Middelnederlandsche dramatische poëzie


auteur: P. Leendertz (jr.)


bron: P. Leendertz (jr.), Middelnederlandsche dramatische poëzie. A.W. Sijthoff's Uitgeversmaatschappij, Leiden z.j. [1907]   


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 442]

[Bijlagen]

Bijlage I.
Algemeene prologen, enz.

In de Inleiding is aangetoond, dat het slot van den Esmoreit niet van den dichter is, maar van den afschrijver. Ook de afschrijver van het spel van Sint Trudo voegde tusschen de beide deelen van dat spel eenige regels in, die hij blijkbaar uit een ander tooneelstuk overnam, omdat hij ze hier goed te pas vond komen. Nog mooier was het wanneer men eene voorafspraak kon vinden, die bij elke opvoering gebruikt kon worden. In de voor deze uitgave gebruikte hss. worden er twee zoo gevonden. De eerste staat in het Hulthemsche hs., bl. 230vo en 231ro na die Hexe met het opschrift Een beginsel van allen spele en is uitgegeven in Horae Belgicae VI, bl. 1 en 2.

Naar aanleiding daarvan gaf Hoffmann, bl. 162-213 eene reeks, grootendeels ook nu nog belangrijke, aanteekeningen over allerlei spelen.

De andere met het opschrift Sottelicke boerde gaat in het Gentsche hs. aan de tafelspelen vooraf en is uitgegeven in het Vaderlandsch Museum V, bl. 368.

+A Een beginsel van allen spele.
 
+Ghi heren, God daert al an staet,
 
Die moet u gheven sulken raet,
 
Dat ghi met peise in eendrachticheden
 
Goet gheselscap altoes moet leden.
5
Minne ende blisscap sonder scheiden
 
Gheve ons God in sijn ewecheiden.
 
Men siet ghemeinlic ende hets waer,
 
Dat alle die liede hier ende daer
 
Haer herte in eneghe dinc vervroyen:
10
In steecspele ende in borde of in tornoyen,
 
In dansen, in hoven, in wel varen;
 
Die ander in valken ende in sporwaren,
 
Te vliegene met haveken ende met muschetten.
 
Som liede vochelen metten nette.
15
Selc houden sotte daer si met foelen.
[p. 443]
 
Som houden si voghelen in gheyolen,
 
Om dat si hem te somertidenaant.
 
Met haren soeten sanghe verbliden.
 
Som lieden gerne met honden jaghen.
20
Selc die gans keert om dien craghe.aant.
 
Selc keert den heerinc om den roghe.
 
Selc sciet gerne metten boghe.
 
Selc verblijdt hem in sijn ghelt;
 
Ach leider, dmine es saen ghetelt,
25
In derffer mi niet af verbliën.
 
Selc hoert gherne melodiën
 
Van orghelen, van floyten, van sautoriën,
 
In erpen, in vedelen, in rebebiën,aant.
 
In acaren, in luten ende in ghiternen.
30
Selc gheet drincken in tavernen
 
Alden dach metten ghesellen;
 
Som tijts drincken si op die velle,aant.
 
Som tijts moeten si hem ontossen.aant.
 
Die selke keyen ende dander clossen;
35
Som soe cloten sie ane den bloc.
 
Selc worstelt ende selc trect den stoc.
 
Selc speelt met appelen, selc met noten.
 
Die selc kouten, die ander coten.aant.
 
Die selke dobbelt, die ander cats.aant.
40
Deen speelt tafelspel ende dander scats.
 
Scoen perde die selke gerne anscouwen.
 
Selc verblijt hem in scoen vrouwen.
 
Selc heeft ghenuechte in quaden pitsen;
 
Dese bliven somtijts ane die litsen.aant.
45
Elc leghet sijn herte ane sine natureaant.
 
Ende wi aen spele van partueren.
 
+God gheve dat elc goet gheselle
 
Sijn herte met eren in dochden stelle.
 
Men vint exempel herde vele,
50
Al eest datse sotte spelen,
 
Daer subtijlheit leghet ane.
 
Nu hoert ende pijnt u te verstane.
 
Nota lij. vs.
[p. 444]

+B Sottelicke boerde.
 
Godt groete u, heer coninc hooghe ghezeten,
 
Met uwen onderzaten om vruecht ghewinnen.
 
Wij zouden ooc gheerne vruecht ghemeten.
 
God groete u her coninc hooghe ghezeten.
5
Haddic wat goedts, ic sout wel eten
 
Blijde van herten ende van zinnen.
 
Godt groete u, heer coninc hooghe ghezeten,
 
Met uwen onderzaten om vruecht ghewinnen.
 
Ic diene hier ooc ter feesten
10
Om vruecht te bedrijvene,
 
Van alle zware gheesten
 
Den druck te verdrijvene.
 
En wilt hooren, niet om verstijvene,
 
Wat zotte boerde [ic] zal brijnghen voort.
15
Zo zwijcht al stille ende hier naer hoort.
 
Finis est.