Middelnederlandsche dramatische poëzie


auteur: P. Leendertz (jr.)


bron: P. Leendertz (jr.), Middelnederlandsche dramatische poëzie. A.W. Sijthoff's Uitgeversmaatschappij, Leiden z.j. [1907]   


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 693]

Verbeteringen en toevoegsels.

A. De volgende lezingen moeten in den tekst opgenomen worden, in plaats van hetgeen er thans staat:

Esmoreit vs. 96, hebdt - 98, bleven; - 116, meinic - 138, ic - 185, Toerkiën - 206, payijn (zonder komma) - 215, Turkiën - 251, men - 256, Soe magicx - 289, den - 607, gheslachte; - 852, ende - 1002, Soe werdi

Lippijn vs. 55, en - 73, en

Gloriant vs. 30, gode - 45, stout (i. pl. v. sterc) - 202, oerghelyoes - 214, ghevueght - 301, allen - 367, Ende - 608, wacht: - 641, doer - 735, Van (i. pl. v. Voer) - 762, boem - 827, si - 853, Soe - 1030, gode - 1035, doer

Buskenblaser vs. 144, Ey - 162, an leggen

Lanseloet vs. 167, an - 212, Maer - 224, versmoert (zonder komma) - 237, trouwen? - 280, scheden. - - 385, zie aant. - 425, verdoelt; - 454, scoene - 713, vermach

Truwanten, opschrift: (Hier beghint die sotternie).

Winter ende Somer vs. 14, woorde (zonder komma) - 140, te - 259, dwinct. - 260, sinct,

Rubben vs. 14, alle (in plaats van es al)

Plaijerwater vs. 7, dacht - 30, Eij - 64, vijsevasen - 81, tsmorgens - 120 en 121 moeten voor aan den regel beginnen - 221, nach - 253, in, gesproken - 298 moet inspringen: het is de tweede helft van 297 - 306, Jaghi

Nu Noch vs. 42, Hoe,

Vanden Sacramente prol. vs. 31, confoert, - 32, Nyeuwervaert, - 74, danckelijc - vs. 87, soete - 242, hoopt - 243, Blijnden .... siecken, - 273, cleinen - 314, ick - 328, Aen - 422, Ic - 432, lesen - 507, en - 541, zijt - 551, Duer - 614, wreken; - 615, sijn. - 616, duersteken, - 647, sijn - 727, af, - 728, griffiën - 809, aenveerden -

[p. 694]

988, lodt - 1026, adyeuw - 1049, Nassauw - naprol. vs. 17, dede

Mariken vs. 6, enzoene - 270, aen u, beelde - 350, Duyt - 407, werdt - 435, dwaser - 536, Donabele - 659, hi - 761, oft - 945, u hier onder - 963, dien - 1037, mi

Die Sevenste Bliscap vs. 22, siër - 53, gescië - 55, verblië - 69, erden, - 94, my - 151, biddiër - 242, Jhesum - 341, myweert - 439, sage! - 456, graciën - 602, wonde - 729, versint, - 730 die (i. pl. v. dat) - 882, gebiën - 992, besoeven? - 993, puut! - 1097, bi (i. pl. v. di) - 1113, heefti - 1199, gereetscap, in dat jolijt (zonder komma) - 1419, genoech; - 1529, getrouwe (zonder komma) - 1589, gewaerlic. - 1660, gestade

Maegden vs. 100, bet - 133, goet - 683, wederomme. - 783, Conclusie

Sint Jooris vs. 274, staen!

 

B. In de noten en de aanteekeningen zijn de volgende verbeteringen noodig:

Bladz. 66 en 67 vervallen de noten bij Glor. 990 en 1030 - bl. 80, r. 4 v.o. lees: A K moet - ib. r. 3 v.o. voeg bij: 80. H Ende oec - bl. 88, r. 2 v.o. lees: 277. H. Ende ontbr. - bl. 99, r. 12 v.o. lees: crancke - bl. 101, r. 15 v.o. lees: G vaertsc s. west e.n. - bl. 106, r. 8 v.o. lees: 713. H vermacht - bl. 133, r. 1 v.o. lees: 129 i. pl. v.: 199 - bl. 160, r. 2 v.o. lees: 7. Hs dach C enz. - bl. 166, r. 5 v.o. lees: 107 i. pl. v.: 108 - ib. r. 2 v.o. lees: 121 i. pl. v.: 122 - bl. 173, schrap de eerste noot - bl. 183, de aant. bij vs. 52, voeg bij: wat eene doorhaling der h lijkt, kan ook het afkortingsteeken achter n in den vorigen regel zijn - bl. 205, voeg bij: 115: Het is niet duidelijk, of er ghemist of ghemest staat - bl. 216, r. 2 v.o. lees: 632 i. pl. v.: 628 - bl. 226, schrap de noot bij vs. 166 - bl. 228, schrap de noot bij vs. 242 - bl. 242, schrap de noot - bl. 243, r. 1 v.o. tusschen Meesteren en hem moest eenige ruimte gebleven zijn - bl. 252, r. 1 v.o. lees: is i. pl. v.: in - bl. 264, r. 2 v.o. lees: 1073. heeft hier, maar het laatste woord geëxpungeerd - bl. 279, r. 11 v.o. lees: oft - bl. 288, r. 6 v.o. lees: 262. A mi ontbr. - bl. 290, r. 10 v.o. lees: 311 i. pl. v.: 310 - ib. r. 8 v.o. lees: 311 i. pl. v.: 310 - bl. 294, r. 6 v.o. lees: grave - ib. r. 5 v.o. lees: Shertoghen - bl. 297, r. 8 v.o. lees: 454 A U en - bl. 302, r. 8 v.o. voeg bij dat i. pl. v.: selken roere in U zulc geroep staat - bl. 304, r. 3 v.o. lees: ghemaect - bl. 313, r. 2 v.o. lees: Godt d.h. en hochste - bl. 326, r. 7 v.o. lees: 1087 i. pl. v.: 1078 - bl. 328, r. 10 v.o. lees: eemighen i. pl. v.: eenighen -

[p. 695]

bl. 350, r. 1 v.o. voeg bij: 686. vercorne, later veranderd in vercoorne - bl. 569, r. 16 v.b. lees: 376 i. pl. v.: 367.

C. Lippijn vs. 30. In het Mnl. Wdb. II, 2026 wordt goeder verklaard als een znw. op -aar, thans -erd, vgl. lieverd, zoeterd, lomperd. Er is echter veel voor, het als een buigingsvorm van het bnw. te verklaren, waarbij men nog niet aan ontleening uit het Hoogduitsch behoeft te denken, zooals door Van Helten Mnl. Spr. bl. 391 vermoed wordt. Dat het hier en Plaij. 295 althans door de schrijvers als de vocativus van het bnw. gevoeld werd, blijkt uit S.e.W. 13, waar het bijvoegelijk gebruikt wordt. Ook van andere adjectiva komt deze vorm voor. In Sacr. 542 b.v. is het toch wel niet mogelijk aan een subst. boozerd te denken en nog minder kunnen wij een subst. zien in het onz. ghevroucheliker in Maegd. 483 (vgl. de aant. op dit vers).

Dat de voc. van goet als aanspraak: ‘mijn waarde’ gebruikt werd, blijkt uit Lipp. 132 (goede) en Mar. 376 (goey).

Eene samentrekking van dit goeder hebben wij waarschijnlijk wel te zien in goer, Taf. I 43, en misschien heeft het ook wel gestaan in Maegd. 173, waar het moeilijk verklaarbare bij geere wel eene verschrijving kan zijn van hij goer.

Gloriant vs. 863. Vgl. Tijdschrift XXII, 157. Volgens Le Roy, Etudes sur les Mystères, Paris 1837, p. 21 (aangeh. Hist. Litt. de France XX, 632) was dit gebruik in zijn tijd in het Noorden van Frankrijk nog in zwang.

Gloriant vs. 1140. Terwijl deze dichter geregeld den vorm swijt gebruikt, is het niet aan te nemen, dat hij hier swicht met onvolkomen i zou hebben. Wij moeten dus hier de spelling van den volkomen klinker met het enkele letterteeken aannemen, of in swichten een intensivum van swighen zien.

Lanseloet vs. 848. In de aant. op dit vers is verzuimd bij te voegen, dat in het Mnl. Wdb. VII, 181 de vroegere verklaring van ghepast wordt teruggenomen. Het wordt daar nu opgevat als deelwoord van passen in de beteekenis van ‘heenvoeren, heenbrengen’. Wil men in ghepast liever geen bnw. zien, dan zou het m.i., met het oog op den gang van het verhaal, de voorkeur verdienen hier een vorm van het intr. passen: ‘oversteken’ aan te nemen, zie Mnl. Wdb. VI, 182.

Vanden Winter ende den Somer vs. 622. Het in de aanteekening uitgesproken vermoeden wordt bevestigd door de tweespraak Van den ouden ende langhen Aernout in de Veelderhande Geneuchlijcke Dichten, waar op bl. 81, 82

[p. 696]

Aernout op de vraag van den Meester, waar hij ter Scholen ging, antwoordt:

 
Te Sint Truyen voor de steen kolen,
 
 
 
Van daer soo liep ick weder henen,
 
Te Tricht al op de Mase
 
Daer worden ick Klerck van deux ase.

Rubben vs. 217. In de aant. op dit vers had nog bijgevoegd moeten worden, dat in het Mnl. Wdb. VI, 1312 Verdam tot de vroegere verklaring is teruggekeerd.

Mariken van Nieumeghen vs. 76. De interpunctie in dezen regel moet gewijzigd worden, aldus:
Wachermen, tijte,
Het laatste woord is nl. geen bijvorm van tijt = ‘tijd’, maar het vr. subst. tijte = ‘kuiken’; vgl. vs. 353.

Ib. vs. 345. Bij nadere overweging komt het mij toch wenschelijk voor, de lezing van A in den tekst op te nemen. Vgl. Sacr. 324.

Ib. vs. 882. Versta: ‘de meening, die men van mij heeft, mijn naam, mijn roem zal hier gering worden’.

Ib. vs. 922. Te vergelijken hiermede is zeker wel de duivelsnaam Tortelblisse in het volksboek van Malegijs (uitg. Kuiper) bl. 229, 248, 249.