In dit hoofdstuk wordt de participatie van de vrouw in het arbeidsbestel vergeleken met die van de man. Deze beschrijving is slechts middel tot een in hfdst. IV gelegen doel en zal zich daarom ook niet verder uitstrekken dan voor dit doel strikt noodzakelijk is. Hoewel de aandacht uitgaat naar het gebeuren in Nederland, wordt die begrenzing niet absoluut aangehouden, noch in dit hoofdstuk noch in volgende hoofdstukken. Nederland bevindt zich niet in isolement en ontwikkelingen die zich hier voltrekken, doen zich ook voor in andere landen uit dezelfde cultuurkring, zij het met een faseverschil of met een eigen nationaal stempel. Als Nederlandse gegevens ontbreken en ik van mening ben, dat buitenlandse gegevens ook op de Nederlandse situatie van toepassing kunnen zijn, zal ik die spaarzaam gebruiken.
De westerse samenleving vraagt om een ver doorgevoerde arbeidsverdeling. Het arbeidsbestel is te zien. als een uit talrijke subsystemen bestaand sociaal systeem. De arbeidsverdeling vindt plaats door middel van en binnen deze subsystemen en resulteert in een enorm aantal beroepen en beroepsvariaties. De gecombineerde werking van factoren als verandering der maatschappelijke behoeften, en mechanisatie en rationalisatie der produktie doet voortdurend oude beroepen verdwijnen en nieuwe beroepen ontstaan.
Naast deze horizontale structuur vertoont het arbeidsbestel ook een verticale structuur; het is in zijn subsystemen opgebouwd uit hiërarchisch gerangschikte beroepen. Het aantal trappen in de hiërarchie kan vergroot en verminderd worden; in het algemeen lijkt nu de tendens tot uitbreiding sterker dan die tot inkorting. Hiërarchische verschillen weerspiegelen meestal tevens verschillen in intellectueel niveau van een beroep. Zij komen tot uitdrukking in verschillen in geldloon, macht, prestige en zekerheid. Loon- en machtsverschillen komen niet alleen voort uit de verticale structuur; zij kunnen ook bestaan op een zelfde hiërarchisch
niveau als gevolg van verschillen in vraag naar en aanbod van arbeid of van verschillen in machtsvorming door collectief optreden.
In de verdeling van personen over het arbeidsbestel spelen allerhande criteria een rol. Naast de eisen van bekwaamheid die het beroep stelt aan de beoefenaar, kunnen leeftijd, godsdienst, ras, nationaliteit, sekse, sociaal milieu van herkomst e.d.m. die verdeling bepalen, zowel in horizontale als in verticale richting. Ook deze verdeling is niet statisch, hoewel zij een betrekkelijk duurzaam patroon laat zien. - Personen kunnen zich in horizontale en verticale richting door het arbeidsbestel bewegen: zij kunnen wisselen van betrekking, van beroep en van beroepsniveau.
Deze summiere weergave van het arbeidsbestel in zijn structurele kenmerken levert de categorieën voor de vergelijking van de deelneming van mannen en vrouwen in het arbeidsbestel. Omvang en samenstelling van de mannelijke en vrouwelijke beroepsbevolking zijn de uitgangspunten. Deze worden deels bepaald door factoren inherent aan het arbeidsbestel, deels door externe factoren. Beide soorten factoren komen tot uiting in de samenstelling naar leeftijd, opleiding, burgerlijke staat (vrouwen), mate van deelneming (continu of intermitterend, gehele of gedeeltelijke werkweek). Dan wordt de spreiding van mannen en vrouwen over de bedrijfstakken, beroepen en over de hiërarchische en intellectuele niveaus vergeleken, evenals de verticale mobiliteit. Vergelijking naar beroepsprestige, beroepsinkomen en arbeidszekerheid is hier logisch aan gekoppeld. De beschrijving wordt niet verder gedetailleerd dan noodzakelijk is voor de in hfdst. IV volgende sociologische analyse. Toch zijn niet alle gewenste gegevens beschikbaar en moeten zelfs in deze grove schets gaten blijven.
Voor de samenstelling van de beroepsbevolking ben ik aangewezen op gegevens uit de Volkstelling 1960. Toen bedroeg de vrouwelijke beroepsbevolking 928 115 personen tegen de mannelijke 3.240.511; vrouwen maakten dus 22% uit van de totale beroepsbevolking. De vrouwelijke beroepsbevolking vormde 16% van de totale vrouwelijke bevolking; het overeenkomstig getal voor de mannen was 57%.
De vrouwen nemen dus in aanzienlijk mindere mate deel aan het arbeids-
leven dan de mannen. Hoewel ook ongehuwde vrouwen in relatief kleiner aantal tot de beroepsbevolking behoren dan mannen, wordt dit verschil voornamelijk teweeggebracht door de gehuwde vrouwen. 6,8% van alle gehuwde vrouwen werkte in 1960, waarvan 2,5% in het bedrijf van de echtgenoot en 3,9% op andere wijze. Het is welbekend, dat Nederland temidden van de omringende landen een uitzonderingspositie inneemt, dat elders de gehuwde vrouw in veel grotere getale in het arbeidsproces is betrokken.
Tussen 1947 en 1960 is het aantal gehuwde vrouwen dat in het bedrijf van de echtgenoot meewerkte, gedaald; het aantal gehuwde vrouwen dat op andere wijze buitenshuis werkte, steeg daarentegen. Met vrij grote zekerheid is te zeggen, dat deze stijging zich sinds 1960 heeft voortgezet, hoewel dat Nederland niet op het niveau van de omringende landen gebracht zal hebben.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft een prognose gemaakt van de vrouwelijke beroepsbevolking tot 1980. Het verwacht dat het aandeel van de vrouwen in de totale beroepsbevolking gelijk blijft, maar dat de samenstelling ervan verandert, nl. minder jonge meisjes en meer getrouwde vrouwen. Het C.B.S. houdt hierbij rekening met de ontwikkelingen in de werkzaamheid van gehuwde vrouwen zoals die tot 1960 verlopen zijn. Het ziet geen versnelling in het verschiet van het tempo waarin gehuwde vrouwen in het arbeidsbestel worden opgenomen en evenmin een verlangzaming.40 Het laatste lijkt ook onwaarschijnlijk; het eerste minder, om later uiteen te zetten redenen.
Door de geringe deelneming der gehuwde vrouwen wijkt de leeftijdsopbouw van de vrouwelijke beroepsbevolking sterk af van die van de mannelijke beroepsbevolking. Tabel III laat zien dat in 1960 ruim de helft van de vrouwelijke beroepsbevolking jonger is dan 25 jaar. Bij de mannen is dat een vijfde.
Van de gehele vrouwelijke beroepsbevolking vormen de loon- en salaristrekkenden met gedeeltelijke werkweek ruim 7%. Bij de mannen is dit percentage te verwaarlozen. Van de vrouwen met gedeeltelijke werkweek is ruim 40% gehuwd.
Wat hun algemeen vormende opleiding betreft, blijkt in 1960 het aantal vrouwen met ulo-opleiding relatief groter te zijn dan het aantal mannen met ulo. De mannen hebben in grotere getale alleen lager onderwijs (tabel IV). Van de vrouwen heeft 25% beroepsonderwijs genoten tegen 22% van de mannen. Vrouwen hebben vaker een middelbare beroepsop-
| leeftijd | M | V |
|---|---|---|
| 14 | 0,5 | 1,5 |
| 15-19 | 9,0 | 28,4 |
| 20-24 | 11,3 | 22,2 |
| 25-29 | 11,6 | 9,2 |
| 30-34 | 11,3 | 6,3 |
| 35-39 | 11,5 | 6,4 |
| 40-44 | 9,8 | 5,8 |
| 45-49 | 9,7 | 6,1 |
| 50-54 | 9,0 | 5,6 |
| 55-59 | 7,6 | 4,3 |
| 60-64 | 5,5 | 2,5 |
| 65-69 | 1,8 | 0,9 |
| 70-74 | 0,7 | 0,3 |
| 75- | 0,3 | 0,2 |
| 100 | 100 |
gebaseerd op tabel 25 van de 13e algemene volkstelling, 31 mei 1960leiding, mannen vaker een semi-hogere (dit zijn termen van het C.B.S.: onderwijzersakte is bijv. middelbaar, hts is semi-hoger). Wat betreft de lagere beroepsopleidingen is er geen verschil (tabel V), maar daarbij is te bedenken, dat onder de lagere beroepsopleidingen het lager nijverheidsonderwijs voor meisjes een belangrijke plaats inneemt en dat dit maar in bepaalde cursussen het karakter van een beroepsopleiding draagt.
De categorie gehuwde vrouwen is als betrekkelijk recent verschijnsel aparte aandacht waard. Het aantal echtgenoten, dat meewerkt in het bedrijf van haar man is van 1947 op 1960 voortdurend gedaald, met name in de sectoren landbouw en handel en verkeer. De overige gehuwde vrouwen namen toe, in alle leeftijdsklassen maar in het bijzonder in de groep tot 25 jaar.41 Van de gehuwde vrouwen met beroep heeft in 1960 52%
| opleiding | M | V |
|---|---|---|
| lager onderwijs | 84,5 | 80,0 |
| (ra)ulo of 3 j, vhmo | 10,0 | 15,7 |
| vhmo (volledig) | 3,9 | 3,5 |
| hoger onderwijs | 0,2 | 0,6 |
| 100 | 100 | |
| (3.240.511) | (928.115) |
gebaseerd op tabel 25 van de 13e algemene volkstelling, 31 mei 1960
| beroepsopleiding | M | V |
|---|---|---|
| lager | 81,0 | 81,3 |
| middelbaar | 11,1 | 17,5 |
| semi-hoger | 7,5 | 1,2 |
| 100 | 100 | |
| (706.675) | (235.668) |
gebaseerd op tabel 25 van de 13e algemene volkstelling, 31 mei 1960geen kinderen en 33% geen kinderen beneden 6 jaar.42 Van de 86.000 in loondienst werkende vrouwen zonder kinderen heeft 23 % een gedeeltelijke werkweek (15-30 uur), voor de vrouwen met kinderen boven 6 jaar is dat 40% en voor de vrouwen met een of meer kinderen onder 6 jaar 45%.43
| 1899, 31 dec. | 1909, 31 dec. | 1920, 31 dec. | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| bedrijfstak | M | V | M | V | M | V |
| landbouw, visserij en jacht | 512.170 | 80.138 | 528.378 | 112.397 | 550.764 | 90.049 |
| delfstoffen- winning |
14.517 | 1.511 | 20.383 | 2.627 | 42.377 | 3.287 |
| industrie en ambacht | 379.353 | 72.273 | 452.595 | 94.168 | 579.299 | 126.937 |
| bouw- nijverheid |
130.002 | 362 | 153.556 | 339 | 184.419 | 853 |
| openbare nutsbedrijven | 9.199 | 28 | 16.159 | 52 | 30.738 | 744 |
| handel | 168.569 | 40.108 | 203.401 | 47.657 | 234.761 | 66.854 |
| bank- en verzekerings- wezen |
9.915 | 121 | 17.216 | 880 | 37.438 | 8.857 |
| vervoers-, opslag- en communicatie- bedr. |
102.768 | 2.556 | 153.756 | 3.907 | 208.428 | 10.044 |
| dienst- verlening n.e.g. |
121.002 | 44.771 | 142.548 | 71.772 | 182.645. | 109.748 |
| huiselijke diensten | 7.980 | 189.585 | 8.731 | 205.398 | 9.790 | 211.345 |
| restgroep** | 33.915 | 91 | 23.163 | 44 | 28.905 | 922 |
| totale beroeps- bevolking |
1.489.390 | 431.544 | 1.719.886 | 539.241 | 2.089.564 | 629.640 |
| totale bevolking | 2.520.602 | 2.583.535 | 2.899.125 | 2.959.050 | 3.410.135 | 3.455.011 |
| 1930, 31 dec. | 1947 *, 31 mei | 1960, 31 mei | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| bedrijfstak | M | V | M | V | M | V |
| landbouw, visserij en jacht | 545.791 | 109.648 | 578.164 | 168.926 | 406.146 | 40.549 |
| delfstoffen- winning |
47.656 | 1.888 | 52.517 | 1.240 | 59.536 | 1.160 |
| industrie en ambacht | 677.552 | 144.577 | 880.701 | 162.439 | 1.073.153 | 205.475 |
| bouw- nijverheid |
252.878 | 1.120 | 286.831 | 2.092 | 373.551 | 4.613 |
| openbare nutsbedrijven | 32.135 | 785 | 37.800 | 1.238 | 47.899 | 2.161 |
| handel | 319.685 | 104.171 | 325.198 | 156.979 | 375.433 | 194.640 |
| bank- en verzekerings- wezen |
39.874 | 8.289 | 51.367 | 16.232 | 72.609 | 27.549 |
| vervoers-, opslag- en communicatie- bedr. |
230.131 | 9.466 | 238.905 | 18.349 | 268.839 | 22.139 |
| dienst- verlening n.e.g. |
227.571 | 149.293 | 412.458 | 229.557 | 466.927 | 313.560 |
| huiselijke diensten | 9.109 | 234.446 | 5.513 | 183.439 | 2.374 | 114.046 |
| restgroep** | 32.985 | 192 | 53.388 | 3.112 | 94.044 | 2.223 |
| totale beroeps- bevolking |
2.415.367 | 763.875 | 2.922.842 | 943.603 | 3.240.511 | 928.115 |
| totale bevolking | 3.942.676 | 3.992.889 | 4.791.443 | 4.834.056 | 5.706.874 | 5.755.090 |
n.b. De totaalcijfers voor de beroepsbevolking voor 1899-1930 wijken af van elders gepubliceerde cijfers daar de kloosterlingen (voorzover contemplatief) overgebracht zijn naar de categorie zonder beroep.
De omvang van de vrouwelijke beroepsbevolking is bij de verschillende tellingen niet op dezelfde wijze vastgesteld; vooral t.a.v. de categorie in het bedrijf van de man medewerkende echtgenoten en dochters heeft dit tot aanzienlijke verschillen geleid. Speciaal de vergelijkbaarheid van de cijfers voor de vrouwelijke beroepsbevolking in de landbouw en de handel is hierdoor aan beperkingen onderhevig.
In verband met het doel van deze lange-termijn vergelijking, een zo goed mogelijk vergelijkbare cijferreeks samen te stellen, zijn alle voorgaande volkstellingsuitkomsten omgewerkt naar de in 1960 gehanteerde bedrijfsindeling. Ten behoeve van het verkrijgen van vergelijkbare reeksen is in enkele gevallen afgeweken van de bedrijfsindeling 1960. De voor 1947 en 1960 in deze staat opgenomen aantallen per bedrijfstak kunnen hierdoor afwijken van elders gepubliceerde cijfers.
bron: c.b.s. Volks- en beroepstellingen 1899-1960
In deze paragraaf wordt de verdeling van de arbeid tussen mannen en vrouwen weergegeven volgens de op pag. 44 genoemde structurele criteria.
Tabel VI toont de ontwikkeling in de bezetting der bedrijfstakken. Vanaf 1899 daalt het aantal vrouwen in de landbouw sterk, terwijl daarentegen het aantal vrouwen in de industrie verdrievoudigd wordt, een stijging nog sterker dan bij de mannen. In de handel is vanaf die tijd het aantal vrouwen bijna vervijfvoudigd, het aantal mannen ruimschoots verdubbeld. Een haast astronomische toename van vrouwen zien we in het bank- en verzekeringswezen (van 121 tot 27.549) en er is eveneens een enorme toeneming in het vervoers- en communicatiebedrijf alsmede in de dienstverlening. Daarentegen zet in 1947 een daling in van het aantal vrouwen in de huiselijke diensten. Kennis van de bezetting der diverse bedrijfstakken levert slechts een zeer beperkt inzicht op in de arbeidsverdeling tussen de seksen. Bedrijfstakken worden onderscheiden op grond van de aard van de afgeleverde produkten en dat is geen primair sociologisch criterium.
In de beroepsmatige arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen is geen exact inzicht te krijgen, maar ik heb genoeg aan de globale stand van zaken. - Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft voor 185 afzonderlijke beroepen een vergelijking gemaakt tussen de mannelijke en de vrouwelijke bezetting in 1947 en die in 1560. Voor 1960 betreft dit in totaal 52% van de mannelijke beroepsbevolking en 70% van de vrouwelijke beroepsbevolking (zonder medewerkende echtgenoten). Het niet in de vergelijking betrokken deel van de beroepsbevolking bestaat bij de vrouwen voor het overgrote deel uit administratief personeel en ambtenaren, bij de mannen is de samenstelling gevarieerder. Uit deze 185 beroepen is het aantal gehaald waarin minder dan 100 personen (resp. mannen en vrouwen) werkzaam waren. Nevenstaand schema bevat het resultaat.
| < 100 personen | < 100 mannen | < 100 vrouwen | |
|---|---|---|---|
| 1947 | - | 2 | 117 |
| 1960 | 3 | 5 | 110 |
De vrouwen zijn dus geconcentreerd in een veel kleiner aantal beroepen dan de mannen, een situatie die van 1947 op 1960 weinig verandering heeft ondergaan.
In tabel VU is een aantal van de genoemde 185 beroepen opgenomen, namelijk 20 die tezamen 91% van de in 1960 in de 185 beroepen werkzame vrouwen omvatten. Hieruit blijkt nog duidelijker hoezeer de vrouwen geconcentreerd zijn in een klein aantal beroepen, t.w. het onderwijs, functies van huishoudelijke aard, verpleging, winkelverkoop, lagere administratieve en eenvoudige industriële beroepen. In bijna al deze beroepen, behalve de zeer typisch huishoudelijke, is de toeneming in de bezetting tussen 1947 en 1960 aanzienlijk groter dan de toeneming in de totale vrouwelijke beroepsbevolking zonder medewerkende echtgenoten.
Nu is de beroepsmatige arbeidsverdeling wellicht iets minder statisch dan uit deze cijfers blijkt. Zo nu en dan komt men in de pers een berichtje tegen over het eerste vrouwelijke garagepersoneel, de eerste vrouwelijke tekenaars-constructeurs, de eerste vrouwelijke lassers en zo meer. In elektrotechnische bedrijven hebben zij hun intrede gedaan voor het solderen van bedradingen; ook vindt men hen, maar veel minder, onder monteurs, horlogemakers, drukkers.44 Sinds een aantal jaren zijn er vrouwelijke conducteurs en vrouwelijke politieagenten, terwijl er al sinds de tweede wereldoorlog vrouwen afdelingen van zee-, land- en luchtmacht bestaan. Overigens is vergeleken met andere landen het aantal vrouwen in het leger in Nederland bijzonder klein.45 En zo is het ook met de andere overschrijdingen van de traditionele beroepsgrenzen door de vrouw, kwantitatief zijn zij tot nu toe niet belangrijk.
Vergelijking van de door mannen en vrouwen vervulde beroepen naar intellectueel niveau geeft aanleiding tot het citeren van de buitenlandse uitspraak, dat op alle economische gebieden vrouwen overwegend een-
| 1960 in % van 1947 | abs. cijfers 1960 - | verandering in % van 1947 | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| beroepen | V | M | V | M | V | M |
| onderwijzer / kleuterleidster | 166 | 134 | 40.466 | 30.546 | +66 | +34 |
| leraar gymn. bewegings- leer |
210 | 192 | 852 | 1.604 | +110 | +92 |
| leraar (vhmo + mbo) | 141 | 178 | 12.967 | 19.417 | +41 | +78 |
| hoogleraar / lector | 144 | 152 | 49 | 1.569 | +44 | +52 |
| huish. personeel | 70 | 35 | 112.779 | 516 | -30 | -65 |
| naaister e.d. | 32 | - | 8.580 | - | -68 | |
| horeca (bedienend) | 116 | 141 | 24.000 | 9.708 | +16 | +41 |
| horeca | 213 | 181 | 21.699 | 7.144 | +113 | +81 |
| werkster | 118 | 613 | 39.645 | 2.729 | +18 | +513 |
| verpleging en aanverw. | 162 | 155 | 61.747 | 5.266 | +62 | +55 |
| pedicure / pedicuur | 126 | 160 | 1.507 | 276 | +26 | +60 |
| schoonh. special., dameskapper (ster) | 215 | 314 | 1.014 | 9.396 | +115 | +214 |
| herenkapper | 44 | 26 | 2.610 | -56 | ||
| stikster e.d. | 147 | 129 | 50.899 | 871 | +47 | +29 |
| stopster + nopster | 236 | 352 | 3.288 | 142 | +136 | +252 |
| perser, strijkster | 118 | 176 | 5.724 | 3.452 | +18 | +76 |
| ponster(ster) | 405 | 695 | 3.317 | 1.434 | +305 | +595 |
| telefonist(e) | 154 | 316 | 8.093 | 904 | +54 | +216 |
| (steno)typiste e.d. | 216 | 316 | 52.098 | 1.641 | +116 | +216 |
| verkoper, winkel- bediende |
203 | 174 | 81.969 | 23.757 | +103 | +74 |
| totaal | 530.719 | 122.982 |
bron: zie pag. 50
voudige tot gemiddelde arbeid uitvoeren.46 Dit geldt zeker ook voor Nederland, al is het slechts grof benaderend aan te tonen.
Tabel 16B van de Volkstelling 1960 geeft de vrouwen met volledige werkweek verdeeld naar beroepsklasse. Hieruit heb ik de beroepsklassen gehaald waarin de eenvoudige arbeid is geconcentreerd (zie bijgaand schema).
| typiste, stenotypiste, secretaresse | 67.371 |
| administratief personeel | 94.949 |
| ambacht- en industrieberoepen | 123.861 |
| huishoudelijk personeel (geen werkster) | 125.969 |
| winkelpersoneel | 79.734 |
| totaal | 491.884 |
Het totaal betreft 69% van de vrouwelijke beroepsbevolking met volledige werkweek. Hieronder zitten enkele minder eenvoudige beroepen, zoals secretaresse en bibliotheekassistente, maar anderzijds zijn ook niet alle eenvoudige beroepen erin gevangen, wat al duidelijk is voor het beroep van werkster. Het percentage zal in werkelijkheid waarschijnlijk iets hoger liggen zodat men kan zeggen, dat ongeveer drie kwart van de werkende vrouwen zeer eenvoudig werk verricht.
Voorts heb ik uit tabel 16B van de Volkstelling 1960 de beroepsklassen genomen die de vrije beroepen en de hogere en middelbare vakspecialisten omvatten (no's 00 tot 012). Hieruit konden de als middelbaar beschouwde beroepen van onderwijzer en verpleegster geëlimineerd worden, echter niet de paramedische en kunstberoepen op middelbaar niveau (zoals reclame-ontwerper). Resultaat was dat 38.828 vrouwen, d.i. 5% van de vrouwelijke beroepsbevolking, met volledige werkweek overbleven. Het percentage dat werkelijk een beroep op hoog niveau van ingewikkeldheid uitoefent ligt dus iets lager.
Helaas zijn geen vergelijkbare cijfers voor de mannen beschikbaar. Wel is het mogelijk de bezetting van intellectuele beroepen te vergelijken op basis van de eerder genoemde lijst van 185 beroepen, waarvan het C.B.S. de bezettingscijfers gaf voor 1947 en 1960. In tabel VIII zijn de hoogst bezette intellectuele beroepen opgenomen. Hier blijkt de stijging in de vrouwelijke bezetting de stijging van de vrouwelijke beroepsbevolking (18 %) doorgaans te overtreffen. De stijging is ook nogal eens groter dan bij de
| 1960 in % van 1947 | abs. cijfers 1960 | verandering in % van 1947 | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| beroepen | V | M | V | M | V | M |
| accountant | 223 | 147 | 43 | 4890 | +123 | +47 |
| advocaat | 134 | 122 | 150 | 1701 | +34 | +22 |
| belasting- consulent e.d. |
1115 | 252 | 234 | 3070 | +1015 | +152 |
| arts | 188 | 169 | 1266 | 10730 | +88 | +69 |
| bibliothecaris | 110 | 215 | 246 | 312 | +10 | +115 |
| kand. notaris | 148 | 108 | 31 | 648 | +48 | +8 |
| notaris | 700 | 102 | 7 | 832 | +600 | +2 |
| hoogleraar / lector | 144 | 152 | 49 | 1569 | +44 | +52 |
| leraar | 141 | 178 | 12.967 | 19.417 | +41 | +78 |
| rechter e.d. | 100 | 93 | 25 | 885 | 0 | -7 |
| tandarts | 128 | 187 | 273 | 2216 | +28 | +87 |
| tolk, vertaler | 250 | 266 | 280 | 498 | +50 | +66 |
bron: zie pag. 53mannen. De verschillen in bezetting blijven echter zo aanzienlijk, dat men niet zou kunnen spreken van inhalen van een achterstand.
Onder de beroepen op een hoog niveau in de hiërarchie vallen de leidinggevende functies. Beroepsklassen 10 t/m 13 uit tabel 16B van de Volkstelling 1960 omvatten beleidvoerende en leidinggevende overheidsfunctionarissen, bedrijfshoofden en directeuren N.V., bedrijfsleiders en overige beleidvoerende en leidinggevende personen in bedrijven. In totaal 3652 vrouwen met volledige werkweek, d.i. 0,5% van de overeenkomstige vrouwelijke beroepsbevolking. Het is wel bijzonder storend, dat ook op dit punt geen vergelijkbare cijfers voor de mannen aanwezig zijn.
Wel is het mogelijk om de aantallen mannelijke en vrouwelijke bedrijfshoofden van bedrijven met 10 en meer man personeel te vergelijken voor 1960 (tabel 16A van de Volkstelling 1960). Tot deze categorie behoorde resp. 0,07% van de totale vrouwelijke en 0,8% van de mannelijke beroepsbevolking.
Er zijn geen cijfers die bij benadering een inzicht geven in de mate waarin mannen en vrouwen voorkomen in het lager en middenkader.
Voorts mag het bekend verondersteld worden dat het aantal vrouwen in colleges van openbaar bestuur gering is. In 1953 waren er in Nederland 15 vrouwelijke wethouders, vrijwel allen in gemeenten met minder dan 100.000 inwoners,47 Wellicht zijn het er thans enkele meer. Nederland heeft drie vrouwelijke burgemeesters, alle drie van kleine gemeenten.
Uit de geringe mate waarin vrouwen posities bezetten op hoger niveau valt al te vermoeden, dat de verticale mobiliteit onder hen geen grote omvang aanneemt. Dit moet in dubbele zin opgevat worden: weinig vrouwen stijgen en stijging vindt waarschijnlijk gemiddeld over kortere aftstand plaats bij vrouwen dan bij mannen.
Directe adstructie van deze uitspraken met Nederlandse mobiliteitsgegevens is vrijwel onmogelijk. Alleen in een onderzoekje bij Philips werd aan de hand van cijfers geconstateerd, dat het aantal vrouwen dat promotie maakt relatief kleiner is dan het aantal mannen.48 Verder is er alleen een artikel van Hijmans uit 1951 waarin wordt geconstateerd dat in de bedrijven slechts een klein aantal beroepen op leidinggevend niveau als geschikt voor vrouwen wordt beoordeeld, en dan meestal omdat zïj een typisch ‘sociaal’ karakter hebben.49
Niet alle stijging is echter stijging naar leidinggevend niveau en de vraag is of de barrières die Hijmans ziet ook dan bestaan. Op voorbeeld van de onderzoekingen die achtereenvolgens door Lorenz en Hampe werden ingesteld naar de positie van vrouwen aan Duitse universiteiten en hogescholen50, heb ik de adreslijst uit 1966 der Nederlandse universiteiten en hogescholen geanalyseerd. Hieruit bleek, dat vrouwen nog geen 2% van de gewone hoogleraren uitmaken, ongeveer 5% van de buitengewone hoogleraren, ongeveer 6% van de gewone en buitengewone lectoren, 7% van de docenten en leeropdrachthouders en circa 10% van de
wetenschappelijke hoofdmedewerkers. (Niet meegeteld zijn de technische hogescholen in Delft, Eindhoven en Twente waar het aantal vrouwen vrijwel te verwaarlozen is.)
Als men weet dat de promotie van wetenschappelijk hoofdmedewerker al of niet via lector naar hoogleraar een gebruikelijke stijgingsweg is, dan blijven de vrouwen hier duidelijk achter. Nu vereisen deze cijfers wel enige aanvulling. Voor de bezetting van de plaatsen van hoogleraar en lector is in het algemeen het bezit van de doctorsgraad vereist. Vroeger gold dit ook voor wetenschappelijk hoofdmedewerker, maar thans wordt deze rang ook wel toegekend aan hen die de doctorstitel niet bezitten maar toch op andere gronden geschikt geacht worden. Aan hun verdere stijging zijn daarmee dan echter wel grenzen gesteld. Voor een goed begrip van de situatie moeten we dus ook de aantallen doctores onder de mannelijke en vrouwelijke hoofdmedewerkers kennen. Nu blijkt van de vrouwen de helft en van de mannen iets meer dan de helft gepromoveerd te zijn en er is op dit punt dus geen verschil, dat het verschil in stijging rechtvaardigt.
Wat de arbeidsverdeling naar beroepsprestige betreft, is uit het voorgaande al wel duidelijk, dat vrouwen een relatieve minderheid vormen in beroepen die in hoog aanzien staan. Dit immers zijn in het algemeen ook de beroepen op een hoog hiërarchisch en intellectueel niveau.
Hiermee is de zaak evenwel niet afgedaan, want er lijkt zelfs een terugwerkende kracht te bestaan: naarmate er meer vrouwen werken ia een beroep dat ook door mannen wordt uitgeoefend, neemt dat beroep een lagere plaats in in de prestige-rangorde.51 Ook in de tijd gezien doet dit verschijnsel zich voor: naarmate er meer vrouwen een beroep binnenstromen, daalt het prestige. Dit is wat Lockwood meent te constateren voor het beroep van kantoorbediende.52 Tropp zag hetzelfde proces zich voltrekken ten aanzien van de onderwijzer aan het eind van de negentiende eeuw.53
Ingewikkelder wordt het wanneer men verschillende rangorden opstelt. Vellekoop onderscheidt mannenberoepen, vrouwenberoepen, mannelijke beroepen, vrouwelijke beroepen en equivalente beroepen. Mannen- resp. vrouwenberoepen zijn alle beroepen die door mannen resp. vrouwen kun-
nen worden vervuld en waarvoor een specifiek mannelijke resp. vrouwelijke benaming bestaat. Mannelijke resp. vrouwelijke beroepen zijn alle beroepen die nooit of zeer zelden door vrouwen resp. mannen worden vervuld. Equivalente beroepen zijn beroepen die zowel door mannen als door vrouwen worden vervuld. Wanneer nu mannelijke en equivalente beroepen worden uitgeoefend door een vrouw worden zij in een rangorde van vrouwenberoepen veel hoger resp. hoger gewaardeerd dan in een rangorde van mannenberoepen.54 Als men twee rangorden onderscheidt, één voor mannen en één voor vrouwen, waarin zoveel mogelijk corresponderende beroepen zijn opgenomen, dan zullen de beroepen in de vrouwelijke rangorde opwaarts verschoven zijn ten opzichte van die in de mannelijke rangorde.
Tabel IX geeft de inkomensverdeling van mannen en vrouwen over 1962
| kern- inkomensklasse |
m. tot. | vr. tot. | vr. ongeh. | vr. geh. | vr. geh. gew. |
|---|---|---|---|---|---|
| -4.899 | 32,6 | 82,5 | 84,5 | 94,0 | 80,0 |
| 4.900-9.899 | 51,3 | 14,8 | 14,5 | 2,2 | 16,6 |
| 9.900-14.899 | 9,8 | 1,6 | 1,3 | - | 2,4 |
| 14.900-19.899 | 2,9 | 0,4 | 0,2 | 0,0 | 0,7 |
| 19.900-59.899 | 3,1 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,7 |
| 59.900- | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,0 |
| 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
bron: c.b.s., Statistiek van de inkomens 1962, 1967
voor zover het het kerninkomen betreft. In deze cijfers weerspiegelen zich voornamelijk de verschillen in samenstelling van de mannelijke en vrouwelijke beroepsbevolking. Die bestaat bij de vrouwen grotendeels uit jeugdige en zeer jeugdige personen, die de opeenhoping in de laagste inkomensklassen veroorzaken. Dat de gehuwde vrouwen bijna allen in de allerlaagste inkomensklasse vallen zal voor een belangrijk deel veroorzaakt worden door het parttime werk. Bij de vrouwen die gehuwd geweest zijn is een lichte afneming in de laagste inkomensgroep en een geringe toeneming in de hogere inkomensgroepen te bespeuren.
Er zijn ook oorzaken voor de inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen die niet door tabel IX gesuggereerd worden. Een van deze is, dat vrouwen voornamelijk de lagere plaatsen in de arbeidshiërarchie bezetten zoals in het voorgaande werd aangetoond. Een andere is, dat vrouwen vaak minder verdienen dan mannen ook als zij overeenkomstige posities bezetten.
Cijfermateriaal dat geschikt is om de arbeidszekerheid van mannen en van vrouwen te vergelijken, is er niet. De door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de industrie gepubliceerde vertrekcijfers worden niet onderverdeeld naar de reden van het verbreken van het dienstverband. Het gedwongen vertrek, gedwongen wegens ontslag door de werkgever, is er niet uit af te leiden.
Het sluiten van een huwelijk is lange tijd een reden geweest voor het ontslaan van een vrouwelijke werknemer. Na de tweede wereldoorlog is dat echter veranderd, mede en misschien wel voornamelijk onder invloed van de krappe arbeidsmarkt. Het is echter niet ongebruikelijk vrouwelijke werknemers een contract te laten tekenen, waarbij zij zich verbinden ontslag te nemen bij de geboorte van een kind.55
In de na-oorlogse periode is op enkele weinig langdurige uitzonderingen na de vraag naar arbeid altijd groter geweest dan het aanbod. Of vrouwen dan wel mannen meer te lijden hebben van een daling van de werkgelegenheid is daarom niet na te gaan.
Het is bekend, dat - tenzij de arbeidsmarkt bijzonder krap is - oudere arbeidskrachten die werkloos geworden zijn, vaak meer moeite hebben om weer aan de slag te komen dan jongere. Voor vrouwen wordt dit pro-
bleem ernstiger geacht dan voor mannen. Vrouwen zouden op lagere leeftijd dan mannen als oudere arbeidskrachten gekwalificeerd worden, namelijk vaak al met 35 jaar tegen mannen met 45 jaar.56 Oudere vrouwen zouden - eenmaal werkloos - langer zonder werk zijn dan jongere en waarschijnlijk ook dan mannen van gelijke leeftijd.57 Werkgevers zouden tegen oudere vrouwelijke arbeidskrachten de volgende bezwaren hebben: zij zijn minder efficiënt, minder snel, hebben minder aanpassingsvermogen, zijn esthetisch minder aanvaardbaar, verzuimen meer en er komen onder hen meer arbeidsongevallen voor. De hogere pensioenpremie voor oudere werknemers wordt voor vrouwen een nog groter bezwaar geacht dan voor mannen vanwege de langere levensverwachting voor vrouwen.58
Op alle genoemde punten zijn er verschillen tussen mannen en vrouwen. In het volgende hoofdstuk zal ik deze verschillen sociologisch interpreteren. Het resultaat daarvan vormt de grondslag van de probleemstelling voor deze studie.