|
|
|
| |
| | | |
Bijnamen en familienamen.(*)
| |
[Bijnamen]
W. van Langendonck.
Bijnamen en toenamen hebben altijd wel bestaan en worden steeds opnieuw
gegeven, ook al zijn ze soms onstabiel. Als men van milieu verandert,
verandert vaak ook de bijnaam. In het dorp kun je een andere bijnaam krijgen
dan in de school of op het werk. Naast de bijnaam hebben we in onze
maatschappij ook nog een officiële voornaam en familienaam. En
zoals Dr. J. Molemans reeds uiteenzette(1),
krijgen we van allerlei openbare instanties bovendien een aantal nummers
toegemeten. Waarom komen er dan nog bijnamen aan te pas? Strikt genomen zijn
ze van weinig openbaar nut, hoewel toch niet helemaal onzinnig. Ze kunnen
vaak personen uit elkaar houden met een gelijkluidende naam. Twee Jannen
kunnen we differentiëren door de ene bv. Jan van
Jef en de andere Jan van Sjarel te noemen of de Boer en de Verver. Je kunt natuurlijk
ook de familienamen gebruiken, maar hier raken we nu net de gevoelige snaar.
In een intieme dorps-, school- of werkgemeenschap houden we daar niet van.
De familienaam is te officieel, te stroef. We vervormen hem desnoods, maar
liever nog geven we een pittige bijnaam. En daar stoten we op de voornaamste
bestaansreden van de bijnaamgeving. Gewoonlijk wil de bijnaamgever iets
opvallends tot uiting laten komen in de bijnaam. Niet zelden zijn dat
ongunstige kenmerken, bv. fysische of psychische eigenaardigheden. Hier past
het Engelse spreekwoord ‘A nickname is the hardest stone the devil
can throw at a man’ (Een spotnaam is de hardste steen die de
duivel naar een mens kan gooien).
De twee motieven samen, dus het identificeringsmotief en het spotmotief geven
ontstaan aan een gamma van bijnamen die we | | | | in bepaalde klassen
kunnen onderverdelen. Daarbij zijn tenminste twee verschillende kriteria
mogelijk.
We kunnen de bijnamen indelen op basis van de woordsoort en de woordbetekenis
die de grondslag hebben gevormd voor de naam, bv.
de Wilde: bijvoeglijk naamwoord, betekenis ‘onbeschaafd’;
het Varken: diernaam;
Snuffel: werkwoord;
Suskesjan: persoonsnaam.
Op het eerste gezicht lijkt dit voldoening te schenken; we kennen immers de
etymologie van het woord. Maar bij nader toezicht zien we dat de bedoeling
van de spreker bij eenzelfde woord van geval tot geval kan verschillen. Wat
is bv. de juiste motivering geweest bij een toenaam als Dore
Koei? Koei is natuurlijk de dierenaam ‘koe’,
maar wat weten we daarmee? In feite gaat het verhaal dat Dore ooit eens zijn
koe zo geslagen had dat ze zwaargewond was. Wat is de bedoeling van een
bijnaam als het Varken? De teoretische mogelijkheden zijn
velerlei. Laten we de drie voornaamste even aftasten.
| 1) | Zo'n bijnaam kan op de herkomst wijzen:
| a) | genealogisch (familiaal): het Varken kan al
de naam geweest zijn van de vader van de naamdrager.
Genealogische afkomst is dan het onmiddellijke motief. |
| b) | ruimtelijk: het Varken kan de naam zijn van
het café dat de naamdrager openhoudt of
-hield. |
|
| 2) | Een bijnaam als het Varken kan wijzen op fysische of
psychische eigenaardigheden. De ongelukkige man in kwestie kan fysisch
gelijken op een varken. Ook karakteriële eigenschappen kunnen
door zo'n toenaam gevizeerd zijn: de man is wellicht een smeerpoes.
In beide gevallen hebben we te doen met metafoor of beeldspraak: er
wordt een vergelijking gemaakt met een dier. |
| 3) | Een laatste mogelijke verklaring verwijst naar bepaalde aktiviteiten
door de genaamde ondernomen: de man deed |
| | | |
| iets in verband met
varkens. Bv. hij hoedde varkens of slachtte er, enz. Ook dit steunt op
het gebruik van een stijlfiguur, nl. metonymie. Daarbij geeft men een
bepaald voorwerp, dier, persoon of begrip aan waarmee de bewuste persoon
in betrekking stond en die aanleiding geeft tot de bijnaamgeving. |
Deze opsomming van mogelijke betekenisrelaties tussen de bijnaam en de
genaamde toont wel aan dat we niet genoeg hebben aan een etymologie die
slechts de woordsoort en woordbetekenis van de bijnaam bekijkt. Deze
paradigmatische ontleding is maar een voorwaarde tot de syntagmatische
analyse die de band legt tussen de naam en de naamdrager(2). De drie
belangrijkste relaties die we daarnet al onderstelden voor het geval van het Varken kunnen door drie basisbegrippen weergegeven
worden. De eerste twee zijn van statische aard, de laatste is van dynamische
of aktieve aard.
Ik illustreer dit even aan de hand van moderne bijnamen uit mijn
Centraal-Zuidbrabants dialekt van Tildonk (gemeente
Haacht).
| | | |
A.
Het eerste begrip is STAMMEN VAN.
Dat kan verder zijn: afstamming van een persoon; plaats/huis. De
woordsoorten die men hier vindt, zijn dus al eigennamen: persoons-,
plaats- of huisnamen. Grammatikaal wordt in moderne bijnamen de
relatie meestal uitgedrukt door het voorzetsel van. In mijn dialekt valt het voorzetsel weg als de bepaling
werkelijk eigennaam wordt:
Willy van Irma → Willy Irma;
die van de Pater → de Pater;
| | | |
Willy van Betekom → Willy
Betekom;
die van de Zwartefles → de
Zwartefles.
Geografische herkomst laat zich ook uitdrukken door inwonersnamen,
bv. den Brusselaar, de Kempenaar, Waal, de Duitse, de
Française.
In Limburgse dialekten vindt men tot heden toe nog vaak de genitief
op -s, bv.:
Jefkesmarie i.p.v. Marie van
Jefke.
Dat heeft ook in Brabant bestaan; er zijn nog relikten van: er zijn
veel oudere vormen met van plus genitief-es. Het betreft geen echte dubbele genitief, maar
een verkorting zoals bv. in:
Karel van Jefkes, uit: Karel
van Jefkesmarie,
en niet uit: Karel
Jefkes.
Het gaat hier dus ook niet om een achteraangeplaatste genitief.
| |
B.
Het tweede statische basispredikaat is ZIJN, ZIJN MET, HEBBEN.
Het slaat dus op een zijnswijze, een eigenschap; die is van
fysische, van psychische of van sociale aard. De woordsoorten
die we hier aantreffen zijn meestal bijvoeglijke naamwoorden en
soortnamen. Die zijn vaak vergezeld van de voornaam, net als de
herkomstnamen:
| |
a) fysische: |
b) psychische: |
| bijvoeglijk |
de Kleine
|
de Wilde
|
| naamwoord: |
Dikke Marie
|
Heintje den Droge
|
| |
Zwarte Miel
|
|
| |
Stinkende Virs
|
|
| soortnamen: |
Juul den Reus
|
de Zot
|
We treffen hier ook de stijlfiguur pars pro toto aan: een deel
wordt genoemd voor het geheel, bv.
(den) Baard, uit: die
met z'n baard;
Tist Sik, uit: Tist met z'n sik;
de Tromp (pars pro toto +
metafoor), uit: die met zijn gezicht als een
tromp.
Naast fysische en psychische eigenschappen onderscheid ik ook nog
eigenschappen die een sociale status aangeven, bv. in: Notaris Tuerlinckx, Pastoor Nijs, Boer
Mertens.
| |
| | | |
II.
Benevens die statische begrippen ‘herkomst’ en
‘zijnswijze’ speelt ook het begrip
‘aktiviteit’ een grote rol. De man of de vrouw
in kwestie DEED of DOET dus iets wat aanleiding geeft tot de
bijnaam. Dat kan een eenmalige handeling zijn of een weerkerende,
regelmatige aktiviteit. In mijn dorp werd iemand de
Sjalottendief genoemd omdat hij een enkele keer sjalotten
gestolen had!
Gewoonlijk gaat het wel om een meermalige aktiviteit, meestal een
beroepsbezigheid zoals bij Janneke de Stoker, Suske de
Verver, de Nieuwen Boer, Janneke den Apoteker. Die
regelmatige aktiviteit is niet noodzakelijk een beroep, bv. Gilliam den Hakkelaar z'n gestotter is uiteraard
geen beroepsbezigheid!
Wat de woordsoort betreft heb ik tot nu alleen zgn. nomina agentis
genoemd, d.i. benamingen voor handelende personen. Soms vindt men
voor weerkerende aktiviteiten ook werkwoordstammen zonder meer, bv.
Tist Snuffel voor
‘snuffelaar’.
We treffen tenslotte ook nog zaak- of diernamen aan in
aktiviteitsbijnamen ontstaan door een stijlfiguur, bv.
metonymie in:
Frans Vis: Frans verkocht vis.
Sus Siroop: Sus woekerde met siroop in de 1e
wereldoorlog. metafoor in:
Snoek: die zwom als een snoek (en verdronk
uiteindelijk toch nog).
Tot zover deze summiere indeling van de bijnamen, die op taalkundige
gronden is opgesteld. Op die gronden ga ik hier niet verder in. Toch
lijkt het de moeite waard om het algemene probleem aan te roeren van
de begrenzing van het begrip bijnaam. Het dunkt me logisch te zijn
om van bijnaam pas te spreken als het werkelijk al een eigennaam
betreft; hetzelfde kriterium dus als i.v.m. voor- en achternamen.
Bij voor- en achternamen is de grens met niet-eigennamen gemakkelijk
te trekken omdat ze zo oud zijn, een oude spelling hebben enz.
Maar wat met moderne bijnamen? We vinden hierbij veel woorden die in
de gewone taal nog bestaan, zoals bv.:
| | | |
vis, siroop, snoek;
stoker, verver, boer;
(Jef) van
de brug;
(Sus) met z'n siroop.
Met woorden als vis, siroop, snoek hebben we weinig
moeite: het zijn geen normale persoonsaanduidingen. Dus als zulke
woorden regelmatig tegen iemand gezegd worden, dan zijn dat
uiteraard echte bijnamen. Hachelijker is het gesteld met stokers,
ververs en boeren; zulke termen kunnen bedoeld zijn als gewone
voorzetselbepalingen: van de brug, met z'n siroop:
zijn dat al echte eigennamen zoals de oude familienamen Vanderbrugge of Metdepenningen?
We kunnen hier twee soorten kriteria hanteren: talige (taalkundige)
en buitentalige. Een buitentalig kriterium is bv. de frekwentie van
de benaming. Als die steevast gebruikt wordt, is het misschien al
een echte bijnaam. In het geval van de beroepsnamen kan ik ook
nagaan of de man in kwestie het beroep werkelijk uitoefent of niet,
of niet meer. Is het antwoord negatief, dan hebben we vermoedelijk
met een echte toenaam te maken.
Voor de taalkundige werken dergelijke kriteria vrij frustrerend.
Gelukkig beschikken we over een interessant linguïstisch
kriterium, althans voor mijn dialekt, nl. het aksent (de klemtoon).
Als ik wil weten of een bepaalde uitdrukking al dan niet een echte
bijnaam is, dan luister ik naar het vallen van de hoofdklemtoon
wanneer de uitdrukking in één adem met de
voornaam wordt uitgesproken, bv.
Suske de Vérver - Jââk
de sekretaris
Pauline Van de Póél -
Jéf van de brug
Marie Métdepenningen - Tîst met
z'n sik
Louis Van Géél -
Péér van Bertem
De regel is als volgt: valt de klemtoon op het tweede lid, dus op de
uitdrukking zelf, dan is het een eigennaam, hetzij bijnaam hetzij
familienaam. Valt de klemtoon op de voornaam, dan is het tweede lid
geen bijnaam of familienaam, maar bv.:
een bijstelling: Jââk de
sekretaris;
| | | | een voorzetselbepaling: Jéf van
de brug, Tîst met z'n sik, Péér
van Bertem.
Het ligt voor de hand dat frekwente bepalingen tot echte bijnamen
kunnen evolueren; maar dan verspringt het aksent naar achteren, komt
dus op de bijnaam terecht, bv.:
Jaak de Sekretâris.
In het geval van de voorzetselbepaling is er een bijkomende regel:
voorzetsel en lidwoord (of bezittelijk voornaamwoord) vallen weg:
Jéf van de brug → Jef Brûg;
Tîst met z'n sik → Tist Sîk
Péér van Bertem →
Peer Bértem.
Er zijn gevallen waar de evolutie aan de gang is, overgangsgevallen:
dan krijgen we afwisselend de twee mogelijkheden; autentieke
gevallen zijn:
Gîllam den Hakkelaar / Gillam den Hâkkelaar;
Tîst met z'n sik / Tist
Sîk;
Wîlly van Betekom / Willy
Bétekom.
U zult gemerkt hebben dat bij echte familienamen in het Nederlands
het voorzetsel niet is weggevalen:
Pauline van de Póél;
Marie Métdepennnigen;
Louis Van Géél.
Meestal zijn deze oude namen in het dialekt zo bewaard.
In moderne bijnamen valt het voorzetsel systematisch weg. Dit systeem
treffen we ook aan in Duitse en Engelse familienamen. Het Nederlands
heeft wellicht het Franse voorbeeld gevolgd, vgl.:
Van de Velde - Veld
Deschamps - Feld
Field
| |
[Familienamen]
Laat ons nu overgaan tot de analyse van een lijstje van inz. Limburgse
familienamen, zijnde de namen van de leden van | | | | deze
vereniging. Hierop is dezelfde klassifikatie toepasselijk als op de
moderne bijnamen. Dit laat zich verklaren door het feit dat onze
familienamen ooit zijn ontstaan als individuele bijnamen. Die
individuele bijnamen zijn dan geërfd door de volgende
generaties, waardoor een familiebijnaam ontstond. Die was min of meer
ook nodig doordat er te weinig kristelijke namen waren. In 1811 heeft
Napoleon een dekreet uitgevaardigd waardoor de familiebijnaam
officiële familienaam werd, althans wanneer geen andere naam
werd opgegeven. Een aantal families zullen zich later een dergelijk
verzuim wel beklaagd hebben! Het is niet prettig ten eeuwigen dage
opgeschreven te staan als Piscaer, Moortgat of De Scheve!
Vooraleer tot een indeling van de familienamen over te gaan, moet ik
waarschuwen dat de analyse van eeuwenoude bijnamen aan een serieuze
handicap lijdt. Weliswaar zijn woordsoort en woordbetekenis meestal nog
te achterhalen, maar de motivering, daar hebben we het raden naar. Dat
kunnen we aan de mensen van de 16e, 17e eeuw niet meer vragen! We moeten
dan ook genoegen nemen met theoretische en probabilistische
verklaringen.
| |
I. Familienamen met een statisch begrip als
grondslag.
| |
A.
De meeste familienamen op onze lijst verwijzen naar
‘herkomst’, vooral familiale herkomst, maar
ook geografische herkomst.
| |
a) Familiale (genealogische) afkomst.
In plaats van het voorzetsel van vinden we
in onze oude familienamen meestal een genitief, hetzij een
sterke genitief op -s, hetzij een zwakke
op -en. De zwakke (vrouwelijke) genitief
is typisch voor Limburgse namen: Beerden,
Boonen, Claassen, Daenen, Driessen, Jaenen, Janssen,
Kellen, Maesen, Mennen. Als namen op -s noteren we: Barthels, Brans,
Claessens, Goossens, Hendriks, Lemmens, Segers, Stevens,
Ulrix, Vaessens, Wouters, Wijnants, Geeraedts.
Al deze familienamen zijn uiteindelijk afgeleid uit
kristelijke mansvoornamen van enkele eeuwen terug. Die
voornamen kun- | | | | nen dan verder van Hebreeuwse,
Griekse, Latijnse of Germaanse oorsprong zijn(3). Zo hebben we:
| Barthels: verkorting van de voornaam
Bartholomeus, de naam van een
apostel. |
| Beerden: uit de Germaanse voornaam
Bercht
‘beroemd’. |
| Boonen: Bonifatius. |
| Brans: Germaanse voornaam (Hilde)brand. |
Claassen &
Claessens: Griekse voornaam Nikolaas
‘volkenoverwinnaar’ (martelaar onder
Diocletianus). |
| Daenen: Daniël (bijbelse
naam). |
| Driessen: Andries, apostelnaam Andreas, uit Grieks andreios ‘mannelijk’. |
| Geeraedts: uit Germaans Ger-hard ‘dapper met de
speer’. |
| Goossens: Goos-win ‘Gods
vriend’. |
| Hendriks: Germaans haim-rik ‘woning-machtig’. |
Jaenen &
Janssen: Jan (bijbelse naam). |
| Kellen: (Cae)cilianus / Kiliaan (apostel van de Franken). |
| Lemmens: vleivorm van Lambrecht = land-brecht
‘beroemd in z'n land’. |
| Maesen: Thomas (bijbelse naam). |
| Mennen: Germaanse man-naam, mogelijk Man-hard. |
| Segers: Germaanse voornaam Sigi-hari
‘overwinnaar’ (filosoof Seger van
Brabant). |
Stevaux &
Stevens: Waalse respectievelijk
Vlaamse afleiding van de Griekse naam Stephanos ‘kroon’. |
| Ulrix: Germaans othal-rik
‘heimat-heerser’. |
| Vaessens: Servaes, Latijn Servatius (bisschop van Maastricht). |
| Wouters: Germaans wald-hari
‘legeraanvoerder’. |
| Wijnants: Germaans winand ‘goede
vriend’. |
| |
| | | |
b) Geografische herkomst.
Hier horen de van-namen thuis. l.t.m.
moderne Brabantse en andere dialekten is het voorzetsel in
oude familienamen bewaard en ook het lidwoord als het
veldnamen betreft, vgl.:
Van Heusden: bekende gemeente!
Van Langendonck: er zijn gehuchten van die
naam, o.m. te Knesselare.
Van Dingenen: zou 'n gehucht kunnen zijn.
Het voorzetsel van weerhoudt mij om Dingenen als afleiding te beschouwen van
de vrouwennaam Dimfna (Geel), maar het is niet helemaal uit te sluiten;
het voorzetsel kan ook later toegevoegd zijn!
Afgeleid van veldnamen zijn:
Vandevelde: ‘veld’.
Vandenbosch: ‘bos’.
Van der Donck: ‘hoogte, moeras’.
Van de Voorde: ‘doorwaadbare
plaats’.
Een pejoratieve inwonersnaam is
Walschaerts: Waals-aard = Waal.
Namen op -man zijn meestal ook
herkomstnamen, nl. meer familiare varianten van van-namen, bv.:
Bosmans: Van den bos.
Molemans: Van der molen.
| |
B.
Enkele familienamen refereren aan een zijnswijze van fysische of
psychische aard.
Fysische kenmerken treffen we aan in
de Bruin;
de Jong;
Knapen.
de Bruin en de Jong komen af
van adjektieven die de buigingsuitgang -e
verloren hebben, wat een typisch kenmerk is voor de evolutie tot
eigennaam. Het gaat dus om een voorouder met bruin haar of
gelaatskleur, resp. om een voorvader die vermoedelijk de jongste
in een gezin was. Dat geldt misschien ook voor | | | | de
naam Knapen. Naar de motivering hebben we dus
weer het raden, ook al is de woordsoort duidelijk.
Ik noteer terloops dat deze drie namen een moderne spelling
vertonen zoals de meeste Noordnederlandse familienamen. Dat laat
zich verklaren doordat de Hollandse familienamen later ontstaan
zijn dan de Vlaamse.
Ik heb hier één familienaam die wijst op
een psychische eigenaardigheid, nl. Suffeleers. In ouder Nederlands betekent suffelen hetzelfde als ‘suffen,
slapen’. We kunnen weer allerlei gissingen maken
omtrent de juiste drijfveer tot deze naamgeving.
| |
II. De laatste reeks betreft familienamen
die terugwijzen naar een aktiviteit, meestal wel een
beroepsbezigheid.
We stoten hier maar op één naam met lidwoord:
de Cock, zonder meer doorzichtig. De andere
namen vertonen een genitiefuitgang -s of -en, zoals Brouwers, Meyers, Molemans,
Schepers, Bosmans, Snijders, Wintmolders, Schrijnemakers,
Winnen.
Het is in feite zo dat alle familienamen een aantal stadia doorlopen
hebben. Dat valt niet op bij de genealogische afkomstnamen, maar wel
bij de zgn. beroepsnamen. Het oudste stadium is hier
beroepsaanduiding, daarna individuele bijnaam. In dit stadium is er
nog geen genitiefuitgang en zal men waarschijnlijk gezegd hebben:
de Brouwer i.p.v. Brouwers,
de Moleman i.p.v. Molemans.
Pas wanneer de bijnaam geëerfd werd door de kinderen komt
er een genitief aan te pas die de genealogische afkomst aangeeft.
Het kan ook zijn dat de bijnaam als zodanig overgedraven wordt
zonder genitivering; dat is het geval met de naam de
Cock.
De naam Brouwers behoeft geen verdere toelichting.
Een meier was het hoofd van een dorp of
nederzetting (cfr. le maire).
Wintmolders werkte blijkbaar met een windmolen. Dit
beroep stond hoog in aanzien.
Scheper is een nog steeds gebruikelijke term voor
‘schaper, schaapherder’.
| | | |
Schrijnemaker heet thans
‘schrijnwerker’, d.i. timmerman voor fijn werk.
Snijder is heden nog slechts een
archaïstische of grappige variant van
‘kleermaker’, in Limburgse dialekten echter vaak
nog de gewone benaming.
In Winnen zien we landbouwbedrijvigheid: het woord
win werd vroeger gebruikt voor hoeve of boer.
In dit geval is metonymie in het spel: de zaak wordt genoemd waarmee
het beroep wordt uitgeoefend.
Metonymie schuilt ook in Bussels, Fagot, en Cajot. Bussels en Fagot vormen
overigens een mooi paar! Fagot is Frans voor bussel; bussel is thans Zuidnederlands voor
‘takkenbos’: het maken en verhandelen van
takkenbossen voor brandhout was eertijds voorbehouden voor speciaal
aangestelde personen. Niet iedereen mocht zomaar in de bossen van de
kasteelheer!
Cajot is een Frans verkleinwoord van cage en betekent ‘kooitje’.
Vermoedelijk handelde een man die daarnaar genoemd werd, in
vogelkooitjes.
Daarmee zijn we rond met onze verklaringen. Een kijkje in het archief
zou zeker meer uitsluitsel geven, maar dat lag uiteraard niet in
mijn bereik.
|
(*)Lezing gehouden
ter gelegenheid van de jaarvergadering van de ‘Vereniging voor
Limburgse dialect- en naamkunde’ (Dilsen, 16 oktober 1976).
(1)Zie
Molemans, J. (1976). Mensen namen en nummers.
(Mededelingen van de Vereniging voor Limburgse dialect- en naamkunde 1).
Hasselt. Ook in: Limburg 4, 1976, 145-162.
(2)De paradigmatische analyse in de taalkunde bestudeert de
vormen (in dit geval woorden) die in een bepaalde positie in de zin
kunnen optreden: al die woorden samen noemt men dan het paradigma. De
syntagmatische analyse bestudeert de mogelijke syntagma's, d.i. de
mogelijke kombinaties van taalelementen, i.c. woorden.
(3)Voor de etymologische verklaring werd inz.
gesteund op Molemans, J. (1976): Historisch-naamkundige studie van
Sint-Huibrechts-Lille, (Onomastica Neerlandica;
Monografieën 11). Leuven: Instituut voor
Naamkunde; evenals Carnoy, A. (1953): Oirigines des noms de familles en Belgique,
Ed. Universitas.
|
|