneel
Jan alleen
Dat zel je missen, broêr; je ziet me van jou leven
Niet weêr, dat zweer ik. Bloed! wat was ik daar bekneld!
Ik meen my zelve te bedienen van jou geld
En 't myne, dat ik heb, en denk zo ver te loopen,
2180
Dat jy ten derdemaal geen macht hebt me op te knoopen.
Vaart wel bedriegers! en jy ook, heer kapitein!
Gy zyt gegroet, van my, Baron van Schraalenstein.
Jan loopt schielyk de deur uit.
Einde van het vyfde en laatste Bedryf.
|
1750 den C de; 1752 koud A kouwd; 1763 gezelschap A gezeltschap; 1764 beeldtenis A beeltenis
1751by den selleweeken: verbasterde vloek
1773 senielje A stenielje; 1775 manier A mannier; 1793 Schipio A Schipo; 1796 den A de
1773senielje: chenille, een soort zijden lint; opgedaan: opgesierd, opgemaakt
1779vleien: passen, staan
1784en dat 's er dan belet: en dat wordt hun dan verhinderd
1798 ‘De duvel! 'k C Och! och! ik!; 1803 den C de; 1810 serviteur A serveteur; 1817 en vlg. luiden in C: 'k zag u gewis voor een van myn soldaat en aan. Die met myn beste paerd onlangs is doorgegaan
1807diverteeren: ophouden, Jan bedoelt: derangeren
1814daar heb je nou den brui: daar heb je nu het gedonder
1820 Dien A Die; 1821 dezelfde A het zelver; 1825 als C al; 1830 in A en B staat Sofy tegen Klaar; 1840 want dat zijn A dat bennen; 1844 Jy C Je
1841betrekken: er in laten lopen
1848 de drommel moet je schennen A je weet wie dat wy bennen; 1852 gantsch A gansch; 1855 zal A zel; 1863 hande A handen
1847geweer: degen, eig.: wapen ter verdediging
1848de drommel moet je schennen: de duivel haal je
1852seldrement! gantsch vyven: basterdvloeken
1860hapscheer: spotnaam voor gerechtsdienaars; met ‘klimmen’ wordt bedoeld: tegen de ladder van de galg op
1864 behoed A behoe; schande A schanden; 1871 kap'tein A kapitein; 1874 kap'tein, ei zeg, A kap'teintje lief; 1880 op nieuws A op 't nieuws; 1882 hy A het
1870al den brui: geheel en al
1871'k ben van de vromen: ik ben van keurige komaf
1873stel je een weinigje tevreen: hou je maar bedaard, kalm
1875spitsroe loopen: een soort van geselstraf aan de soldaten voltrokken, waarbij zij door een dubbele rij met spitsroeden (dun puntig rijshout) gewapende collega's moesten lopen
1880pas op: zorg er voor, denk er aan
1889 eens lakkei C een lakkei; 1895 hoogen A hooge; 1910 nou C nu; 1912 Na C Naar; 1917 me C my; 1921 't Sa A Za
1888teerde en smeerde: lekker at en dronk
1891geneerd: in uw onderhoud voorzien
1922 volbrengt A volbreng; 1924 Voort, voort, C weg, weg! brengt A breng; 1947 niet A niets
1930dat ik jou zo heb bemind: dat ik jou zo bemin
1952 Na C naar; 1969 Na C naar; 1972 uw A u
1958verpynt: goed houdt, uw smart verbergt 1967; reên: gesprek
1975 schertsen A schersen; 1982 hooner A hoonder; 1989 dien A die
1975raljeeren: schertsen, spotten
1998kloppen op den mond: uw woorden terug nemen, door uw hals halen, zie vs. 981
1999geweer: degen, zie vers 1847
2005 in den A in de C in uw D door den; 2006 maakt A en C maak; 2013 heet C hiet; heeft D en; bekend D belydt; 2014 Hy zegt dat ge D Zegt dat gy; bent D zyt
2018ontaar: ontaard, in aard verschil, verbasterd ben
2021door den tyd: in de loop der jaren
2048 nu al uw A nu uwe; 2052 die A hen; 2056 voldoening A voldoenig
2038zo ik niet beter weet: bij mijn weten
2056voldoening geeven: tevreden, gerust stellen
2066aan kom biên: kom voorstellen
2076 vriendschap A vrindschap; 2081 pompernikkel A pimpernikkel; 2084 u A uw' 2089 ons A my; 2092 na C naar
2081pompernikkel: duivel, een soort krachtterm
2094hoe vat ik dat: hoe moet ik dat begrijpen
2101toetst: stelt u op de proef
2103 wil't A wil; 2111 na C naar; 2112 gansche A gantsche; 2114 den A de; 2120 ik ontbreekt in C; 2127 na C naar; 2130 Oostinje C Oostindje
2122om de kool: voor de grap
2148 dien A die; 2149 na C naar; 2153 held'ren A held're
2133den adel gebraveerd: prachtig, weelderig geleefd
2137opgezet: gewaagd, op het spel gezet
2139verschot: mijn uitgeleende geld
2143maintineeren: onderhouden
2169 hulpt A C hulp; 2173 na C naar; 2179 ver A veer; 2181 Vaartwel A Vaarwel; 2182 Gij zijt A Ge bent
2172in 't kort: binnenkort
|
|