Het onderwijs heeft voor het arbeidsbestel een tweeledige functie, die bestaat uit rekrutering van personen voor de onderscheiden arbeidsrollen en uit socialisatie of enculturatie231 van deze personen in het arbeidsbestel. Deze functie is afhankelijk van:
| - | de inhoud van het onderwijs, wat wordt er onderwezen; |
| - | de spreiding van het onderwijs, wie worden er onderwezen; |
| - | het rendement van het onderwijs, wie kunnen geacht worden zich het onderwezene eigen gemaakt te hebben. - |
Deze indeling vormt het stramien voor de behandeling van verschillende soorten van onderwijs. Maar eerst moet ik een algemene schets geven van het Nederlandse onderwijs in zijn betrekkingen tot het arbeidsbestel.
Het is dienstig daarbij een stapje terug te gaan in de historie. Ons hele onderwijsbestel draagt namelijk het stempel van zijn negentiende-eeuwse geboorte - en de Mammoetwet brengt daarin slechts ten dele verandering. De onderwijswetgeving van Thorbecke was erop gericht de standenmaatschappij te dienen en in stand te houden. Zowel de differentiatie, die Thorbecke aanbracht in het door hem gecreëerde scholenstelsel, als de uniformering van het onderwijs per schooltype voorzagen in de veronderstelde onderwijsbehoefte der onderscheidene maatschappelijke standen. Rekrutering voor en socialisatie in het arbeidsbestel waren hiermee gewaarborgd, omdat het behoren tot een bepaalde stand iemand reeds vergaand voorbeschikte tot een zeker areaal van beroepen.
Sindsdien echter traden er ingrijpende veranderingen op in het arbeidsbestel, want in de tweede helft van de eeuw deed de industriële revolutie haar intrede die een enorme uitbreiding gaf aan vooral de administratie-
ve en technische beroepensector. De arbeidsverdeling nam toe, zowel horizontaal (specialisatie) als verticaal (meer niveaus), en ook de arbeid nam toe, d.w.z. allerlei maatschappelijke taken die vroeger in het gezin of door particulieren vrijwillig werden verricht, werden in het arbeidsbestel opgenomen. De bezetting van de nieuwe beroepen was niet a priori gebonden aan een maatschappelijke stand; onder invloed van deze ontwikkeling zag men de standsgrenzen trouwens vervagen.
Het beroepsonderwijs is in de negentiende en twintigste eeuw ontstaan grotendeels als bovenbouw op de verschillende typen en niveaus van algemeen vormend onderwijs. Het beroepsonderwijs draagt in meest directe zin bij tot de socialisatie in de beroepsrol en de enculturatie in het arbeidsbestel. Met de voortschrijdende arbeidsverdeling en het ontstaan van nieuwe beroepstaken heeft het onderwijs zich uitgebreid ten koste van andere vormen van socialisatie en enculturatie. De scholing in de praktijk wordt meer en meer vervangen door formele, schoolse opleidingen. Dit is deels een kwestie van efficiëntie, maar voornamelijk vindt het toch zijn oorzaak in de meer en meer theoretische kennis en uniforme kundigheid verlangende arbeidsprocessen.
De geschetste onderwijssituatie heeft consequenties voor de arbeidsvoorziening. Het algemeen vormend onderwijs brengt iemand op een bepaald niveau van algemene kennis. Dit correspondeert met een bepaald beroepsniveau in het arbeidsbestel. Het algemeen onderwijs brengt dus al een verdeling van de mankracht tot stand over verschillende niveaus voordat het beroepsonderwijs eraan te pas komt. Het criterium voor. deze verdeling wordt geacht te zijn de ‘begaafdheid’ van de rekruten, het geestelijk vermogen zich kennis te verwerven.
In feite is dat niet het enige criterium; vele onderzoekingen hebben aangetoond, dat economische en sociaalculturele factoren in belangrijke mate meespelen. Het standskarakter van het onderwijs werkt door in een maatschappij, waarin de arbeidsverdeling niet meer parallel kan lopen met standsgrenzen.232 Dit heeft gevolgen voor de rekrutering. Het algemeen vormend onderwijs zou zo werken als een barrière voor de doorstroming van lagere naar hogere beroepsniveaus, omdat het volgen van beroepsonderwijs op een bepaald niveau slechts mogelijk is voor hen die een zekere hoeveelheid en soort algemeen onderwijs hebben genoten. Naarmate de standsgebonden professionele voorbestemming wegviel en de vrijheid en mogelijkheden in de beroepskeuze groter werden, bleek ook een bezwaar van ons onderwijsstelsel te zijn, dat men gedwongen is op
zeer jonge leeftijd een richtingkeuze te doen, die de latere, definitieve beroepskeuze soms zeer inperkt. Het rendement van het onderwijs wordt ook nadelig beïnvloed als richtingkeuzen worden gemaakt, die naderhand niet in overeenstemming blijken te zijn met persoonlijke aanleg, belangstelling of capaciteiten.
De Mammoetwet heeft in het onderwijs een aantal structurele veranderingen aangebracht, die gevolgd moeten worden door inhoudelijke veranderingen. Het hele complex van wijzigingen beoogt mede genoemde bezwaren op te heffen.
De toegenomen verticale geleding van het arbeidsbestel weerspiegelt zich in een grotere verticale differentiatie in het onderwijs: vier trappen in het algemeen voortgezet onderwijs, t.w. lager, middelbaar en hoger algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs; die trappen in het beroepsonderwijs, lager, middelbaar en hoger, hoewel dit niet geldt voor alle soorten beroepsonderwijs.
De toegenomen horizontale differentiatie doet zich gevoelen in de schepping van het economisch en administratief onderwijs en wellicht in de mogelijkheid een leerstofpakket voor iedere leerling individueel enigszins te variëren. - De definitieve richtingkeuze na de lagere school wordt een jaar verschoven door de instelling van het brugjaar, waarin men hoopt te komen tot een zo goed mogelijke determinatie van de geschiktheid van de leerling voor een bepaald type onderwijs.
Toch is de bestaande scholenindeling in principe gehandhaafd. Ook de relatie tussen algemeen en beroepsonderwijs blijft in grote trekken gelijk; er is geen sprake van integratie van scholen voor algemeen en voor vakonderricht. Op technisch gebied was echter reeds een stelsel van verticaal aansluitende vakopleidingen ontstaan en daarmee is hier de mogelijkheid geschapen tot rekrutering voor de hogere beroeps niveaus buiten het algemeen onderwijs om.
Een lagere vakopleiding kan zijn completering vinden in een deels praktische deels theoretische leertijd in een bedrijf. Het leerlingwezen is bij de wet geregeld; een leerlingstelsel kan echter alleen ontstaan op initiatief van een bedrijfstak. De ontwikkeling van de techniek heeft er ook reeds
toe geleid, dat binnen afzonderlijke bedrijven opleidingen worden ingevoerd: ter rekrutering van kader, voor specialisatie, voor aanvulling van kennis en voor versnelde vakopleiding van volwassenen.
Naarmate het beroepsonderwijs horizontaal meer gedifferentieerd is, wordt het arbeidsaanbod in de nabije toekomst gemakkelijker te voorspellen. De rekrutering voor beroepsrollen vindt dan eigenlijk al plaats bij de werving van leerlingen voor de opleiding. Hoewel grotere specialisatie in opleidingen de rekrutering dus overzichtelijker maakt, wordt een herverdeling van de mankracht over de beroepsrollen moeilijker. Het arbeidspotentieel wordt minder wendbaar, omdat immers de arbeidskrachten zijn voorbereid op een beperkte beroepsrol.
De reactie hierop is, dat men nu probeert binnen de gedifferentieerde onderwijsvormen de cultuuroverdracht weer te verruimen. De basis van algemene ontwikkeling wordt verzwaard; daarop komt de beroepsvorming die evenwel ook weer een basis is van wat genoemd wordt ‘algemene beroepsgerichte vorming’. De eigenlijke vakscholing moet dan in het bedrijf zelf plaats hebben binnen het leerlingstelsel of anderszins.
Een betere basisontwikkeling vergemakkelijkt eventueel noodzakelijke beroepsomschakelingen. Er is bovendien in het bedrijfsleven ook een neiging tot de-specialisatie waar te nemen (men maakt een man geschikt voor uiteenlopende taken) en deze trend is ook gediend met een ruimere grondvorming. Tenslotte vergt verwerkelijking van de medezeggenschapsgedachte, in welke vorm dan ook, dat de werknemer over een ruimere gemiddelde ontwikkeling beschikt dan nu het geval is.
Al deze factoren werken ertoe mee hogere eisen te stellen aan de algemene vorming en de vorming voor de eigenlijke beroepsrol naar een zo laat mogelijk tijdstip te verschuiven. Dit leidt op alle niveaus tot verlenging van de opleidingstijd.
Ik laat het voorlopig bij deze summiere opmerkingen over de huidige algemene verhouding tussen onderwijs en arbeidsbestel. In het vervolg zal zich meer dan eens de gelegenheid voordoen deze opmerkingen te concretiseren en te specificeren.
Het probleem is of er uit de relatie tussen het onderwijs en het arbeidsbestel en uit de wijze waarop die relatie zich ontwikkelt, speciale conse-
quenties voortvloeien voor oplossingen van het rolconflict. Ter beantwoording van deze vraag zal ik nu verschillende vormen van onderwijs de revue laten passeren. Volledigheid is onmogelijk en binnen het kader van deze algemene studie ook niet geheel terzake.
Het lager onderwijs wordt buiten beschouwing gelaten, omdat dit een weinig en nog steeds minder belangrijk wordende functie heeft ten opzichte van het arbeidsbestel.
Het algemeen voortgezet onderwijs (deel B van dit hoofdstuk) is zeer belangrijk vanwege zijn omvang - het trekt de helft van de leerlingen die de lagere school verlaten - en vanwege zijn functie t.a.v. het beroepsonderwijs.
Van het lager beroepsonderwijs interesseert mij vooral het huishoud- en nijverheidsonderwijs voor meisjes, niet alleen om zijn kwantitatieve betekenis (een kleine 40% der meisjes die de lagere school verlaten, gaan hierheen), maar ook om zijn afwijkende inhoud en functie (deel C).
Het middelbaar en hoger beroepsonderwijs is zo sterk gedifferentieerd, dat het niet mogelijk is dit te behandelen (enkele gegevens vindt men in C). Wel zal ik een beschouwing wijden aan het beroepsonderwijs voor meisjes in zijn algemeenheid (deel D).
Het wetenschappelijk onderwijs wordt behandeld, omdat dit voor mijn probleem van bijzondere betekenis is (deel E).
Het voortgezet onderwijs verkeert in een overgangstijd. Bij de aanvang van de cursus 1968/'69 is voor de eerste leerjaren de nieuwe Wet op het Voortgezet Onderwijs (W.V.O. = Mammoetwet) van kracht geworden, de hogere leerjaren zijn de oude toestand blijven continueren. Nieuwe wijn wordt in nieuwe zakken verpakt: de etiketten van de diverse schooltypen zijn ook veranderd. De te gebruiken statistische gegevens betreffen nog alle de situatie voor de Mammoetwet van kracht werd. Ik zal oude en nieuwe benamingen door elkaar gebruiken naar gelang hun context.233
Met een vergelijking van het aan jongens en het aan meisjes gegeven avo naar inhoud ben ik snel klaar. Sinds bijna honderd jaar bezoeken jongens en meisjes dezelfde avo-scholen en krijgen zij daar hetzelfde onderwijs, met één uitzondering: de middelbare meisjesschool.234 Maar het ziet ernaar uit dat deze binnen afzienbare tijd alleen nog van historisch belang zal zijn. Gecreëerd in de middelbaar-onderwijswet van 1863, opvolgster van de kostschool voor de dochters uit de betere standen, produkt van de vraag naar beter onderwijs voor meisjes in de zin van meer en betere intellectuele vorming, kwam dit type onderwijs tot grote bloei. Het bleek in een behoefte te voorzien.
Bij de W.V.O. werd nu de mogelijkheid geschapen ook aan jongens onderwijs op dit niveau te geven, in de gemengde havo-scholen. Het havo heeft een uitgebreider vakkenpakket dan het mmo. Binnen dit schooltype is in de hoogste twee leerjaren differentiatie mogelijk naar bijv. de wiskundige richting als voorbereiding op het hoger technisch onderwijs (hto) of de economische richting als voorbereiding op het hoger economisch en administratief onderwijs (heao). Vergeleken met de mms biedt het havo ruimere mogelijkheden ook met het oog op de toekomstige beroepskeuze.. Het musisch element dat op de mms een grote plaats inneemt, is bij het havo tot een zeer bescheiden plaats teruggedrongen.
Wettelijk is de mms met het havo gelijk gesteld. Bij amendement is zelfs de mogelijkheid geschapen het eigen karakter van dit schooltype te handhaven. (Art. 8, lid 3 van de W.V.O. luidt: ‘Scholen en afdelingen voor havo, waarbij het onderwijs in de literaire en culturele vakken op de voorgrond staat, zijn vrijgesteld van de verplichting tot het geven van onderwijs in economie, handelswetenschappen en recht’)
De wetgever heeft het mmo met alle egards behandeld. De vraag is of dat nodig was want het gaat er nu op lijken of de mms haar langste tijd heeft gehad. Blijkens een in 1967 gehouden enquête235 gaan de mms-en die verbonden zijn aan lycea voor het overgrote deel op in de havo-school. Mms-en verbonden aan meisjeslycea en meisjeshbs-en met b-opleiding worden ook bijna alle gemengde havo-scholen. Een aantal zelfstandige mms-en blijft als zodanig nog bestaan, maar het is lang niet uitgesloten dat dit een voorbijgaande toestand zal zijn. Op de meeste r.k. mms-en worden thans ook jongens toegelaten.
Volgens een informant wordt de mms weggeconcurreerd, omdat de ou-
ders coëducatie willen. Als dat zo is dan ligt de conclusie voor de hand dat de ouders niet al die tijd de mms geprefereerd hebben, omdat dit onderwijs rekening houdt ‘met de fysieke en psychische kenmerken van het meisje in de leeftijd van 12-17 jaar’ (Idenburg, in aansluiting op Bolkestein236), maar omdat het programmaniveau hun voor hun kind het meest geschikte leek. Terecht overigens, zoals de studieresultaten zullen laten zien.
Past het te treuren over het lot dat de mms vermoedelijk beschoren zal zijn? Dat een sterk musisch gerichte opleiding verdwijnt, is zeker een groot verlies, maar staat niet in direct verband tot het onderhavig probleem. Verder biedt het havo de mogelijkheid ongeveer hetzelfde vakkenpakket te kiezen als de mms biedt, zodat deze studiemogelijkheid in ieder geval niet verdwijnt. Dat een enclave van separate educatie opgeheven wordt, kan niet als een verlies beschouwd worden, omdat het geen zin heeft alleen op havo-niveau het meisje ‘apartheid’ aan te bieden.
Wat betekende overigens die apartheid? De mms heeft zich in het algemeen niet onderscheiden door een systematisch afwijkende didactiek, hoewel bij voorbeeld Daalder dat wel propageerde237 en de afzondering daarin haar zin zou vinden. Een dergelijke didactiek is niet ontwikkeld, vermoedelijk omdat de behoefte eraan niet zeer manifest was. Op alle gemengde avo-scholen draaiden de meisjes toch ook mee! De leerproblemen die specifiek zijn voor de meisjes komen ook niet zo sterk tot uiting in het avo. (In deel E kom ik daarop terug.) Dan blijft over, dat de mms zich toch van het ander avo onderscheidt in het didactisch en pedagogisch klimaat, maar dat is een hoogst ongrijpbare zaak.
Concluderende hel ik over tot de mening, dat de mms een belangrijke functie heeft vervuld in het bieden van onderwijs op een niveau dat aansloot bij behoeften van een deel der vrouwelijke bevolking, maar dat deze functie even goed en in sommige opzichten beter vervuld zal kunnen worden door het havo.
Na de inhoud van het onderwijs is de vraag aan de orde of er verschillen bestaan in de maten waarin verschillende typen van scholen door jongens en door meisjes bezocht worden. Tabel XVII a,b geeft een overzicht van de ontwikkeling in de deelneming aan het voortgezet onderwijs over een
| bestemming | 1936 | 1956 | 1961 | 1962 | 1963 | 1964 | 1965 | 1966 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| v.g.l.o. | - | 13 | 10 | 9 | 9 | 8 | 7 | 7 |
| u.l.o. | 22 | 30 | 31 | 30 | 30 | 30 | 30 | (1)30 |
| v.h.m.o. | 8 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 20 |
| beroeps- onderwijs: |
||||||||
| volledig } | 35 | 37 | 39 | 39 | 40 | 40 | 41 | 41 |
| partieel } | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | |
| geen verder | ||||||||
| geregistr. onderw. | 35 | 2 | 3 | 4 | 2 | 2 | 1 | 1 |
| totaal % | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| absoluut | 79.300 | 97.180 | 116.090 | 111.030 | 108.650 | 108.730 | 107.930 | 107.160 |
tussen () het percentage leerlingen toegelaten tot brugklassen van scholen met (vwo-) havo-mavo-experiment; deze percentages zijn begrepen in de bijbehorende percentagesperiode van dertig jaar. In dit tijdvak is de deelneming over de gehele linie toegenomen. De meisjes hebben hun oorspronkelijke achterstand na 1956 volledig ingelopen. Er gaan relatief wat meer meisjes dan jongens naar het ulo en wat minder naar het vhmo en het lager beroepsonderwijs (lbo).
bron; c.b.s., Overgangen binnen het onderwijs en intrede in de maatschappij 1936, 1956 en 1961-1966, 1967. pag. 39
Het verschil ulo-vhmo kan op twee manieren tot stand komen, aangenomen althans dat het aantal meisjes dat geschikt is om vhmo te volgen evenredig is aan het aantal jongens: er gaan minder meisjes naar het vhmo dan er geschikt voor zijn en/of er gaan meer jongens naar het vhmo dan er geschikt voor zijn. Beide zijn het geval.
In aansluiting op vroegere onderzoekingen van anderen toonde Van Weeren238 aan, dat er uit de beroepsgroepen van handarbeiders en boeren minder meisjes naar het vhmo gaan dan er geschikt voor zijn volgens de N.D.T, (Ned. Onderwijs-Differentiatie Testserie). Verder bleek hem, dat
| bestemming | 1936 | 1956 | 1961 | 1962 | 1963 | 1964 | 1965 | 1966 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| vglo | - | 15 | 12 | 11 | 11 | 11 | 10 | 9 |
| ulo | 19 | 33 | 34 | 34 | 34 | 34 | 34 | (1)35 |
| vhmo | 4 | 11 | 13 | 14 | 14 | 15 | 17 | 17 |
| beroeps- onderwijs: |
||||||||
| volledig } | 23 | 36 | 39 | 39 | 39 | 38 | 37 | 38 |
| partieel } | 1 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | |
| geen verder | ||||||||
| geregistr. onderw. | 54 | 5 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 0 |
| totaal % | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| absoluut | 77.000 | 92.780 | 112.140 | 106.400 | 104.850 | 105.480 | 105.270 | 102.980 |
tussen () het percentage leerlingen toegelaten tot brugklassen van scholen met (vwo-) havomavo-experiment; deze percentages zijn begrepen in de bijbehorende percentageseen ulo-advies van de onderwijzer vaker niet opgevolgd wordt voor jongens dan voor meisjes. Relatief meer jongens dan meisjes komen terecht op het vhmo, hoewel dit - volgens het oordeel van de onderwijzer hun capaciteiten te boven gaat. Men zou dit kunnen toeschrijven aan verschillende aspiratieniveaus van ouders voor hun zoons en voor hun dochters.
bron: c.b.s., Overgangen binnen het onderwijs en intrede in de maatschappij 1936, 1956 en 1961-1966,1967. pag. 39
Het verschil ulo-lbo kwam ook naar voren in een al wat ouder onderzoek dat Matthijssen239 in Zuid-Limburg instelde. Er was een duidelijk onderscheid in schoolkeuze tussen zoons en dochters van ‘hoger geklasseerde handarbeiders’: de jongens gingen in meerderheid naar het lager technisch onderwijs (lto), de meisjes in grote getale naar het ulo. Zij gingen in mindere mate naar de huishoudschool (onderdeel van het lbo) dan de dochters van de ‘lager geklasseerde handarbeiders’ en de in een afzonderlijke categorie ondergebrachte mijnwerkers.
Gaat men in arbeidersmilieus ook voor meisjes meer dan vroeger selectief te werk bij de schoolkeuze? Of raakt de huishoudschool in diskrediet? Of is de ulokeuze een kwestie van maatschappelijke stand? Deze gegevens laten geen antwoord toe op die vragen, waar ik ia hfdst. XII op terugkom.
Er zijn niet alleen cijfers over de toestroming naar het avo vanaf de lagere school, er zijn ook gegevens over vertrek uit scholen voor avo en wat daarna gebeurt Het laatste alleen gebrekkig. Het Centraal Bureau voor de Statistiek registreert namelijk lang niet alle vormen van onderwijs: vele beroepsopleidingen vallen erbuiten. Voor een vergelijking van jongens en meisjes zou dat niet zo erg zijn, als men er vanuit kon gaan dat relatief even veel meisjes als jongens niet geregistreerde opleidingen volgen na hun vertrek uit het avo. Maar dat is beslist niet zeker, integendeel, er is een gerede kans dat meisjes relatief meer niet door het C.B.S. geregistreerde beroepsopleidingen volgen dan jongens (zie deel D van dit hoofdstuk). Niet opgenomen in de registratie zijn bijv. avondlycea en -hbs-en, opleidingen voor M.O.-akten, verpleegstersopleiding, conservatoria, opleiding voor vroedvrouwen, al het schriftelijk onderwijs.
In verband met het bovenstaande is bescheidenheid in de conclusies uit het beschikbare materiaal gewenst. Een volledig overzicht van de relevante cijfers vindt men in bijlage IL (De cijfers betreffen de jaren 1961-1966). - Hier wordt daarvan de samenvatting gegeven.
Bij vertrek zonder diploma blijken op elke trap van onderwijs (ulo, verschillende typen van vhmo, lagere en hogere leerjaren) meer meisjes dan jongens het geregistreerd onderwijs definitief vaarwel te zeggen, behalve bij het vertrek uit de hogere leerjaren vhmo waar het overgrote deel van beide seksen geen verder geregistreerd onderwijs ontvangt. Alleen bij vertrek uit de lagere leerjaren van het ulo is de toestand sinds 1961 in gunstige zin veranderd, d.w.z. het percentage geen verder onderwijs is gedaald, maar die daling verloopt bij de meisjes in een langzamer tempo. Het laagst ligt het percentage dat geen verder geregistreerd onderwijs ontvangt bij de vertrekkenden uit leerjaar 1-3 van het vhmo en hier lopen de meisjes sinds 1961 hun achterstand in.
Ook bij vertrek met diploma zetten op elke trap meer jongens dan meisjes de studie (in het geregistreerde onderwijs) voort, met uitzondering van de hbs-a. opleiding die voor ongeveer de helft van zowel de jongens als de meisjes eindopleiding is. - Het algemene beeld is dat de deel-
neming aan het voortgezet onderwijs bij de meisjes hetzelfde patroon vertoont als bij de jongens. Kwantitatief volgen zij de jongens op een afstand.
In de bestreken periode is bij de meisjes een trend te zien van betere benutting van hun avo-opleidingen in die zin, dat zij steeds meer naar op het avo aansluitende niveaus van beroepsonderwijs gaan in plaats van naar een lager niveau van beroepsonderwijs. Toch is er bij de meisjes - en dat vindt men niet bij de jongens - een niet te verwaarlozen aantal dat een beroepsopleiding kiest op een lager niveau dan waar hun avo-diploma hun recht op geeft.
De bovenvermelde gevolgtrekkingen krijgen meer reliëf als men het rendement van het onderwijs erbij betrekt in de zin van studieresultaten. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft twee studies gemaakt van schoolloopbanen resp. bij het ulo (generatie 1954) en bij het vhmo (generatie 1949). Tot en met 1964 zijn er ook cijfers beschikbaar over niet-bevorderde resp. niet-geslaagde leerlingen per schooltype en over geslaagden voor eindexamens naar schooltype en soort diploma.240
Bij het vhmo is het studierendement van de meisjes groter dan dat van de jongens. Zij halen in grotere getale het diploma en doen dit vaker zonder vertraging (tabel XVIH). (Dit hogere rendement wordt aangetroffen in alle sociale milieus behalve in dat van de landarbeiders.) Per leerjaar bezien blijkt vooral in de lagere leerjaren het percentage zittenblijvers onder de jongens groter dan onder de meisjes.241
Bij het vhmo is het grotere schoolsucces van de meisjes minder uitgesproken als men alleen kijkt naar hen die de school met een einddiploma verlieten (tabel XIX). Wel is het percentage dat zonder vertraging het einddiploma behaalde bij de meisjes hoger dan bij de jongens. Betrekt men in de beschouwing ook degenen die zonder einddiploma vertrokken dan blijken meisjes met voldoende vorderingen onder hen iets sterker vertegenwoordigd dan jongens met voldoende vorderingen. Andere cijfers tonen dat ook hier in elk leerjaar het percentage niet-bevorderden onder de jongens hoger is dan onder de meisjes.242 De mogelijke oorzaken van dit verschil zijn:
| (1) | De meisjes werken in grotere getale voor de lichtere diploma's. Uit de cijfers van de geslaagden is inderdaad af te lezen, dat de verhoudin- |
| gen bij jongens en meisjes anders liggen. Bij de jongens is er op elke vijf ulo-a diploma's één b-diploma, bij de meisjes is de verhouding 23 : 1.243 De geslaagden van het vhmo komen bij de meisjes voor de helft uit de sector mms; alleen het gymnasium-a diploma behalen relatief evenveel meisjes als jongens (circa 10% van de geslaagden in 1964)244. | |
| (2) | De meisjes vormen een betere selectie voor het type onderwijs dat zij volgen. |
| (3) | De meisjes doen meer hun best. - |
| algemeen totaal | zonder vertraging | met vertraging | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| totaal | M | V | totaal | M | V | totaal | M | V | |
| totaal aantal vertrok- kenen |
100 | 100 | 100 | 63 | 59 | 68 | 37 | 41 | 32 |
| vertrokken met eind- diploma: |
50 | 47 | 53 | 33 | 28 | 38 | 17 | 19 | 14 |
| vertrokken zonder eind- diploma: |
50 | 53 | 47 | 31 | 31 | 30 | 20 | 22 | 18 |
| met vold. vor- deringen: |
14 | 14 | 15 | 10 | 10 | 11 | 4 | 4 | 4 |
| uit leerjaar 1 | 7 | 8 | 6 | 5 | 6 | 4 | 1 | 2 | 1 |
| uit leerjaar 2 en hoger | 7 | 6 | 9 | 5 | 4 | 6 | 2 | 2 | 3 |
| met onvold. vor- deringen: |
36 | 39 | 33 | 20 | 22 | 19 | 16 | 18 | 14 |
| uit leerjaar 1 | 15 | 18 | 11 | 11 | 13 | 8 | 4 | 5 | 3 |
| uit leerjaar 2 en hoger | 22 | 22 | 22 | 9 | 8 | 11 | 12 | 13 | 11 |
bron: c.b.s., De ontwikkeling van het onderwijs in Nederland, editie 1966, tabel 100, pag. 130
De eerste oorzaak is op zichzelf voldoende en impliceert tot op zekere hoogte de tweede, terwijl de tweede oorzaak in zekere zin ook de derde omvat. In tabel XX worden resultaten van het vhmo per schoolsoort weergegeven: nu blijkt bij het gymnasium de voorsprong van de meisjes geen stand te houden en evenmin bij hbs-en en lycea waaraan geen mms-afdelingen zijn verbonden en waar de meisjes dus voor dezelfde diploma's werken als de jongens.
| algemeen totaal | zonder vertraging | met vertraging | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| totaal | M | V | totaal | M | V | totaal | M | V | |
| totaal aantal vertrok- kenen |
100 | 100 | 100 | 43 | 39 | 49 | 57 | 61 | 51 |
| vertrokken zonder eind- diploma: |
47 | 47 | 46 | 19 | 18 | 22 | 29 | 30 | 25 |
| met vold. vor- deringen: |
15 | 14 | 18 | 6 | 4 | 8 | 10 | 10 | 10 |
| uit leerjaar 1 en 2 | 3 | 3 | 4 | 2 | 2 | 2 | 1 | 1 | 1 |
| uit leerjaar 3 en hoger | 12 | 11 | 14 | 4 | 2 | 6 | 9 | 9 | 9 |
| met onvold. vor- deringen: |
32 | 33 | 28 | 14 | 14 | 14 | 19 | 20 | 15 |
| uit leerjaar 1 | 12 | 13 | 9 | 9 | 10 | 8 | 3 | 3 | 2 |
| uit leerjaar 2 en 3 | 12 | 13 | 10 | 3 | 3 | 4 | 9 | 11 | 6 |
| uit leerjaar 4 en hoger | 8 | 7 | 9 | 1 | 1 | 2 | 7 | 6 | 7 |
bron: c.b.s., De ontwikkeling van het onderwijs in Nederland, editie 1966, tab. 124, pag. 155
Hbs-en met mms-afdelingen en meisjesscholen van het gecombineerde type (d.z. meisjesscholen die opleiden voor gymnasium en hbs in 6-jarige cursus en die tevens een mms-afdeling hebben) blijken verhoudingsgewijs weer meer meisjes af te leveren met einddiploma in de oorspronkelijke schoolsoort dan de hbs jongens aflevert (tabel XXI). Voor de lycea met mms-afdelingen liggen de cijfers minder duidelijk, terwijl de resultaten van de mms-‘meisjesschool’ speciaal in de hogere en middelbaar-gesalarieerde milieus lager zijn dan van alle andere schooltypen.
Als meisjes voor dezelfde diploma's werken als jongens dan is hun rendement dus niet hoger. Anders wordt het als we kijken naar degenen die zonder vertraging het einddiploma behaalden (tabel XX). Hier behouden de meisjes wel degelijk een voorsprong en wel op alle schooltypen.
De feiten kan men zo uitleggen, dat op meisjes minder aandrang wordt uitgeoefend dan op jongens om een opleiding te volgen die eigenlijk hun capaciteiten te boven gaat. Wij zagen reeds, dat meisjes relatief minder
| M | V | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| schooltype bij aanvang | 1931 | 1946 | 1949 | 1931 | 1946 | 1949 |
| totaal | ||||||
| gymnasium | 52 | 53 | 57 | 48 | 52 | 54 |
| hbs | 53 | 41 | 47 | 43 | 32 | 41 |
| lyceum | 55 | 49** | 55 | 51 | 47** | 55 |
| mms | 45** | 42 | 43 | |||
| zonder vertraging | ||||||
| gymnasium | 23 | 25 | 28 | 26 | 29 | 31 |
| hbs | 22 | 18 | 19 | 21 | 19 | 24 |
| lyceum | 20 | 18** | 23 | 24 | 23** | 27 |
| mms | 27** | 24 | 24 | |||
| met vertraging | ||||||
| gymnasium | 29 | 28 | 29 | 23 | 23 | 23 |
| hbs | 31 | 23 | 28 | 22 | 14 | 17 |
| lyceum | 36 | 31** | 32 | 27 | 24** | 28 |
| mms | 18** | 18 | 19 |
bron: c.b.s., De ontwikkeling van het onderwijs in Nederland, editie 1966, tabel 127, pag. 156
naar het vhmo gaan dan jongens. Binnen het vhmo kiezen zij in grotere getale voor de lichtere opleidingen. Ook binnen het ulo doet zich dat verschijnsel voor. Bovendien lijkt het erop of de meisjes die toch te hoog gegrepen hebben eerder dan jongens hieruit de consequentie trekken de opleiding te verlaten. Zo tenminste kan het vergeleken met de jongens hoge percentage meisjes dat de school zonder vertraging doorloopt, zijn ontstaan. Daarbij dient te worden bedacht dat voor de intrede van het havo voor de jongens een keuze op mms-niveau eenvoudig niet bestond.
Bij vergelijking in tabel XXI van de resultaten van jongens en meisjes voor gymnasium, hbs en lyceum zonder mms-afdeling, is in alle sociale milieus het rendement voor de meisjes lager dan voor de jongens, in de lagere milieus zelfs aanzienlijk lager. In alle milieus schijnt dus op jongens meer pressie uitgeoefend te worden om een eenmaal begonnen opleiding te voltooien dan op meisjes.
In de tabellen XVIII en XIX vallen nog op de categorieën waarin zijn opgenomen zij die ondanks voldoende vorderingen de opleiding niet voltooid hebben. Uit leerjaar 2 en hoger van het ulo en uit leerjaar 3 en hoger van het vhmo vertrekken relatief wat meer meisjes dan jongens met voldoende vorderingen Vertrekken deze meisjes om een beroepsopleiding te gaan volgen? Op pag. 210 bleek dat naar verhouding minder meisjes dan jongens die hun avo-opleiding afbreken verder (geregistreerd) onderwijs ontvangen. Het is evenwel niet na te gaan of hieronder ook meer meisjes dan jongens voorkomen die wel voldoende vorderingen maakten.
Uit de beschikbare gegevens over omvang en rendement van het avo zijn de volgende conclusies te trekken.
| - | Hoewel de deelneming van meisjes aan het avo in grote trekken vergelijkbaar is met die van jongens zijn er verschillen die op de duur vermoedelijk grotendeels zullen verdwijnen. Deze verschillen zijn te wijten aan een drietal factoren. De eerste is een achterstand in de democratisering van het onderwijs waar het de meisjes betreft. Deze achterstand zal op den duur wel worden ingelopen. De tweede factor is dat er voor meisjes een ander aspiratieniveau bestaat dan voor jongens, te oordelen naar de cijfers in alle sociale lagen. Hierop kom ik in hfdst XII terug. Dat tot voor kort de meisjes een ruimere keuze aan schooltypen |
| M | V | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| hbs | lyceum | ‘meisjes- school’ |
||||||||
| milieu | gymn. | hbs | lyc. | gymn. | zonder afd. mms | met afd. mms | zonder afd. mms | met afd. mms | mms | gecomb. typen |
| hoger | 62 | 49 | 62 | 58 | 45 | 59 | 58 | 63 | 48 | 57 |
| middel- baar: |
||||||||||
|
gesala- rieerden |
60 | 53 | 51 | 56 | 49 | 52 | 54 | 53 | 40 | 58 |
|
zelf- standigen |
46 | 42 | 46 | 39 | 36 | 46 | 41 | 60 | 37 | 47 |
| lager: | ||||||||||
| adm. personeel | 68 | 46 | 61 | 50 | 34 | 56 | 37 | 70 | 36 | 54 |
| arbeiders | 44 | 44 | 51 | 23 | 36 | 52 | 39 | 45 | 44 | 51 |
bron: gegevens ontleend aan de C.B.S. publikatie ‘Schoolloopbaan van de leerlingen van het V.H.M.O., generatie 1949’.
| hadden dan de jongens is de derde factor, die ertoe bijdraagt dat meisjes zich concentreren in de ‘middelste regionen’ (ulo en mms) van het avo. Met de invoering van het havo zullen ook jongens wel van deze mogelijkheid gebruik gaan maken, zodat de verschillen daardoor meer genivelleerd worden. | |
| - | Als meisjes voor hetzelfde diploma werken als jongens zijn hun resultaten slechter in die zin dat minder meisjes dat diploma ook halen. Maar omdat relatief meer meisjes dan jongens een diploma zonder vertraging behalen, mag men aannemen dat het eerstgenoemde verschil voortkomt uit een lager aspiratieniveau: meisjes geven het sneller op dan jongens. Een lager aspiratieniveau wordt ook gesuggereerd door het feit dat meisjes binnen een bepaalde schoolsoort veel vaker de lichtere diploma's behalen dan jongens. |
| - | Hoewel veel meer meisjes dan voorheen door het avo worden bereikt, |
| betekent dit niet dat zij aan het arbeidsbestel worden afgeleverd op het door dit onderwijs bepaalde niveau. Ongeveer de helft der leerlingen vertrekt zonder einddiploma en daaronder zijn er zeer velen, die dan in ieder geval geen ander geregistreerd onderwijs meer ontvangen. | |
| - | Bij de meisjes die een einddiploma avo behalen, wordt het bezit van dit diploma een factor van toenemend belang voor het niveau waarop men een beroepsopleiding kiest. |
| - | Vermoedelijk is er verband tussen de twee voorgaande conclusies. Omdat er veel meisjes met een onvoltooide algemene opleiding in het arbeidsbestel opgenomen worden, zullen de meisjes met een voltooide avo-opleiding er eerder toe geneigd zijn hun diploma ten volle te benutten door een aansluitende vakopleiding te kiezen. |
Nog steeds bepaalt zijn negentiende-eeuwse voorgeschiedenis in sterke mate de huidige vorm en inhoud van het nijverheidsonderwijs voor meisjes. In het algemeen lager onderwijs bestond van oudsher coëducatie, die in de tweede helft van de negentiende eeuw ook ingang vond in het avo. Het no is voor jongens en meisjes afzonderlijk ontstaan en gesplitst gebleven. Voorlopers van het no voor meisjes werden in de tweede helft van de negentiende eeuw in verschillende plaatsen onder verschillende benamingen en met verschillende doelstellingen opgericht
In 1882 brengt een commissie van de Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid rapport uit over het nut van kookscholen.245 Een en ander leidt tot de stichting van de Haagsche Kookschool, die in 1888 als eerste Nederlandse kookschool geopend wordt.246 Hoewel de Maatschappij gesproken had van ‘voorlichting voor de aanstaande arbeidersvrouwen’247, hadden zich bij de aanvang van de cursus ‘reeds 114 dames als leerling laten inschrijven’248. Spoedig werd dit onderwijs gevolgd door dat aan dienstboden en na korte tijd werd ook een klas gevormd van arbeiderskinderen, aan wie men de bereiding van eenvoudige, voedzame maaltijden onderwees en iets van voedingsleer. In 1890 opende de Haagsche Kookschool een cursus voor kookschoolleraressen. In 1891 werd de Amsterdamsche Huishoudschool opgericht, waarin naast het
kookonderwijs ook andere huishoudelijke leervakken een plaats kregen. De benaming ‘huishoudschool’ doet dan zijn intrede. Leliman-Bosch, die een geschiedenis van het huishoudonderwijs schreef, zegt daarin: ‘Bovendien bleek dit vakonderwijs, van den beginne af, aan een tweeledig doel te beantwoorden. Immers het leidt de leerlingen op tot een vak, waarmede zij in eigen onderhoud kunnen voorzien, maar het bereidt haar ook voor tot de taak van huisvrouw en moeder.’249 De toevalligheid die de schrijfster lijkt te veronderstellen, zal wel niet hebben bestaan; men zal zich van den beginne af wel bewust geweest zijn van de dubbele functie die dit onderwijs kon vervullen. De naam ‘kookonderwijs’ verdween langzamerhand en werd gewijzigd in ‘huishoudonderwijs’, meer in overeenstemming met de gewijzigde leerplannen.
Naast en reeds eerder dan de huishoudschool bestond het industrie-onderwijs. De naai- en breischooltjes werden bij de schoolwet van 1801 als industrieschool ondergebracht bij de lagere school. Het was een niet verplicht instituut dat meer ten doel had bezigheid te verschaffen om straatslijperij en bedelarij tegen te gaan dan op te leiden voor een vak.250 Deze scholen waren bedoeld voor meisjes en jongens.
In 1861 wordt de eerste ambachtsschool opgericht, bedoeld als vakopleiding voor jongens uit de werkende stand. Een pendant ervan lijkt te zijn de in 18.65 door- de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen opgerichte eerste industrieschool voor de vrouwelijke jeugd. Het doel was ‘jonge meisjes op te leiden tot de kennis en uitoefening van verschillende takken van nijverheid, waardoor zij zouden worden in staat gesteld in haar onderhoud te voorzien.’251 Aanvankelijk werd hier afzonderlijk onderwijs gegeven voor de burgerstand en de handwerkerstand; na enkele jaren kwam daarvoor in de plaats één cursus die gericht was op de behoeften van de middenstand. In de eerste twee cursusjaren werd theoretisch en vakonderwijs gegeven, in het laatste jaar alleen vakonderwijs, o.a. ter voorbereiding voor het examen van apothekers-assistente. Evenals andere initiatieven van ‘t Nut, die oorspronkelijk ook bedoeld waren ter verheffing van de volksklasse252, sloeg ook dit beter aan bij de middenstand. Maar vermoedelijk heeft juist daarom dit onderwijs zich niet uitgebreid. De middenstand zond weldra niet alleen zijn zoons maar ook zijn dochters naar het avo, en naar de normaalscholen en kweekscholen voor onderwijzers.
Langzamerhand kristalliseerde het huishoudonderwijs uit als een schooltype bestemd voor meisjes uit de arbeidersklasse. De Nijverheidsonderwijswet van 192.1 schoor alle soorten onderricht over één kam, de kam van de huishoudschool, die in brede bevolkingslagen geaccepteerd werd, wellicht minder als vakopleiding dan als voorbereiding op de gezinstaak. Ook als men in het oog houdt dat de industriële produktie in de negentiende eeuw nog voor een aanmerkelijk deel in handarbeid tot stand
kwam, was dit huishoudonderwijs geen specifieke beroepsopleiding voor de nijverheid. Het leidde wel op tot de beroepen van ‘dienstbode’ en ‘huishoudster’. In de bevordering van de volks ontwikkeling verwaarloosde de burgerij zo haar eigen belangen niet!
De historie van het no aan jongens uit dezelfde bevolkingsgroep biedt een heel ander beeld. Ik zal er slechts op ingaan om reliëf te geven aan mijn opmerkingen over het ontstaan van het huishoudonderwijs.253
Bij de aanvang van de negentiende eeuw zijn er op het stuk van het manifeste technische vakonderwijs slechts een aantal tekenscholen, alsmede enig beroepsgericht onderwijs in wis-, natuur- en werktuigkunde. Tussen 1860 en 1900 wordt het voorbeeld van de oprichting der eerste ambachtsschool in vele plaatsen gevolgd. Aan het eind van de eeuw heeft ons land ongeveer 140 instellingen van schoolsgewijs technisch vakonderwijs met omstreeks 17.500 leerlingen (waarvan het grootste deel avondonderwijs volgt), terwijl in het bedrijf de opleiding volgens het leerlingstelsel tot zekere ontplooiing is gekomen.
Volgens Meppelink was dit technisch onderwijs, met uitzondering van de metaalvakken, sterk op het ambacht afgestemd, veel meer dan op de industrie die toch ook uit de ambachtsschoolleerlingen rekruteerde. Toch werd in de negentiende eeuw de basis gelegd, waarop het no voor jongens kon uitgroeien in overeenstemming met de maatschappelijke behoeften. Het was duidelijk beroepsonderwijs; de ambachtelijke beroepen waarvoor werd opgeleid, hadden ook een plaats in de industrie. Aanpassing aan de eisen van de industrie kon geschieden binnen de bestaande inrichting van het onderwijs en door uitbreiding van het leerlingstelsel, dat overigens pas in de dertiger jaren een grotere vlucht ging nemen. - Het no voor meisjes daarentegen was zo beperkt van opzet en zo weinig maatschappij-gericht, dat het mede daardoor zich tot op dit ogenblik nog niet geheel heeft kunnen ontdoen van zijn langzamerhand zeer anachronistische negentiende-eeuwse eigenschappen.
Beschrijving van het no voor meisjes wordt weer bemoeilijkt door het in werking, treden van de Mammoetwet. Deze wet is een raamwet: inrichting en organisatie van het onderwijs zijn alleen in grote lijnen vastgelegd. Onderdelen worden later geregeld bij algemene maatregel van be-
stuur. Hoe het onderwijs er uiteindelijk zal gaan uitzien, staat nog niet helemaal vast. Ik zal mij dus beperken tot wat reeds bij de W.V.O. is geregeld en tot de nieuwe mogelijkheden die deze biedt. Ik zal nagaan wat er vernieuwd wordt, wat er bij het oude blijft en wat er eventueel vernieuwd zal kunnen worden.254
Voor de Mammoetwet van kracht werd, was de zogenaamde primaire opleiding aan de huishoudschool nog evenzeer gericht op ‘sociale verheffing’ van het volk als honderd jaar geleden de kook- en industriescholen. Deze tweejarige cursus was geen vakopleiding, maar aanvullend onderwijs, dat in sterke mate op het huishouden was afgestemd: circa 18 van de 32 lesuren per week. Het werd beschouwd als een nuttige vulling van de tijd die de meisjes nu eenmaal op school moeten doorbrengen. Het droeg niet bij tot de beroepsenculturatie, het richtte zich in eerste instantie op het over vijf of tien jaar te stichten gezin.
Na de primaire opleiding waren er binnen het lager no een aantal mogelijkheden voor een- en tweejarige opleidingen tot bijv. kinderjuffrouw (verdwenen wegens het wegvallen van de vraag), leerling-verkoopster, assistente in de huishouding, naaister, leerling-modiste, huisvrouw ten plattelande. De tweejarige opleidingen die hadden te lijden van voortijdig vertrek van meisjes die de leerplichtvrije leeftijd hadden bereikt, werden vervangen door een éénjarige algemene assistentenopleiding.
Dit nu is door de W.V.O. veranderd: de gehele cursus van het lager huishoud- en nijverheidsonderwijs (lhno) is namelijk drie jaar geworden. Het eerste jaar is een lavo-jaar, in het tweede en derde leerjaar wordt voorbereid voor verschillende beroepsrichtingen. In het derde jaar worden de leerlingen in een T-stroom en een P-stroom geleid. Het T-diploma geeft toegang tot het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs (mhno). Binnen de P-richting is differentiatie mogelijk naar: de huishoudelijke richting, de naaldvakken, de verkooprichting of de kantoorrichting. De oorspronkelijke vervolgcursussen zijn dus nu in de basisopleiding opgenomen, aangevuld met een kantoorrichting, omdat bleek dat vele meisjes op kantoor terechtkwamen.
Qua structuur krijgt het lhno zo veel overeenkomst met het Ito dat allang een driejarige cursus had en waar de leerlingen ook gesplitst worden in
groepen die enerzijds voor de praktijk en anderzijds voor het vervolgonderwijs gereed gemaakt worden. Strekt de overeenkomst zich nu ook uit tot de inhoud van het onderwijs, d.w.z. wordt het lhno evenzeer een beroepsopleiding als het Ito dat is?
Vooropgesteld zij, dat het lbo niet bedoeld is om leerlingen klaar te maken voor de praktische uitoefening van een beroep. Sprak de Nijverheidsonderwijswet nog over ‘opleiden’, de W.V.O. heeft het alleen over ‘voorbereiden’. ‘Het beroepsonderwijs beoogt een voorbereiding te geven, die weliswaar op het beroep is gericht, doch die in het algemeen niet meer kan zijn dan een basis, waarop in de praktijk van het beroep verdere ontwikkeling van de bekwaamheid of specialisatie kan steunen.’255 Dit is een formulering waarmee men alle kanten uit kan en die voor het huidig lhno geen enkele consequentie behoeft te hebben.
De basistabellen van de driejarige lts en van het lhno wijken niet veel van elkaar af in de verdeling van lesuren over algemene en beroepsgerichte vakken. Zij bevatten echter maar tweederde van het totale aantal te geven lessen; het programma van de overige lessen mag door het schoolbestuur zelf worden samengesteld. Welk gebruik er van deze vrijheid wordt gemaakt, is natuurlijk sterk afhankelijk van het aanwezige leerkrachtenbestand en de bestaande traditie.
Voorgeschreven beroepsgerichte vakken zijn bij het lhno: gezondheidszorg, kinderverzorging, zorg voor de voeding, de woning en de kleding, naaldvakken en de speciale beroepsvorming die alleen in het derde jaar gegeven wordt. De huishoudschool blijft helemaal in het teken van verzorging en huishouden, en dit roept de vraag op of die vakken naar inhoud dan ook werkelijk beroepsgericht zijn of niet meer dan een voorbereiding voor het latere eigen huishouden. Het lhno blijft namelijk hinken op twee gedachten, zoals al blijkt uit de in de W.V.O. gegeven toelichting dat deze scholen ‘een algemene en praktische voorbereiding geven voor huishouden en landbouwhuishouden, alsmede voor verzorgende en andere beroepen’.256
Door de invoering van het brugjaar (het eerste lavo-jaar) is een andere accentuering opgetreden. Vergeleken met de vroegere primaire opleiding, is over de hele opleiding gezien de nadruk verschoven van de huishoudelijke naar de algemeen vormende vakken. Dit is in overeenstemming met een tendens die ook in het Ito naar voren komt en die daar functioneel wordt geacht (zie pag. 204). Wat daarvan zij voor het lhno zal uit het vervolg van dit hoofdstuk blijken.
Het lbo levert geen kant-en-klare vaklieden af. De voortgezette vakopleiding, deels praktisch, deels theoretisch, vindt plaats in het bedrijf. Daartoe dient het leerlingstelsel dat in hfdst. V (pag. 105) is beschreven. Voor meisjes biedt het leerlingstelsel maar zeer geringe mogelijkheden. De oorzaak daarvan is vermoedelijk, dat de neiging bestaat voor vrouwenberoepen volledige dagopleidingen in het leven te roepen. De belangstelling voor deze beroepen ligt of lag tot voor kort in sociaaleconomisch hoger geklasseerde groepen dan de belangstelling voor qua opleiding vergelijkbare mannenberoepen. Deze groepen kunnen en willen voor hun dochters wel een dagopleiding betalen en de loonderving wel lijden. Men denke hier aan beroepen als kinderverzorgster, schoonheidsspecialiste, etaleuse e.d.m.
Vergelijking van de aantallen mannelijke en vrouwelijke leerlingen in de volledige en de partiële analistenopleiding leert, dat meisjes naar verhouding veel meer de dagopleiding volgen dan jongens. Zie ook bijlage II ‘Vertrek uit ulo met -diploma’.
De consequentie is dat zo een barrière voor het volgen van vakonderwijs wordt geschapen voor meisjes uit sociale lagen, waar het ‘gaan verdienen’ voorop staat (misschien niet eens zo zeer bij de ouders als bij de meisjes zelf). Het ontbreken van een leerlingstelsel voor meisjes in meer geschoolde beroepen kan de democratisering van het vakonderwijs niet bevorderen.
Een ander gevolg is, dat men moeite krijgt met de werving voor de beroepen die aan een leeftijdsgrens gebonden zijn en die meestal in de verzorgende sfeer liggen. Meisjes die, van de huishoudschool afgekomen, zijn gaan werken, zijn voor deze beroepen doorgaans verloren. Gezinshelpster is zo'n beroep: men kan het eerst op zeventienjarige leeftijd worden en daarom is de invoering van een leerlingstelsel hier een belangrijke verandering.
Nu het lbo voor meisjes vereenvoudigd is tot één drie jaar durende opleiding is er van daaruit, namelijk vanuit de T-richting, ook doorstroming
mogelijk naar het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs (mhno, vroeger ulno). Zo op het oog verandert hier verder niet veel. Men kan met het T-diploma naar de opleidingen voor inrichtingsassistente en kinderverzorgster, de opleiding oriëntering verzorgende beroepen, en kostuumnaaien.
Indien men over bijzondere aanleg beschikt, kan ook de vooropleiding voor hoger beroepsonderwijs gevolgd worden, die drie jaar duurt. Verder heeft men toegang tot de opleidingen voor gezinsverzorgster, ziekenverzorgster en kraamverzorgster. - Als de vooropleiding hbo inderdaad toegang geeft tot alle vormen van hbo betekent dit een verruiming van de mogelijkheden. Voorheen kende men alleen een driejarige vooropleiding voor de opleiding akten-N.O.
De naar vakrichting gedifferentieerde middelbare beroepsopleidingen geven dus op zichzelf geen mogelijkheid meer tot verdere doorstroming. Dit is anders dan bij het technisch onderwijs, waar men bij voorbeeld wel van de uts naar de hts door kan gaan. - De driejarige mavo geeft toegang tot het mhno, wat eveneens een verruiming betekent, omdat men daar vroeger een vierjarige ulo voor nodig had.
Ter samenvatting van het voorgaande:
| - | de structuur van het no voor meisjes gaat meer overeenkomst vertonen met de structuur van het technisch onderwijs, zij het dat de doorstroming naar de hogere onderwijsniveaus nog steeds moeilijker verloopt; |
| - | naar inhoud is het lhno nog steeds ambivalent, dit heft ook de Mammoetwet niet op; |
| - | het ontbreken van een behoorlijk ontwikkeld leerlingstelsel leidt ertoe dat vele meisjes geen beroepsvorming zullen ontvangen. |
Van de ls gaat 38% der meisjes naar het lbo (tabel XVIIb). Van 1961 tot 1966 is er weinig verandering in dat percentage gekomen. Het is niet bekend in hoeverre deze meisjes de huishoudschool kiezen met het oog op een later beroep en in hoeverre zij maar naar de huishoudschool gaan
om de leerplicht vol te maken. Interessanter is het daarom te zien hoe het hen na de primaire opleiding vergaat.257
Van degenen die zonder diploma uit de primaire opleiding vertrekken, krijgt 82% geen verder geregistreerd onderwijs meer. In 1961 was dit percentage S6 zodat er toch een lichte daling te bespeuren is, die correspondeert met een lichte toeneming van de overgangen naar het leerlingstelsel en het vglo. Het aantal dat zonder diploma de school verlaat is een derde van het aantal dat wel de eindstreep haalt. Er is dus een vrij grote groep die niet het minimum aan voortgezet onderwijs voltooit.
Een totaal ander beeld geven degenen die wel het diploma halen. Bij hen is er de laatste jaren een zeer uitgesproken toeneming in de belangstelling voor verder onderwijs. Slechts 22% van hen ontvangt geen verder geregistreerd onderwijs. Zij gaan in overgrote meerderheid verder met de overige lagere nijverheidsopleidingen, die in toenemende mate en grotendeels door hen gevuld worden.
Helaas is de stroom niet verder te volgen. Het zou namelijk zeer belangrijk zijn. om te weten in hoeverre deze opleiding (te vergelijken met de huidige driejarige lhno-opleiding en dus met een lts-opleiding zonder leercontract) eindopleiding is. Men kan zeker niet zeggen, dat déze meisjes een vakopleiding hebben gehad. - Hoewel er enige toeneming valt te constateren in het aantal meisjes dat een leercontract sluit, vormen de meisjes met leercontract slechts een fractie van het aantal jongens met leercontract.258
Officieel staat een meisje niets meer in de weg om naar de lts te gaan. In feite hangt het toch van de gezindheid van de schooldirecteur af of een meisje zal worden toegelaten. Haar verdere vakvorming levert dan ook weer moeilijkheden op, want slechts bij uitzondering en na het nemen van talrijke belemmeringen kan een meisje een leercontract krijgen in een leerlingstelsel voor jongens. De belemmeringen liggen niet zo zeer in de formele bepalingen als wel in de tegenzin van werkgevers om een meisje te werk te stellen in een traditioneel mannelijk beroep.
De dagvakscholen op lager niveau zijn gedeeltelijk toegankelijk voor meisjes. De verschillende scholen voor middelbaar technisch en ander middelbaar nijverheidsonderwijs huldigen ook verschillende standpunten ten
aanzien van de toelating van meisjes. De hts discrimineert in principe niet.
Hoe staat het met de feitelijke deelneming van meisjes aan de niet specifiek voor hen bestemde vormen van no?259
Het bijna te verwaarlozen aantal meisjes op de lts-en en dagvakscholen is geconcentreerd in de opleidingen textieltechniek, kleermaken, noppen en stoppen. - Onder de uts-bevolking vindt men slechts een hoogst enkel meisje en van het overig dag-ulno hebben meisjes alleen in de opleidingen goud- en zilverbewerken, graveren en in de juweliersopleiding een aandeel van betekenis. Bij het avond-ulno is de opleiding textieltechniek ook niet geheel verstoken van meisjes.
De participatie van meisjes in het hto is eveneens te verwaarlozen. In de afdelingen bouwkunde en chemische techniek vindt men er enkele. - Op de scholen voor de detailhandel is van 1955 tot 1964 het aantal jongens vertienvoudigd, het aantal meisjes slechts verdubbeld.
Op de kunstnijverheidsscholen is het aantal meisjes groot en neemt relatief sneller toe dan het aantal jongens. Van de overige hogere en middelbare nijverheidsscholen en -cursussen vormen de meisjes de meerderheid der leerlingen op de dagopleiding voor analist en de opleiding voor staffunctionaris in het toerisme. Ook bij de partiële opleiding voor analist maken zij de helft der cursisten uit en de opleiding voor laboratoriumassistent trekt eveneens vrij veel meisjes. Verder vindt men in zeer geringe getale meisjes op de textielschool, de opleiding voor de confectie-industrie en de hotelscholen.
Oorspronkelijk bereidde de huishoudschool het meisje voor op haar toekomstige gezinsrol. Een beroepsrol, die van dienstbode, had veel dezelfde trekken en was gediend met dezelfde opleiding. Dit beroep is nu vrijwel verdwenen. De vele verzorgende beroepen die zijn ontstaan, hebben elk voor zich bepaalde trekken van de gezinsrol. De huidige huishoudschool - het lhno met driejarige cursus - geeft geen opleiding tot deze beroe-
pen. De Mammoetwet