De aan onze maatschappij inherente arbeidsverdeling leidt tot een netwerk van betrekkingen, dat in zijn totaliteit een grote bestendigheid en in zijn onderdelen een betrekkelijke duurzaamheid vertoont. Dit is het arbeidsbestel, door Van Doorn gedefinieerd als ‘het totaal van sociale posities en rollen, opgebouwd rond arbeidsprestaties van elke aard, en verenigd tot arbeidsgroeperingen’.59
Deze definitie bevat het kernbegrip voor de opbouw van mijn probleemstelling: sociale rol. Omdat dit begrip niet eenduidig vastligt in de sociale wetenschappen zal ik in deze paragraaf vrij uitvoerig ingaan op de betekenis die ik eraan hecht en op de implicaties die dat heeft voor het gebruik.
Van Doorn en Lammers geven een vrij courante definitie van sociale rol als ‘het geheel van normen en verwachtingen, dat men koestert jegens personen in een bepaalde positie’.60 Deze definitie geeft onvoldoende uitsluitsel over een grote strijdvraag in de rollenliteratuur, namelijk de vraag in hoeverre een rol gescheiden kan worden van haar drager.61 Men zou de opvattingen die over het rolbegrip aangehangen worden, wellicht op een schaal kunnen rangschikken met aan het ene uiteinde de sociologen à outrance en aan het andere uiteinde de nauwelijks meer als ‘sociaal’ te betitelen sociaalpsychologen.
Als representant van de eerste categorie is Dahrendorf te beschouwen, die de sociale rol ziet als een structuurelement van de maatschappij, volledig onafhankelijk van de mens die haar draagt.62 De andere extreme categorie wordt vertegenwoordigd door bijv. Turner, die rol omschrijft als ‘the process of discovering and creating ‘consistent’ wholes out of behavior’.63 Hij ziet dus de persoon als creatief in het organise-
ren van zijn gedrag volgens zekere algemene principes en noemt dit proces ‘role-taking’. De kwestie van de conformiteit omzeilt hij door alleen het dynamisch aspect in aanmerking te nemen en de ongetwijfeld sterk individueel gestempelde resultaten van deze rolvorming buiten beschouwing te laten.
De opvatting van Dahrendorf zegt iets over de maatschappij, die van Turner over de persoon. De eerste, sociologische interpretatie van het rolbegrip verleidt gemakkelijk tot een statische maatschappijbeschouwing, de sociaalpsychologische is veel dynamischer.
Ik kies een sociologisch rolbegrip en zie rollen dus als in belangrijke i mate voorgevormd; rollen liggen als geheel van bestaande verwachtingen en normen klaar voor hun dragers. Dat mag er niet toe verleiden die rollen als ten eeuwigen dage onveranderlijk te zien. De aard van mijn probleem zal mij wel behoeden voor verwaarlozing van de dynamiek. Ik ben aangewezen op een dergelijke rolopvatting, omdat het er mij om gaat vast te stellen welke plaats in het arbeidsbestel aan de vrouw wordt ingeruimd door de maatschappij, met andere woorden welke normen en verwachtingen verschillende maatschappij onderdelen koesteren met betrekking tot de vrouw in het arbeidsbestel. De vorming van onderling min of meer consistente gedragsvormen door individuele vrouwen interesseert mij slechts voor zover deze ook voor anderen tot norm worden en daarmee dus tot sociaal voorgevormde rollen.
De definitie van Van Doorn en Lammers vraagt verdere kritische beschouwing in het gebruik van het woord ‘positie’. Rol en positie zijn hier twee verschillende dingen. Maar op een andere plaats schrijven deze auteurs ‘Indien we nu deze ‘roles’ (...) op hun sociaal-structureel aspect bekijken, dan kunnen we posities onderscheiden op basis van de functie van de interacties die karakteristiek zijn voor bepaalde leden van de groep.’64 In deze uitspraak wordt positie aangeduid als een aspect van rol en dit lijkt mij ook eigenlijk niet anders mogelijk.
Ook andere schrijvers die het terminologisch onderscheid handhaven, zien geen principieel onderscheid. Linton onderscheidt ‘rol’ en ‘status’ (= positie) en ziet in rol het dynamisch aspect van status.65 Volgens Parsons is een rol status omgezet in actie, is de rol het ‘processual aspect’ van status en status het positional aspect van rol.66 Nadel meent, dat ‘The important thing is that in one case we have the execution of certain rights and obligations, that is, a performance, and in the other, this set of rights and obligations embodied in a
piece of knowledge - in a norm or prescription, or perhaps only in an image people carry in their heads. In brief, we have a rule and its application.’67 Hij vindt het daarom onnodig zo niet onlogisch verschillende namen te geven aan deze twee ‘aspecten’, die immers altijd samen ten grondslag liggen aan iedere ‘geregelde’ menselijke handeling. Het lijkt mij toe, dat Nadel gelijk heeft als hij in die dubbele naamgeving alleen maar reden tot verwarring ziet, hoewel ik in de onderscheiding van positie en rol een andere - en niet gerealiseerde - bedoeling zie dan hij erin ziet.
De in de maatschappij aanwezige sociale rollen vormen geen losse verzameling; zij zijn geordend en gegroepeerd. Dragers van bepaalde rollen staan in betrekking tot elkaar, andere niet. De rollen worden dus geordend op basis van deze relaties. Er ontstaat dus een structuur van rolrelaties. Positie is dan de plaats van de rol(lendrager) in de sociale structuur. ‘De sociale posities van een structuur zijn als het ware de om de interacterende personen gecentreerde ‘knooppunten’ van de sociale betrekkingen en verhoudingen.’68 ‘Wij zagen, dat iemands positie in de sociale structuur van een bepaalde groepering de specifieke combinatie van betrekkingen en verhoudingen is, waarin de persoon in kwestie staat ten opzichte van de andere leden van de groepering.’69
De moeilijkheid is, dat men voor een concrete plaatsbepaling nu toch weer zijn toevlucht moet nemen tot een rolbeschrijving, want hoe kan men anders ‘de sociale betrekkingen en verhoudingen’ leren kennen? Van Doorn en Lammers zijn iets te ver gegaan in hun abstraherende ordening. De relaties zijn door hen zover ontdaan van hun inhoud dat men er het ordenend principe niet meer uithaalt. Daarom heeft het geen effect, als zij ‘positie’ los willen maken van ‘rol’.
De verwerping van het terminologisch onderscheid tussen positie en rol laat de toch wel belangrijke vraag open naar de ordening der rollen. Nadel heeft deze vraag beantwoord door uit de rollen bepaalde attributen te elimineren, die hun onderlinge ordening vastleggen. Deze attributen hebben namelijk betrekking op goederen, die in de maatschappij een waarde vertegenwoordigen. De mate waarin deze waarde tot de verschillende rollen bijdraagt en dus de rolrelaties bepaalt, bepaalt ook de plaats van de rollen(dragers) ten opzichte van elkaar.70
Vercruysse heeft deze gedachte nog wat verder uitgewerkt dan Nadel en stelt dat alleen een differentiële verdeling van schaarse goederen structuurvormend werkt. Als zulke noemt hij produktiemiddelen en consump-
tiegoederen; de tijd, die het vervullen van rollen minimaal vereist, omdat immers de tijd zelf niet ongelimiteerd voorhanden is; het gezag, als het recht om van anderen gehoorzaamheid te mogen verwachten; de onafhankelijkheid, dat is de mate waarin een rol zich aan supervisie en correctie onttrekt en tegen een overtreding van regels niet of in ieder geval niet onmiddellijk met een sanctie kan worden opgetreden; de politieke macht; verzorging en bescherming; prestige; roem.71
Nadel maakt een deels overlappende deels aanvullende indeling van structurele rolkenmerken in ‘the differential command over one another's actions’ en ‘the differential command over existing benefits and resources’72; onder de laatste rangschikt hij: ‘material resources and benefits; social dignity (prestige, esteem, status in a hierarchical sense); cognitive values (learning, knowledge); emotional, sensual, and aesthetic gratifications; moral values (the fulfilment of duties and ‘missions’); and transcendental values (the ‘spiritual’ benefits of religion).’73
Ik heb mij met dit alles vrij ver verwijderd van de door Van Doorn en Lammers gegeven roldefinitie en voel behoefte aan een herziening daarvan. Een rol is een geheel van samenhangende verwachtingen ten aanzien van aan menselijke betrekkingen verbonden gedragsvormen, die gesteund worden door en gebonden zijn aan normen en die daardoor een zekere bestendigheid vertonen. - Ook de definitie van arbeidsbestel moet dan enigszins gewijzigd worden en wel in ‘het totaal van sociale rollen, opgebouwd rond arbeidsprestaties van elke aard en verenigd tot arbeidsgroeperingen’.
Hoewel een rol dus opgevat wordt als een klaarliggend voorgevormd gedragspatroon, blijft er toch enige ruimte voor persoonlijke ‘Gestaltung’. Een rol is niet helemaal een confectiepak, waarin men past of niet past, maar dat zich moeilijk meer op persoonlijke eigenaardigheden laat toesnijden. De meeste schrijvers hebben wel gezien, dat een sociale rol geen volledig sjablone is en daarom verschillende maten van tolerantie geschapen. Dahrendorf onderscheidt Muss-, Soll- en Kann-Erwartungen. De eerste zijn bijna absoluut verbindend, uitsluitend negatief gesanctioneerd, voornamelijk middels het geldende recht. De tweede zijn nauwe-
lijks minder verbindend en worden ook overwegend negatief gesanctioneerd. De Kann-Erwartungen zijn niet onvoorwaardelijk verbindend en worden zowel positief als negatief gesanctioneerd.74
Een soortgelijke indeling maakt Nadel in de onderscheiding van essentiële, relevante en perifere rolkenmerken.75 Gross c.s. spreken van de intensiteit van de verwachting, die kan variëren van een ‘absolutely must’ via een ‘preferably should’ tot een ‘may or may not’.76
De noodzaak om in de rol enige ruimte te houden voor gedragsvarianten ligt niet alleen in de verschillende geaardheid van personen. Het is mogelijk dat rolpartners die zich op verschillende plaatsen in de sociale structuur bevinden verschillend perspectief op de onderhavige rol hebben en dat hun rolverwachtingen elkaar dientengevolge niet geheel dekken. In dat geval kan de eis van strikte naleving van alle rolverwachtingen de bestendigheid van de rol in gevaar brengen.
Onderlinge strijdigheid der rolverwachtingen bij de betrokkenen ziet Merton als de belangrijkste oorzaak van rolleninstabiliteit.77 Er zijn echter sociale mechanismen om een dergelijk intra-rolconflict af te doen en Merton verdiept zich vrij grondig in de aard van deze mechanismen.78 Als eerste daarvan ziet hij de verschillende maten van geïnvolveerdheid in de rol bij de diverse rolpartners; niet allen zijn zij even sterk geïnteresseerd in de handhaving van de rolverwachtingen. Een ander mechanisme ligt in het benutten van de machtsverschillen, die er bestaan tussen de rolbetrokkenen. Het verborgen blijven van bepaalde rolgedragingen voor waarneming door een deel der rolpartners is een derde mechanisme. Dat is niet toevallig; het is geen individuele aanpassing, waarbij deze of gene roldrager een gedeelte van zijn rolgedrag weet te verbergen. Het ligt structureel vast en is wezenlijk voor het functioneren van rollen, dat de roldrager niet in voortdurende interactie is met alle rolpartners. Een vierde mechanisme ligt in het voor alle rolbetrokkenen waarneembaar maken van de strijdigheid der eisen, die aan de roldrager worden gesteld. De rolbezetter behoeft dan zelf het conflict niet meer op te lossen, maar de betrokkenen moeten hun strijdige verwachtingen herzien. Verder is er de mogelijkheid steun te zoeken bij anderen die in dezelfde situatie verkeren van te moeten beantwoorden aan strijdige verwachtingen. Tenslotte kan men een deel der rolrelaties afbreken, maar dit middel is lang niet altijd toe te passen. De rol is een eenheid, die men niet naar be-
lieven kan gaan kortwieken; de kans bestaat, dat door het verbreken van enkele relaties ook de overblijvende relaties geschaad worden. Het resultaat is dan eerder, dat de rolbezetter zichzelf uit de rol manipuleert dan dat hij de rol wijzigt.
Behalve een intra-rolconflict kan zich ook een inter-rolconflict voordoen. Een persoon fungeert doorgaans als de drager van verschillende rollen; ook de verwachtingen eigen aan die verschillende rollen kunnen onverenigbaar zijn. Tot op zekere hoogte is het mogelijk rollen te kiezen die te combineren zijn. Ook wordt er vanuit de maatschappij wel rekening mee gehouden, dat personen verschillende rollen bezetten en is er vaak een zekere mate van consensus over prioriteiten in geval van strijdige rolverplichtingen. Waar een dergelijke sociaal gesanctioneerde oplossing niet bestaat en waar het ook niet mogelijk is één rol te laten schieten zonder de bezetting van de andere in gevaar te brengen, is toepassing van de ter oplossing van het intra-rolconflict genoemde mechanismen ook hier mogelijk.
Het begrip rolconflict - in de zin van inter-rolconflict - zal in deze studie centraal staan. Daarom is het nodig er nog even op door te borduren. Als rollen strijdig zijn, zouden zij niet in één drager gecombineerd moeten worden. Voor de grote meerderheid van botsende rollen bestaat daartoe ook geen enkele noodzaak of aanleiding. Maar er zijn conflicterende rollen die om een of andere dwingende reden (dwingend voor wie dan ook) wel gecombineerd worden (bijv. de rollen van vader en astronaut, van pacifist en soldaat). Als dat vaak voorkomt, zou het voor de hand liggen de rollen te wijzigen, maar dat zou repercussies hebben voor andere betrokken rollen en voor het gehele samenstel van rollen, dat sociaal systeem genoemd wordt. Rollen zijn per definitie onderworpen aan sociale controle; rolverandering zal op weerstanden stuiten.
Daarom zullen ter oplossing van het rolconflict de door Merton genoemde mechanismen benut worden. Deze werken overigens niet in het verborgene zoals Merton duidelijk stelt. Onder bepaalde condities kan uit de werking van deze mechanismen dan ook rolverandering voortkomen. Lang niet altijd zal dit gebeuren, want ook deze oplossingen zijn ten dele maatschappelijke gegevenheden, d.w.z. zij zijn maatschappelijk aanvaard, vaak in een bepaalde vorm gefixeerd en zelfs wel tot op zekere hoogte geïnstitutionaliseerd.
Rollen zijn op verschillende manieren te classificeren, bijv. naar hun structuurvormende kenmerken zoals die op blz. 64 werden genoemd. Enkele andere onderscheidingen zijn eveneens van belang.
Nadel vormt een aparte; categorie van wat hij noemt ‘zichzelf liquiderende’ rollen, omdat deze rollen in zichzelf dynamisch zijn. Het zijn typisch voorbijgaande rollen, ingebed in een proces van verandering. Het ligt besloten in de rol van noviet, bruid, immigrant, kind, dat deze mettertijd verwisseld wordt voor die van ervarene, echtgenote, burger en volwassene.79
De mate van specificatie van de rol is ook een indelingsprincipe. Er zijn rollen, die duidelijk gebonden zijn aan een bepaalde zakelijke configuratie (klant, beklaagde) of een bepaalde institutionele organisatie (beroepsrollen, lidmaatschapsrollen) en deze zijn vaak tot in details vastgelegd. Er zijn ook weinig gespecificeerde, vaag omschreven rollen, die niet zo sterk gebonden zijn aan een bepaalde ‘stand van zaken’. Deze worden door Van Doorn en Lammers ‘relatierollen’ genoemd.80 Hoewel deze term niet in alle opzichten gelukkig te achten is (hij zou de indruk kunnen wekken, dat er ook rollen zijn waaraan geen relaties ten grondslag liggen), neem ik hem over.
Een in de sociologie ingeburgerd onderscheid is dat tussen ‘ascription’ en ‘achievement’ als grondslag voor de bezetting van rollen. Er zijn rollen waarin men terecht komt door ‘toevallige’ eigenschappen zonder dat men daar zelf veel invloed op heeft. Dergelijke ‘toegewezen’ rollen zijn bijv. die van grootvader, kleurling, jong meisje, die men op grond van leeftijd, huidskleur, sekse - soms wel tegen wil en dank - moet aanvaarden. In andere rollen daarentegen wordt men geplaatst op grond van eigenschappen die men zich verworven heeft, op grond van prestaties dus. Dergelijke ‘verworven’ rollen zijn bijv. alle beroepsrollen, de rol van voorzitter, van sportsman. Om een dergelijke rol te gaan en te blijven bezetten, dient men te zorgen dat men voldoet en blijft voldoen aan de voornaamste normen en verwachtingen die gelden voor deze rol. Bij de toegewezen rol is dat anders. Aan de belangrijkste norm voldoet men zonder meer, omdat die een kenmerk betreft, dat men buiten eigen toedoen bezit.
In het proces van rolverdeling kan men in beide gevallen tegengestelde principes aan het werk zien.81 In het geval van de verworven rollen
wordt in de gegeven maatschappelijke behoeften voorzien door een verdeling van de beschikbare mensen. In het geval van de toegewezen rollen past de maatschappij zich aan aan de bestaande verscheidenheid van menselijke wezens door elk hunner een legitieme plaats te verschaften. Wij spreken hier van een op zekerheid gebaseerde rol, omdat de rolbezetter zich weinig zorgen behoeft te maken over het behoud van de rol. (Dit betekent niet, dat de rol als zodanig de bezetter maatschappelijke zekerheid verschaft.)
Niet alle rollen zijn gemakkelijk in een der beide categorieën in te delen. Er is vaak overlapping, voornamelijk omdat onder de ‘toevallige’ eigenschappen ook gaven en bekwaamheden voorkomen, die de maatschappij evenzeer wil benutten als inpassen. Er is ook een overgangszone. Zo is de rol van echtgenoot of echtgenote in eerste instantie niet onttrokken aan de eigen invloed. Iemand kan de wens koesteren te trouwen en de voor het doel noodzakelijke stappen nemen. Anderzijds bestaat er in onze maatschappij een dwang waaraan men zich nauwelijks kan onttrekken om heteroseksuele betrekkingen van niet geheel vluchtige aard in de vorm van een huwelijk te gieten. De huwelijksrol draagt in vrij sterke mate het karakter van een toegewezen rol en daarmee is de bezetting een zaak van grote zekerheid. Er is een vrij grote mate van vrijheid in de meer of minder strenge naleving van de vele andere normen en verwachtingen, die dit rolgedrag regelen, zonder dat daarmee de bezetting van de rol in gevaar wordt gebracht. De prestatiebasis van deze rol is maar smal.
Aan het eind van de middeleeuwen begint het proces van scheiding van huishouden en bedrijf. De vrouw trekt zich terug op de zorg voor gezin en huishouding; de man neemt de gehele zorg voor het bedrijf op zich, hij wordt kostwinner. We kunnen zeggen, dat de roldifferentiatie binnen het gezin groter wordt, omdat de rolverwachtingen ten aanzien van de man en van de vrouw in het gezin verder uiteen gaan lopen. Deze ontwikkeling zet zich in de loop der eeuwen voort tot in alle lagen der maatschappij. Veranderingen in het economisch produktieproces enerzijds en in het gezin anderzijds dragen bij tot een verdere bevestiging van de roldifferentiatie.
Het arbeidsbestel constitueert zich steeds duidelijker als een afzonderlijk sociaal systeem82; het maatschappelijk kader, waarin de produktie plaatsvindt, verandert; de produktie neemt in omvang toe; de arbeid wordt geconcentreerd in fabrieken en grote kantoren; mechanisering en rationalisatie beïnvloeden vrijwel elke beroepsrol. De waardering van de arbeid verandert; de beroepsarbeid stijgt naar de top van de sociale waardenscala. Het arbeidsbestel is ook een goed geïntegreerd sociaal systeem. In een sociaal systeem zijn alle rollen op een of andere wijze betrokken op de fundamentele waarden van het systeem. In een goed geintegreerd sociaal systeem zijn deze waarden op zodanige wijze omgezet in normen, dat alle rollen een aantal functionele attributen gemeenschappelijk hebben - functioneel met betrekking tot het doel van het systeem in het maatschappelijk geheel.83
Gross c.s. onderscheiden in een rol rechten en verplichtingen. De rechten van een roldrager worden gedefinieerd als de verwachtingen die gelden voor het gedrag van de bezetter van een complementaire rol. De verplichtingen van een roldrager worden omschreven als de verwachtingen die gelden voor het gedrag van deze roldrager.84
Welnu, van vrijwel alle rollen in het arbeidsbestel maken de volgende rechten en verplichtingen deel uit:
| - | De verplichting gedurende het grootste deel van de week, thans minimaal vijf dagen, gedurende een groot deel van de dag, circa 8 uur, te arbeiden. Deze verplichting valt in Dahrendorfs categorie van Muss-Erwartungen waaraan negatieve sancties verbonden zijn: de werkuren zijn meestal precies vastgesteld, voor grote groepen contractueel geregeld, met straf op laatkomen en verzuim. |
| - | De verplichting op bovengenoemde wijze ononderbroken te arbeiden vanaf het moment dat men voldoende voorbereid is op een rol in het arbeidsbestel tot ongeveer het 65e levensjaar. Deze verplichting valt op zijn minst onder de Soll-Erwartungen met negatieve sancties: men denke bijv. aan de pensioenregelingen, die ‘vol pensioen’ binden aan een maximum aan haalbare dienstjaren. |
| - | De verplichting verantwoordelijkheid te aanvaarden voor de eigen arbeid. Ook een Soll-Erwartung met voornamelijk negatieve sancties, zoals ontslag, degradatie. |
| - | Het recht de arbeidsprestatie in geld gehonoreerd te krijgen. Een Muss-Erwartung met negatieve sancties voor de drager van de complementaire rol via wettelijke en contractuele regelingen. |
| - | De verplichting de taak uit te voeren overeenkomstig de last van de opdrachtgever. Naar gelang de wijze waarop deze verplichting verder gespecificeerd wordt, valt zij in een der categorieën Muss- of Soll-Erwartungen. De sancties zijn negatief: ontslag, schorsing, weigering van het produkt, maar ook positief: salarisverhoging, gratificaties, tantième. |
| - | De verplichting de interactie te houden binnen de grenzen van wat voor het verrichten van de arbeid noodzakelijk is, of verzwakt: de interactie niet verder uit te breiden dan dienstig is voor de arbeid. Een Soll-Erwartung met negatieve en positieve sancties: men denke bijv. aan het verbod in werktijd te praten, of - op ander beroepsniveau - de appreciatie van ‘zakelijkheid’. |
| - | Het recht te participeren in de geldende sociale voorzieningen. Een Muss-Erwartung met negatieve sancties, daar hiervoor wettelijke en contractuele regelingen bestaan. |
| - | De verplichting in de verrichting van de taak te tonen of men een beroepsrol zou kunnen bezetten, die meer structurele rolattributen omvat. Een Kann-Erwartung met positieve sancties: dit carrièrestreven wekt goedkeuring en bewondering. |
| - | Het recht bij te verwachten geschiktheid de rol te verwisselen voor een, die meer structurele rolattributen omvat of althans recht op verandering van de structurele rolkenmerken. Een Soll-Erwartung met positieve sancties: de mogelijkheid om promotie te maken bevordert de identificatie met en binding aan het bedrijf. |
| - | Het recht op aandacht voor en veiligstelling van arbeid en beloning. Kann-Erwartung met positieve sancties: een bedrijf dat rekening houdt met de belangen van zijn werknemers heeft een goede naam. - Deze opsomming is niet volledig. Er zijn aan de rollen binnen het arbeidsbestel meer gemeenschappelijke trekken te onderkennen. Voor mijn doel, het tegenover elkaar stellen van de arbeidsrol en de gezinsrol, gaat deze analyse voldoende ver. |
In de maatschappij werd de gezinsrol steeds grotere waardering toege-
kend, terwijl zich in het gezin veranderingen voltrokken die de vrouw daar de gelijke maakten van de man. Speciaal de moederrol als onderdeel van de gezinsrol van de vrouw werd steeds belangrijker. Er vond een zekere mate van quasi-professionalisering van het moederschap plaats: het opvoeden werd een dagtaak, die de nodige vakkennis vereiste. Een echte beroepsrol werd het niet; de vrouw krijgt bijvoorbeeld geen loon, zij heeft geen lastgever en ten aanzien van haar arbeidstijd bestaan er noch minimum noch maximum grenzen.
Men zou het zelfs zo kunnen zien, dat de gezinsrol van de vrouw extra beveiligd werd door die volledig buiten het arbeidsbestel te plaatsen en hoog te waarderen. De gezinsrol van de vrouw en willekeurig welke rol in het arbeidsbestel zijn namelijk in conflict met elkaar. De verwachtingen die gelden voor de ene rol botsen met die van de andere rol. De moederrol vraagt permanente aanwezigheid in en aandacht voor het gezin. De beroepsrol vraagt circa acht uur per dag aanwezigheid in een bedrijf of in ieder geval volledige aandacht voor de te verrichten beroepstaak. Dat is de voornaamste tegenstrijdigheid en tevens de grootste belemmering om beide rollen door een en dezelfde persoon te laten bezetten.
Er zijn ook andere strijdigheden, maar daarop kom ik later terug. Nu is dit inter-rolconflict van geen betekenis zolang de rollen niet in één drager verenigd worden. Door de uitbreiding van de aan de gezinsrol inherente rechten zonder uitbreiding van de plichten werd de aantrekkingskracht van de beroepsrol sterk gereduceerd. In de negentiende eeuw constitueerde de situatie zich zo, dat vrouwen die geen gezinsrol te vervullen hadden, opgenomen werden in de bezetting van het arbeidsbestel. Hiermee scheen het rolconflict omzeild te zijn en verschoven naar een later tijdstip, het midden van de twintigste eeuw, als ook gehuwde vrouwen beroepsrollen gaan bezetten.
Het rolconflict wordt echter ten onrechte beperkt tot de feitelijke combinatie van gezins- en beroepsrol door de gehuwde vrouw. Inderdaad is het het meest evident en zeer acuut als het gaat om het buitenshuis werken van de gehuwde vrouw. Het zou echter onjuist zijn om het geheel aan deze situatie te binden. Ook in andere omstandigheden wordt het rolconflict manifest, terwijl het zich herhaaldelijk en onder de meest uiteenlopende omstandigheden doet gevoelen in min of meer bedekte vorm: een botsing der verwachtingen zet niet altijd de rollen in hun meest essentiële kenmerken op het spel en is dan ook minder opvallend.
Ook loopt het rolconflict van de buitenshuis werkende gehuwde vrouw zo in het oog, omdat hier een bestaande oplossing terzijde geschoven is en er geen nieuwe maatschappelijk aanvaarde of zelfs voorgeschreven oplossingen voorhanden zijn. De dragers van beide rollen (en die van de complementaire rollen) zijn daarvoor geheel op zichzelf aangewezen.
Bij andere manifestaties van het rolconflict bestaan echter wel ‘klaar liggende’ oplossingen. Klaar liggend betekent, dat er een gebruikelijke en sociaal geaccepteerde weg uit de moeilijkheden is. Er is, om met Merton te spreken, een zekere mate van consensus over prioriteiten.
Klaar liggend kan ook betekenen, dat er middelen van sociale controle in het spel gebracht worden, die de rollendrager tot op zekere hoogte de beslissing uit handen nemen door hem reeds in een bepaalde richting te schuiven. Dan wordt het rolconflict minder zichtbaar en ook vaak minder voelbaar. Deze wat abstracte uiteenzetting wordt in het volgende geconcretiseerd.
Een beroepsrol is een verworven rol die geruime tijd, vaak jaren voorbereiding vraagt. De gezinsrol draagt voornamelijk het karakter van een toegewezen rol en eist weinig formele voorbereiding. Op deze rol wordt geanticipeerd in een zichzelf liquiderende rol, die ik de premaritale rol zal noemen. Het rolconflict doet zich al gevoelen in deze fase. De emancipatie heeft de rol van huwbaar jong meisje van karakter veranderd. Deze rol was en is gericht op ‘verovering’ van een persoon van de andere sekse met als uiteindelijk doel permanente wederkerige binding.
Maar in de rolverwachtingen maakte de ingetogen huiselijkheid, de zorgende dienstbaarheid plaats voor de vrije uitdrukking van seksuele aantrekkingskracht en impulsen.85 De beoogde definitieve binding kan daarom voorafgegaan worden door kortere verbintenissen, die onderdeel van een ‘trial-and-error’-proces zijn. De binding kan ook zeer vluchtig zijn en uit niet meer blijken dan blik of gebaar, waarin echter de erkenning opgesloten ligt dat de ander in principe als partner in aanmerking zou kunnen komen. In deze rol ontmoeten de betrokkenen elkaar als gelijken, de betrekking is te zien als een ruilbetrekking, die macht oplevert over eikaars handelingen en emotionele bevrediging schenkt.
De premaritale rol is een typische relatierol, die dus weinig gebonden is aan specifieke situaties. De emancipatie heeft ook de speelruimte van deze rol aanzienlijk verwijd. Voordien leefde het jonge meisje zeer opgesloten, haar contacten waren beperkt. Thans is zij in staat deze rol geheel
of gedeeltelijk te realiseren op school, in het werk, op het sportveld, in de dancing enz. In het vorige hoofdstuk is hierover het nodige gezegd. Zij komt echter in omstandigheden waarin haar relaties tot leden van de andere sekse in het kader van een andere rol vallen, de beroepsrol bijvoorbeeld. Hier dreigt het conflict.
De beroepsrol vergt bij voorbeeld ‘zakelijkheid’, de interactie wordt bepaald en beperkt door de voorliggende taak en de structuur van de relatie (zoals die van superieur en ondergeschikte). De premaritale rol daarentegen brengt de interactie juist op het persoonlijke vlak en verleent de vrouwelijke roldrager een zekere macht over haar mannelijke rolpartner, die hem tot ridderlijkheid en consideratie dwingt. In het vorige hoofdstuk kwam al tot uiting, dat er een sterke neiging bestaat in conflictsituaties de premaritale rol voorrang te verlenen. Niet alleen de vrouw die in een rolconflict verwikkeld raakt, doet dit, maar ook de man die als partner in de relatie het rolconflict eveneens kan ervaren. De beroepsrol kan mannelijke en vrouwelijke rolpartners in een concurrentie-relatie brengen, waarmee de hoffelijkheid en (quasi)-afhankelijkheid van de premaritale rol in tegenspraak zijn.
Als de vrouw die in een dergelijke situatie terecht komt, niet de premaritale rol-maar de beroepsrol laat prevaleren, kan zij die rol toch niet verwezenlijken als de rolbetrokkenen hun reacties aan de premaritale rol blijven ontlenen m.a.w. haar niet ‘serieus’ nemen. De oplossing van het rolconflict is dus niet enkel een zaak van persoonlijke keuze voor de roldrager. Het is zelfs niet alleen een zaak van alle rol-betrokkenen: in vele conflictsituaties bestaan maatschappelijk vastgelegde oplossingen.
Komarovsky, die tot nog toe de beste en door empirisch onderzoek gesteunde analyse heeft gemaakt van het onderhavige inter-rolconflict, geeft goede voorbeelden.86 Haar onderzoek betrof een aantal vrouwelijke studenten en 40% van deze groep zei zich soms van de dommen te hebben gehouden in het contact met mannelijke studenten, d.i. onderscheidingen te hebben verborgen, onwetendheid te hebben voorgewend of aan de man het laatste woord te hebben toegestaan in een discussie. In de formele voorbereiding op de beroepsrol wordt deze dus bewust gekortwiekt ten behoeve van de premaritale rol.
Het compromis, de combinatie van elementen uit de premaritale rol met de gecoupeerde beroepsrol, is zelfs geïnstitutionaliseerd in enkele nieuwe door vrouwen te bezetten beroepen. Uiterlijke aantrekkelijkheid en een ‘vluchtige binding’ vindt men in de ‘decoratieve’ en de ‘contact’
beroepen.87 Voorbeelden van de eerste zijn mannequin, fotomodel; van de tweede stewardess, receptioniste. Deze professionalisatie van de premaritale rol maakt het ook noodzakelijk voor de bezetting van laatstgenoemde beroepen hogere selectiemaatstaven te hanteren dan de eigenlijke dienstverlening rechtvaardigt. Men suggereert immers meer te geven dan de zakelijke bediening door een kelner. De kleine belangen van de klant worden op persoonlijke en attente wijze behartigd door iemand die hij op gelijk sociaal niveau ontmoet en die tegelijkertijd een appel doet op zijn waardering voor haar vrouwelijke charme.
Rollen als van ‘bloembollenkoningin’, hostess, ‘Miss World’, zijn in zoverre vergelijkbaar met die van de zeventiende-eeuwse Salondames, dat ook deze de vrouwen een zeer eigen plaats en vrij hoge status in een door mannen beheerste wereld verschaffen. Het verschil is, dat de inspirerende rol der Précieuses en hun opvolgsters een definitieve was en deze eenvoorbijgaande, want gebonden aan de levensperiode waarin de premaritale rol zich laat verwezenlijken.
De oplossing van het rolconflict die wordt verkregen door de premaritale rol te laten prevaleren, is een tijdelijke oplossing. Bij huwelijk duikt het conflict in een nieuwe vorm op; de meest gebruikte uitweg is nog steeds de beroepsrol geheel te laten vallen. Het inter-rolconflict is hiermee in ieder geval uit de wereld, al kan het plaats maken voor een innerlijke strijd wanneer de vrouw de opoffering van haar beroepsrol eigenlijk niet aanvaardt. Dat dit niet enkel een theoretische mogelijkheid is, bewijst de psychiatrische en ‘social casework’-literatuur, waarin deze gevallen niet zeldzaam zijn.
Ook al wordt de premaritale rol niet verwisseld voor de huwelijks- en gezinsrol, dan ‘groeit men er toch uit’. Tot op dat ogenblik kon de beroepsrol onvolledig verwezenlijkt worden ten behoeve van de premaritale rol, die voldoening schonk in zichzelf en als anticipatie van een huwelijk. Die bevrediging valt weg. Ligt een substituut in vollediger verwezenlijking van de beroepsrol nu toch geen inter-rolconflict meer te wachten is?
De vraag is in hoeverre men ten tijde van het rolconflict de beroepsrol heeft verkort. Als men bij voorbeeld onvoorbereid het beroepsleven is binnengestapt en alleen rollen heeft bezet, waarvan rechten en verplicht tingen tot een minimum zijn gereduceerd, dan zal men deze moeilijk kunnen verwisselen voor meer omvattende beroepsrollen.
Er kunnen ook andere belemmeringen zijn dan de eigenschappen van de roldrager. Vollediger rolverwerkelijking vereist medewerking van de mannelijke rolpartners. Zij zullen de vrouw - als zij ten aanzien van haar niet meer kunnen terugvallen op de premaritale rol - in alle opzichten als beroepsrol-partner moeten accepteren. Voor beide partijen is het misschien moeilijker dan het voordien was om een uitweg te vinden uit botsende rolverwachtingen: in hoeverre kan de interactie nu dezelfde vorm aannemen als die tussen mannen in een dergelijke rolrelatie, in hoeverre vergt het sekseverschil der rolpartners een andere vorm?
Er zijn namelijk geen vaste varianten van beroepsrol-gedrag voor het geval de rolpartners van verschillende sekse zijn. Toch mag men aannemen, dat het beroepsrol-gedrag dan niet altijd in alle opzichten gehandhaafd kan worden zoals het tussen mannen bestaat, al zou het alleen maar zijn omdat de psychologie ons leert, dat vrouwen bepaalde beroepstaken anders aanpakken dan mannen. Het is een zaak van persoonlijke, interindividuele aanpassing een vorm van interactie te vinden, die de beroepsrol geen geweld aandoet.
Een omstandigheid, die hierop belemmerend werkt, is dat de verkorting van de vrouwelijke beroepsrollen vrij sterk gegeneraliseerd en sociaal gefixeerd is. Dat betekent, dat men wel gedwongen is zich te voegen in deze oplossing van het rolconflict ook al is men persoonlijk niet meer onderworpen aan botsende rolverwachtingen. Een van die oplossingen is bij voorbeeld om in het subsysteem van het arbeidsbestel, dat bedrijf heet, geen loopbanen voor vrouwen uit te stippelen. Een vrouw die niet trouwt, is echter in principe vrij tot het entameren van een carrière. Maar de structuur van het systeem maakt het haar onmogelijk haar beroepsrol in dit opzicht volledig te verwezenlijken, ook al slaagt zij er zelf in een goede vorm te vinden voor de interactie binnen rolrelaties.
Het rolconflict is dus op zijn minst altijd in potentie aanwezig. Het openbaart zich in elke levensfase onder andere vormen. Ik laat het voor het moment bij bovenstaande globale schets; de volgende hoofdstukken zullen gelegenheid genoeg geven tot detaillering. Alleen zal ik deze reeks van traditionele, maatschappelijk aanvaarde en gecontroleerde oplossingen van het rolconflict nog aanvullen met andere minder gebruikte en minder geaccepteerde oplossingen. Dit gebeurt op pag. 76.
Op deze plaats moet ik wel ingaan op een min of meer terloops geuite mening van Parsons, die echter zo zeer afwijkt van de mijne, dat zij niet onbesproken
mag blijven. Parsons trekt de in het gezin bestaande roldifferentiatie van man en vrouw eenvoudig door in het arbeidsbestel. Hij constateert, dat in het gezin de man de ‘instrumentele’ en de vrouw de ‘expressieve’ rol vervult.88 De rollen van de vrouw in het arbeidsbestel zijn analoog aan die van echtgenote en moeder, zoals blijkt uit beroepen als onderwijzeres, maatschappelijk werkster, verpleegster, privé-secretaresse en ‘entertainer’. Zulke rollen hebben belangrijke expressieve componenten en fungeren vaak als ‘ondersteuning’ van de mannenrollen. Vrouwen treft men veel minder aan in ‘top executive’-rollen en in de meer gespecialiseerde en ‘onpersoonlijke’ technische rollen. Zelfs binnen de vrije beroepen vinden we vergelijkbare verschillen, in de geneeskunde bij voorbeeld treft men vele vrouwen aan in de pediatrie en de psychiatrie, terwijl er weinig vrouwelijke chirurgen zijn.89
De feiten zijn juist, maar moet men hierin inderdaad niet meer zien dan een eenvoudige herhaling van het gezinspatroon? De vrouwenberoepen in verpleging en maatschappelijk werk zijn ontstaan als verlengstukken van de vrouwelijke gezinsrol, die later geprofessionaliseerd werden (en zich daarmee steeds verder van de gezinsrol verwijderden, vooral het beroep van maatschappelijk werkster dat steeds ‘wetenschappelijker’ en gespecialiseerder wordt.) De later, ontstane vrouwenberoepen zoals secretaresse en andere assisterende functies, de reeds genoemde ‘contact’-beroepen vinden hun oorsprong niet in de vanuit het gezin, verrichte arbeid. Zij hebben zich als specifieke vrouwenberoepen geconstitueerd, doordat zij een partiële oplossing voor het rolconflict belichaamden. Dat is ook de functionele betekenis van de rolverdeling binnen het arbeidsbestel. Een inter-rolconflict zou kunnen leiden tot onvolledige verwezenlijking van de beroepsrol en dat kan de ongestoorde voortgang van het maatschappelijk produktieproces in gevaar brengen. Men tracht dit gevaar te bezweren door vrouwen te bestemmen voor de bezetting van beroepsrollen, waarin als essentiële kenmerken trekken uit de premaritale of de gezinsrol zijn opgenomen. Parsons wekt met zijn opmerkingen de indruk het rolconflict niet te zien of het te ontkennen. Welke functionele betekenis het simpelweg doortrekken van het gezinspatroon in het arbeidsbestel zou kunnen hebben, ontgaat mij eigenlijk. En bij een uitspraak van Parsons is het toch niet ongeoorloofd juist dit aspect van de zaak naar voren te halen.
Ik recapituleer nu meer systematisch welke mechanismen traditioneel gebruikt worden om het inter-rolconflict op te lossen.
| (1) | Het zich onttrekken aan een der beide strijdige rollen. Daar de huwelijks- en gezinsrol in sterke mate het karakter draagt van een toege- |
| wezen rol, zal men zich meestal niet aan deze rol, maar aan de beroepsrol onttrekken. (De participatie der vrouwen in het arbeidsbestel is aanzienlijk geringer dan die van de mannen en blijkt sterk afhankelijk te zijn van burgerlijke staat en kindertal.) | |||||
| (2) | Onvolledige verwezenlijking van een van heide of van
beide rollen, i.c. de beroepsrol en de premaritale rol.
Onvolledige verwezenlijking van de beroepsrol kan gevaar opleveren
voor het ongestoord verloop van de processen binnen het
arbeidsbestel. Hiertegen is een beveiliging geschapen in de
toegankelijkheid van een naar aard en aantal beperkt areaal van
beroepsrollen voor de vrouw:
|
||||
| (3) | Dit alles neemt niet weg, dat bijna elke beroepsrol die bezet wordt door. een vrouw in bepaalde opzichten toch onvolledig wordt gerealiseerd, waartoe alle partijen in de rolrelaties bijdragen. Zo slaagt zij er vaak niet in haar rol volledig toe te rusten met de structurele rolattributen, zoals blijkt uit de ongelijke beloning van man en vrouw voor hetzelf- |
| de werk en uit voor de vrouw minder gunstige secundaire arbeidsvoorwaarden. In de verwezenlijking van de beroepsrol door de vrouw ligt ook niet de anticipatie op een volgende, hoger gewaardeerde beroepsrol. |
Uit het vorenstaande bleek, dat de oplossing van het rolconflict niet uitsluitend een zaak van de roldrager is. Er zijn oplossingen die als het ware gereed liggen; zonder vorm van proces wordt de rollendrager hierin geschoven (bijv. door de ontoegankelijkheid van beroepen, door ontslag bij huwelijk). Andere oplossingen zijn minder stringent, zij berusten op een communis opinio over de voorrang, die een der beide rollen moet worden verleend. Deze oplossingen zijn geen van alle zo afdoende, dat het rolconflict er voor alle levensfasen en -situaties mee uit de wereld is geholpen. Het overgrote deel der oplossingen is evenmin zo hecht geïnstitutionaliseerd, dat men er zich toch niet tot op zekere hoogte aan zou kunnen onttrekken. Ware dat wel zo, dan zou men immers ook niet meer van een rolconflict kunnen spreken. In feite ziet men, dat de genoemde beveiligingen, van het arbeidsbestel (en van het gezin) nooit geheel doorgevoerd zijn en dat er zelfs meer en meer inbreuk op wordt gemaakt.
Het laten varen van de beroepsrol bij huwelijk was lange tijd een van de meest vergaand geïnstitutionaliseerde oplossingen, vastgelegd in zedelijke, morele en fatsoensnormen en zelfs in rechtsregels. Niettemin zijn er altijd wel gehuwde vrouwen geweest, die een beroepsrol vervulden. Sinds de tweede wereldoorlog echter wordt de oplossing in toenemende mate van de hand gewezen door de dragers der rollen, terwijl ook vanuit de maatschappij de houdbaarheid in twijfel getrokken wordt. Steeds meer wordt het werken van de gehuwde vrouw in beroepsrollen ‘geoorloofd’ gevonden, steeds meer wordt het gezien als haar recht.91 En zelfs gaan er al stemmen op, die het haar als plicht willen aanmerken, zij het onder enig voorbehoud.92 Dit zal dwingen tot het zoeken van andere oplossingen voor het hierdoor weer zeer acuut geworden conflict tussen beroepsrol en gezinsrol.
Bijna vanaf de aanvang van het emancipatieproces hebben vrouwen pok toegang weten te krijgen, hetzij incidenteel hetzij in grote getale, tot. beroepen waarvan het rolkarakter geen essentiële trekken vertoont van de gezinsrol of de premaritale rol. - In de artistieke en intellectuele beroepen zijn zij vertegenwoordigd, hoewel niet in alle en hoewel soms ook maar schaars. Ook in administratieve en verkoopsfuncties is het aantal vrouwen groot. Daarentegen komen zij weinig voor in leidinggevende
functies en in beroepen, die het beheer over geld of goederen inhouden. Ook de beroepen met technisch-ambachtelijk karakter zijn grotendeels voor de vrouwen gesloten gebleven.
De onvolledigheid in de verwezenlijking van beroepsrollen in het algemeen kent ook uitzonderingen. Er zijn vrouwen die als persoonlijke oplossing van het rolconflict uitsluitend de beroepsrol hebben gekozen en deze in alle compleetheid hebben gerealiseerd. Er zijn ook vrouwen die gezinsrol en beroepsrol hebben gecombineerd en niettemin de beroepsrol met een grote mate van volledigheid hebben vervuld. (Het is natuurlijk een belangrijke vraag of en in hoeverre dit ten detrimente van de gezinsrol is gebeurd.) Ook de inkorting van structurele rolattributen is niet zonder uitzonderingen. De overheid bij voorbeeld heeft als werkgeefster altijd mannen en vrouwen gelijk beloond voor gelijke arbeid.
Ik vat samen. Er is een conflict tussen enerzijds de rol van echtgenote en moeder die iedere vrouw in principe is toegedacht, als mede de hierop anticiperende rol, en anderzijds willekeurig welke beroepsrol.
Dit conflict openbaart zich in verschillende vormen en in verschillende levensfasen en levenssituaties.
De beschikbare oplossingen voor het conflict gelden steeds voor een specifieke situatie of levensfase waarin het zich voordoet en vrijwaren de rollendrager niet voor terugkeer van het conflict onder een andere vorm in een andere situatie.
Oplossingen zijn in verschillende mate maatschappelijk ingebed. Ze liggen nooit zó vast dat andere oplossingen a priori volledig uitgesloten zijn al worden die niet gesteund door in ruime kring geldende normen.
De feitelijke beschrijvingen uit hoofdstuk II en III zijn in dit hoofdstuk omgezet in een in sociologische termen gestelde interpretatie. Alle beschreven verschijnselen zijn teruggevoerd op één rolconflict, wat betekent dat ze alle veroorzaakt worden door botsing van dezelfde normen en waarden. Deze verschijnselen stellen oplossingen voor van dat rolconflict. In die oplossingen wordt aan bepaalde waarden en normen voorrang gegeven boven andere.
Deze oplossingen zijn niet alleen een zaak van de dragers der rollen, zo
werd reeds gesteld, en zelfs niet alleen van alle rolpartners, maar de toepasbaarheid van een oplossing is afhankelijk van de aanvaarding daarvan door de maatschappij in wijdere zin. Het maatschappelijk vastgelegd zijn van een oplossing kan in vormen en gradaties variëren. De oplossing kan vast verankerd zijn in formele regels, waarvan de naleving gewaarborgd wordt door een controle-apparaat dat over formele sancties beschikt. Dit is het geval als beroepen wettelijk gesloten zijn voor vrouwen. De oplossing kan ook vastliggen in de normen en waarden, die gehandhaafd worden door groepen waarvan de roldrager deel uitmaakt of zich op oriënteert. Zo kunnen in geval van afwijzing van de beroepsrol ten behoeve van de gezinsrol de opvattingen doorslaggevend zijn, die hierover leven in de familie of de kerkelijke groepering waarvan dé rollendrager lid is. Men kan zeggen, dat een oplossing zich nog zoekt in te nestelen in de samenleving, als een roldrager zich in zijn gedrag slechts gesteund weet door een aantal subjecten van hetzelfde rolconflict, die echter verder niets met hem gemeen hebben.
In hoeverre eenmaal aanvaarde, algemeen gehanteerde oplossingen veranderen kunnen, lijkt afhankelijk te zijn van drie soorten factoren.
| (1) | In speciale situaties worden toch altijd ook nog andere oplossingen benut. Hoewel de plaats van de gehuwde vrouw geacht werd thuis te zijn in haar gezin, werd en wordt het normaal gevonden dat een weduwe de kost verdient. Op zichzelf zijn deze afwijkingen geen stimulans voor verandering, omdat zij toch als uitzondering worden beschouwd. Wel blijkt er dus plaats voor deze oplossingen te bestaan en hieraan kunnen anderen, die om andere reden een nieuwe oplossing zoeken, zich spiegelen. |
| (2) | Structurele factoren kunnen zo opdringen dat zij op grote schaal andere dan gebruikelijke gedragspatronen bewerkstelligen. In oorlogvoerende landen stromen vrouwen beroepen binnen waar zij in vredestijd van uitgesloten bleven. In tijden van hoogconjunctuur werven bedrijven gehuwde vrouwen aan, die even te voren onmisbaar geacht werden bij de huiselijke haard. - Het is niet gezegd, dat dergelijke veranderingen permanent worden. Het blijven tijdelijke afwijkingen als hun bestaansvoorwaarden te kort aanwezig zijn om van de verandering een vast patroon te maken dat gesteund wordt door normen. |
| (3) | Culturele factoren, veranderingen in de normen en waarden die de conflicterende rollen schragen, kunnen ook de oplossing van het conflict veranderen. Secularisatie en vrouwenemancipatie brachten wijziging in |
| de normen die de gezinsrol van de vrouw maakten tot een rol die haar hele leven omvatte. Nevenoriëntatie op een beroep ging men nuttig vinden voor het geval dat zij niet zou trouwen ofwel haar huwelijk ontbonden zou worden. - |
Structurele en culturele factoren kunnen afzonderlijk of tezamen in onderlinge wisselwerking optreden. (Men neme deze opmerkingen over sociale verandering voor wat zij zijn, geen poging tot theorievorming maar tot het geven van een achtergrond aan de empirische bestudering van een bepaalde sociale verandering.)
Als een oplossing is geworden tot een vast en duurzaam gedragspatroon, dat gesteund wordt door algemeen aanvaarde prioriteiten in de normenen waardenschaal kunnen we zeggen dat die oplossing geïnstitutionaliseerd is. Het verloren gaan van een dergelijk gedragspatroon is de-institutionalisering.
In het verder verloop van dit boek zal het erom gaan vast te stellen in hoeverre de traditionele, min of meer geïnstitutionaliseerde oplossingen van het rolconflict in stand gehouden dan wel afgebroken worden en welke kans nieuwe oplossingen maken op institutionalisering. Institutionalisering impliceert sociale controle.
‘De institutionalisering van menselijke handelingen tot gebruiken, gewoonten, zeden, en instellingen geeft aanleiding tot sociale dwang over de handelende individuen. Het individu moet zijn handelingen verrichten volgens de getradeerde handelingspatronen van het sociale systeem; doet hij dat niet, dan krijgt hij onherroepelijk te maken met psychologische spanningen, sociale conflicten en sociale en/of fysieke sancties van de bij het sociale systeem betrokken groep.’93
Sociale controle verloopt volgens Van Doorn en Lammers, die hiervoor terugvallen op Homans, via de mechanismen cultuuroverdracht, sancties, collectief ritueel en positietoewijzing.94
Richting en uitwerking van de sociale controle op de gedragspatronen die als oplossing van het rolconflict voorhanden zijn, vormen het onderwerp van deze studie. Ik beperk mij daarbij tot de sociale controle middels sociale systemen die in directe relatie staan tot het arbeidsbestel. De begrenzing is enigszins arbitrair. Bij eerste oogopslag is te zien, dat genoemde controlemechanismen ook functioneren door middel van deze systemen. Cultuuroverdracht en positietoewijzing - in mijn terminologie: roltoewijzing - zijn zeer belangrijk in het kader van het gezin en het
onderwijs. Beslissend werkt het mechanisme van roltoewijzing binnen de subsystemen van het arbeidsbestel, die ik gemakshalve met de verzamelnaam ‘bedrijven’ zal aanduiden. Cultuuroverdracht vindt ook plaats in de georganiseerde beroepenvoorlichting, roltoewijzing via de georganiseerde arbeidsbemiddeling en beroepskeuzevoorlichting. Sociale controle door middel van sancties is voornamelijk gelokaliseerd in overheid en vakverenigingen.
Genoemde systemen worden in de volgende hoofdstukken elk afzonderlijk behandeld aan de hand van het volgende vragenschema:
| - | welke functies vervult het systeem voor het arbeidsbestel? |
| - | welke consequenties heeft de vervulling van deze functies voor mannen en vrouwen wat betreft hun rollen en rolbezetting in het arbeidsbestel? |
| - | zijn deze consequenties zo bedoeld? |
| - | zo ja, welke normen en waarden zijn er dan in het spel? |
| - | welke continuïteit zit er in deze werking? |