achting, haat en woede tegen een kerk die al die eeuwen door de bewuste bondgenoot geweest is van uitbuiting en onderdrukking.
Iedere dag trekken nieuwe tienduizendtallen vrijwillig naar de slagvelden. Zonder uitzondering zijn zij gedoopt, zij hebben hun eerste communie gedaan, velen zijn kerkelijk getrouwd, allen hebben de priester van de kansel over hel en vagevuur horen prediken.
Maar van al deze tienduizenden is er geen enkele die bang is voor de eeuwige verdoemenis, geen enkele die in zijn laatste uur behoefte heeft aan de laatste sacramenten van de priester. Ik heb ze zien sterven op het slagveld en ik heb hun ogen vergeleken bij vertrapte bloemen.
Zelfs de vijand heeft de heldenmoed erkend, waarmee deze vrijdenkers weten te sterven.
Is er een groter aanklacht tegen de kerk denkbaar dan deze, dat honderdduizenden van haar zonen met de dood voor ogen bewust haar genademiddelen voor zichzelf verwerpen?
Ik denk aan de nerveuze, vergeestelijkte figuur van Bergamin, de bekende katholieke filosoof en schrijver. Er is iets houterigs in zijn bewegingen, dat soms doet denken aan een invalide. In werkelijkheid is hij een voortdurende bron van energie en bezieling. Alberti zeide van hem: ‘Bergamin is de dapperste van ons allen’.
In een der kleine restaurants van Madrid spreek ik met Bergamin; hier tegenover mij zit iemand die roept in de woestijn en luistert, luistert of niet ergens achter de horizon de roep van een broeder antwoordt.
‘Ik weet’, zegt Bergamin, ‘dat de sociale wedergeboorte van het katholicisme even noodzakelijk is als de vergeestelijking van een communisme dat, zonder dit, in een moeras van opportunisme moet verzinken. Ik weet dat communie en communisme dezelfde stam hebben en dat, alle ratio ten spijt, onze harten elkander reeds gevonden hebben, omdat wij allen de rechtvaardigheid willen voor die eenvoudigen der aarde, die Christus het naaste waren. Het is geen toeval, dat de apostelen van Christus arbeiders waren en geen generaals als Mola!’