|
|
|
| | | | | | | | | |
I
De doode vrouw
Zij lag daar bleek en roerloos op de legerstede in de stille schaduw der gordijnen; maar de zon, die
langs de twijgen van den appelaar naar binnen stroomde, drong toch door tot de doode, en zweefde
over haar wezen en de bonte deken als vlinders over een bloemenbed.
Vroeg in den ochtend had een boerenknecht haar voor de woning in den kleinen tuin zien zitten, en na
den morgengroet iets van het schoone voorjaarsweer gezegd. Geen antwoord hoorend was hij naderbij
gekomen, en had toen een levenlooze gevonden, koud en vochtig van den dauw. Bloesemblaadjes, die
des nachts gevallen waren, bedekten haar schoot en haar schouders. Met heur witte haren scheen zij
een zuster van de boomen in den lentegaard te zijn.
Ook nú zocht de zon haar, alsof hij de oude vrouw nog niet lang genoeg had liefgehad. De propere
kamer danste van het goud gewemel. Daarin blonken ook de wanden, glansde het huisraad, en
werden twee menschen, die elkander over de glimmend gladde tafel vol geluk de handen reikten, als
een bruid en bruidegom getooid. Toen zij dieper nedernegen, herkenden zij lachend in het
blankgeboende blad hun kussend spiegelbeeld. Het meisje droeg een tuiltje veldkruid in de bruine
lokken, wild en frisch als zijzelve; de jongen, wiens lippen juist hun wensch bereikten, bloosde zóó van
welbehagen, dat hij op een prins geleek, ondanks zijn schamel pak.
Een merel floot zijn wijsje door het open raam. Langzaam lieten zij de handen zinken en keken
ongeloovig als een pas gewekte slaper naar het bundeltje papieren, waarop hun naam geschreven
stond. Blijkbaar overdachten zij hetzelfde raadsel, hoe zij gisteren nog, niets bezittend dan hun
kleederen en wat gebedeld brood, langs wei en wegen
| | | |
dwaalden, geringer dan de vogelen des velds, doch nu door de mildheid van de gestorvene een huis het
hunne mochten noemen en de rustige schatten waarmee het is gevuld. Het leek nog zoo kort pas
geleden, dat zij voor de eerste maal het tuinhek binnentraden, vriendelijk genoodigd, toen zij
steelsgewijze over het hegje zich de schoonste knoppen braken van een rozestruik. Het grijze
moedertje had hun een koelen dronk geboden, en rijpe vruchten als verzoeningsmaal. Zij waren
weergekomen. Vaak, wanneer de schemering was gevallen, in de vredigheid van den zomer, deden de
knaap en het meisje verhalen van de wijde wereld en het lokkend avontuur. Doch dikwijls als zij dan
het luisterend vrouwtje bezagen, zacht door den gloed van den hemel gekleurd, zwegen zij vol
schaamte, en beseften, dat het leven als een steil gebergte oprees voor hun zorgeloos spelen in een
bloeiend dal.
Peinzend bogen zij zich over naar de sponde met een glimlach en een dankbaar woord. Het mild
gezicht lag rustig op het kussen, beschreven met de rimpels van zijn lotgevallen als een heilig boek.
De knaap streek mijmerend de witte haren van het voorhoofd weg, zijn kameraadje lei haar tuiltje
veldkruid tusschen de saamgevouwen vingers op het blinkend dek. Dan zetten zij zich aan de tafel
neder, begeerig dat hun het geheim werd verklaard. De jongen vouwde het beschreven pakje uit
elkander en begon voor te lezen met een zacht, gedempt geluid, dat hij echter telkens forscher op deed
klinken, als de merel, door de menschenstem tot wedstrijd aangewakkerd, àl te uitgelaten floot. | |
II
Het eerste wonder
‘Ik ben door mijn leven gereisd als een bedevaartgangster die bij nacht den tocht aanvaardt. Zij denkt
aan het doel
| | | |
en zij weet dat zij vordert, maar de streken waar zij langs trekt zijn door duisternis omhuld. Ik
begreep den zin niet van wat mij geschiedde, tot plotseling, toen ik al zeer oud was geworden, een
ontmoeting de zon voor mij op deed gaan. En rustend aan een heuvel zag het moede
pelgrimsvrouwtje, langzaam als zich wikkelend uit misten, heel het landschap, dat zij onbewust
doorkruist had, zich ontplooien in het licht. Wat zij echter onderscheidde waren niet de steden en de
torens, doch alleen het nederige, kleine: bloemen, vogels, of een steentje blinkend op het pad. De
stormen was ik vergeten, maar de minste stilte, die mij eens getroost had, sprak zijn spreuk. Het
werd mij te moede of alles wat mij ooit bedroefd en gelukkig had gemaakt aan louter simpele dingen
was gebonden, zoo weinige en nietige dat ik ze gemakkelijk in mijn schoot verzamelen kon.
Toen ik mijn waarheid ontdekt had, wist ik dat ik spoedig sterven zou. En bij het denken over uiterste
beschikkingen, vond ik dat het ook weer de geringsten waren door wie het warmste van mijn wezen
zich het liefste herinnerd zou zien. Twee kinderen, veracht en verstooten, doch zuiverder dan
bloesemgeur. De gave die ik schonk kwam mij zoo luttel voor, gemeten bij den glans der
morgenboodschap die mijn land verhelderde. Ik wenschte een vreugd te vermaken, een glimlach
waarin ik ook op aarde nog een korte poos zou voortbestaan. Ik gordde mij aan om U mijn geheim te
verhalen, aarzelend en beschroomd voor het woord. Maar terwijl ik zocht en zuchtte, scheen zich een
ziel over den arbeid te buigen, die niet de mijne was. Daar zat een kindje bij zijn schoolwerk, kalm en
zeker, want de moeder, turende over zijn schouder, volgt de zinnen die het neerschrijft, en fluistert
een verbetering. Ge zult wel merken dat ik vreemd ben aan veel dezer beelden en wendingen. Ik heb
niet bedacht, maar geluisterd; en het werd mij wèl te moede bij
| | | |
het ruischen van de zinnen die, even als de halmen aan den rietplas, niets deden dan vertellen hoe
god het waarlijkst in de kleine dingen woont.
Zeker is het dat ik mij ook tot dit geringste mocht rekenen, toen ik, een ouderloos meisje van
nauwelijks veertien, over het ophaalbrugje stapte, dat de hoeve met den buitenweg verbond. Ik had
mij daar als jongste meid verhuurd. Dapper liep ik het eenzaam erf op, waar de warme zon in scheen,
alles wat ik bezat op de wereld in een saamgeknoopten zakdoek met mij dragend. Een schuurdeur
klepte en een deerntje, bijna even groot als ik, maar donker, trad in het glinsterend daglicht en keek
mij vol verbazing aan. Dan kwam fluks een knaapje toegeschoten, dat zijn vlasblond zusje in een
ratelend wagentje medetrok. Ook die beiden tuurden zwijgend naar mij op. Nu volgden de hoenders,
kakelend achter den statigen haan, en vormden een kring van bekijkers; de huiskat met den staart
omhooggestoken sloop op vilten muiltjes aan, en over het hek bij de stallen verdrongen zich snuivende
koppen, zo dicht naast elkander, dat het daar een dwarreling van horens werd. Overal waar ik mij
wendde vond ik de vonkjes der oogen, en ik wist niets beters dan de mijne neer te slaan. Toen ik ze
weer opende zag ik dit bonte troepje der nieuwsgierigheid verstuiven op vleugels en voeten, terwijl ik
zelve ruw bij de schouders werd gevat. Een harde vrouwestem zei booze woorden. Eindelijk mocht ik
mijn hierzijn verklaren, ik kreeg een vinnig korten duw tot welkom, en bleef weer met mijn schrik
alleen. In een hoekje ging ik zitten schreien, rillend, want de zon was heen. Ook toen stappen
naderden, hield ik mij in mijn droefheid verscholen en eerst bij de troostrijke aanspraak hief ik het
hoofd. Ik onderscheidde een breede gestalte, echter niet duidelijk, omdat ik om mijn tranen als door
beregende venstertjes keek. Daar ik nog lang niet genoeg had van snikken, tilde de boer mij omhoog
| | | |
met een grapje, en gaf mij een zoen op de wang. Meteen brak de hemel weer open, de haan kraaide
louter van zomersch behagen, en een windvlaag maakte geluiden of hij een vlag deed wapperen op het
dak. Dan bracht de man mij aan een hand naar boven, het was mij veilig of ik met mijn vader liep.
Alleen gelaten lei ik mijn bundeltje neer op de tafel die, met een houten stoel, het eenig huisraad van
mijn kaal vertrekje bleek. Doch helder blonken de gekalkte wanden, en in den schemer van haar half
verborgenwezen gloorde het wit van de bedstee. Door het vierkant tuimelraampje wenkte mij de verre
wei. Zij lag onder varende wolken, nu eens stralend als juweelen, dan weer door vliegende schaduw
bedekt. Ik voelde leed en vreugde.
Alle goede en kwade beloften, welke mij op dezen dag waren gedaan, werden gehouden en stipt in de
komende jaren vervuld. Het verwonderd deerntje staarde mij nog dikwijls aan, maar nu vol echte
welgezindheid. De vlaskoppen vleiden om lied of vertelling, en als ik oprees rolde het wagentje mij na.
Het pluimvolk vergaderde zich telkens onder een buitje van korrels en zoo ik in de melkbocht met het
koper rammelde, schommelden langzaam de runderen aan. De kat in mijn armen, klom ik vaak ook
naar het blank, doch altijd even ledig dakvertrekje en samen tuurden wij het kleine venster uit. Het
landschap lag in zonneschijn of regen. Mijn makker kon zich daar niet om bekommeren, en snorde,
veilig aan een hart genesteld waarvan hij den klop niet verstond, den droevigen noch den verheugden.
De eerste begeleidde mijn gedachten aan de booze vrouw, de blijdere mijn dankbaarheid aan den
meester. Soms na een aanval van kijvende woede, die als een onweer over onze gebogen hoofden had
geraasd, zaten de boer en ik achter de druppende heg van het tuintje gedoken, of vluchtten langs het
opgefrischte veld. Maar ik was geen kind gebleven en troostte liever dan dat ik werd getroost. Gelijk
een grijs- en
| | | |
wijsgeworden moedertje kon ik vermanen tot geduld en lijdzaamheid.
Ik groeide zoo op tot een meisje van achttien, maar toen begon mijn diepste verdriet. De meester
scheen niet meer tevreden met mij te wezen, want hij ontliep mij, en zijn luttele woorden klonken dof
en ongewis. Waar ik hem het minst verwachtte, trad hij eensklaps met een wijden stap te voorschijn,
donker, zwijgend en angstwekkend, als het spooksel uit den droom. Ik weet niet, maar ik vreesde
hem. Kil en rillend trachtte ik mijn verlatenheid te warmen bij het haardvuur, wijl het buiten
winterde. Daar beet de vorst of dwarrelde de sneeuwjacht in zoo'n eindelooze zweving, dat ik 's avonds
op mijn kamer nog den wilden dans der vlokken met gesloten oogen zag. Op een klaren
Januarimorgen strekte zich een land van blankheid onder blauwe lucht. Moeilijk strompelde ik op
gladde klompen, emmer, koord en bankje om te melken in de hand. Toen ik de klink der staldeur
lichtte, hoorde ik de kinders juichen, vroom en helder in de groote eenzaamheid. Een vogel vloog op
van de struiken, en het leken wel zijn eigen veertjes die hij vallen liet. Niets bewoog zich in het stille
witte, uit eerbied zeker en uit schroom. Ik ademde en zuchtte, en de koele reinheid stroomde in mij
henen, of ik dorstig uit een beker dronk. Maar achter den drempel, dien ik overstapte, lag een ander,
schemerig en warmbenauwend oord. Ik schoof langs de schonkige lijven, streelde een schoft, of duwde
een horen op zijde, en hurkte eindelijk bij een vollen uier neer. Nauwelijks was ik gezeten, of ik werd
aangegrepen. In doodsschrik sprong ik op, zoodat de emmer en het krukje kantelden. Doch toen nam
de boer mij in zijn armen en hij drukte een kus op mijn mond. Wat ik nu gevoelde moet ik afschuw
noemen over een bezoedeling, ook van mijn ziel, maar meer van het beeld toch der vlekkeloze velden,
dat ik hier nog in duister kuisch en zuiver had bewaard. Terwijl
| | | |
ik worstelde om vrij te komen, was het of een vogel heenvlood uit mijn handen: de herinnering aan
een lieven zoen van langgeleden, en of ik arm werd nu zijn innig wijsje zweeg. Plotseling ging de
stalpoort open. Een seconde schitterde het sneeuwdek, waarlangs een kleine kinderslede, met zijn
jubelende bemanning als een windsnel scheepje voer, dan had de boer mij ook reeds losgelaten, en
sloop naar buiten langs zijn dochter, die ons groette met een frissche morgenstem.
Verder kan ik niets vertellen van dien dag; er is mij daarvan slechts een leegte gebleven. 's Avonds
liet ik lang mijn lampje branden, schreiend lag ik op de legerstede en las uit mijn gebedenboek. Ik had
de tafel naar het bed geschoven. In het schijnsel van het oliepitje was een bloedkoralen ketting helder
zichtbaar, waaraan een kruisje van geslepen steenen hing, ook een immer-groene palmtak, dien ik in
een fleschje had gezet. Als ik mij moede had gepreveld, legde ik het bruine bandje naast die
fonkelende dingen, en blies het nachtlicht uit. Toen kraakten zachte stappen op de treden van de trap
die naar mijn kamer klom. Ik wilde gillen, maar dacht aan het meisje, dat mijn even oude zusterke
kon wezen, en dat ik met mijn angstkreet om haar vader onherstelbaar treffen zou. Ik wist niet wat te
beginnen, de schuifelende schreden naderden. Zeker of ik zoo een glimpje helderheid kon winnen, stak
ik weer mijn lampje aan. Dan knielde ik neer voor mijn bed op de planken, enkel in mijn dunne hemd.
Eensklaps stond mijn meester op den dorpel, ook in zijn witte nachtgewaad. Deerlijk begon ik te
beven, toen ik naar zijn wilde, starre oogen zag. Een zucht-lang bleef hij talmen, dan scheen het of er
iets zijn staren wekte, of dit wakker werd in wonderlijke aandacht, ja het kwam mij bijna voor, dat
achter mij een wezen hem moest wenken, zoozeer leek het spreken van zijn blik een antwoord en een
wederspel. In de dorte van mijn bittere bekommering
| | | |
groeide toch het bloempje der nieuwsgierigheid. Voorzichtig wendde ik het hoofd en keek terzijde.
Maar ik vond er niemand, slechts de tafel en de kleine dingen, die daarop verzameld lagen, stralend
in een stillen kring van licht. Zwijgend had de man zich afgekeerd. Het schijnsel raakte zijn schouders
rustig aan, als een verzoenende hand. Hij was alweer den drempel over, ik kreeg medelij met zijn
gekromden rug. Van verluchting zuchtend telde ik zijn stappen die nu daalden, allengs verder weg.
Den volgenden ochtend riep hij mij in het koetshuis, waar de bespannen brik reisvaardig wachtte.
Mijne bezorgdheid was voorbij. Hij gaf mij een goudstuk en een brief. Langer mocht ik hier niet
blijven; de lieden, die hij had geschreven, wisten wel een dienst voor mij. Dan zeide hij zeer ernstig,
dat niet mijn bidden mij behoed had, maar dat de nederige voorwerpen in den gloed van het lampje,
het boek, de tak en het kruisje, hem als met zwaarden hadden uitgedreven, en hoe wij daarvoor
beiden god wel dankbaar mochten zijn. | |
III
De appel
De hoeve, waar ik arbeid had gevonden, rees machtig uit het golven van de donker omgeploegde
winterakkers, als een weelderig eiland van bedrijvigheid en welvaart op. Den meiden en den knechts
was elk een eigen dagtaak aangewezen, mij het kuischen van het huisraad en gereedschap, zoodat
mijn gaan en komen immer begeleid werd door het stroomen van het water en het knarsen van de
pomp. Toch schonk het voldoening de dingen van het manteltje der vuilheid te bevrijden en mij dan
eindelijk te spiegelen in hun nieuwen, naakten glans. De vrouw, een krachtig, nijver mensch,
bestuurde kalm en kloek het werk. Gaarne richtten
| | | |
wij ons naar heur wensch. Daar de man gestorven was, beschouwden wij haar zoon als onzen meester,
en wij geloofden dikwijls aan een koning te gehoorzamen, van wien wij elk bevel ontvingen als een
vorstelijk genadeblijk. Zoo vaak hij zich verwaardigde te lachen, en dat kon hij onbeschrijfelijk zonnig
doen, werd dadelijk die lach door onze lippen opgevangen, zoodat hij in een feestelijken kring stond
van genoegelijkheid. Soms kregen wij hem vele dagen niet te zien. Dan voelden wij ons als een
dolende kudde, die het klokje van den leider mist. Bij den arbeid, die vanzelf een lied deed wakker
worden, vlug of langzaam volgens de maat van de bezige hand, gaf ik mij aan dwaze droomen over, als
de vogels en de bloemen wisselend met het jaargetij. 's Winters liep ik in den kouden regen, en dan
bouwde hij een hut uit takken, waar ik schuilen kon. In het voorjaar wandelden wij samen langs het
bruidenwit der vruchtboomen, en brak hij een twijgje voor mij. 's Zomers droeg een snelle boot ons
zeewaarts, terwijl de herfst ons dansen zag, met wingerdbladeren versierd.
Zijn verloofde was een lieve, rijke jongedochter uit de buurt. Wanneer zij op den hof te gast kwam, in
haar zijden rok en bonte keursje, knielde ik aandachtig neder en reinigde haar van stof of slijk. Nooit
bezat een koningskind een nederiger dienstmaagd, en als mijn ruwe vingers langs een plooi of kreukel
streken, peinsde ik dat hij haar dáár misschien had aangeraakt. Telkens deed zij dan een vraag, zich
vriendelijk tot mij overbuigend, en ik gaf antwoord, opwaarts blikkend, of ik bij een heilig beeldje bad.
Voor den schoonen, zoelen zomeravond spaarde ik altijd nog een kleinen arbeid op. Mijn kameraden
schertsten of zongen tezamen, ergens achter op het erf, terwijl ik naast mij, rond de bank voor de
woning, niemand dan de koperen vaten, die deemoedig op een glansje wachtten, tot gezelschap had.
Ongestoord genoot ik van het verre uitzicht over koren-
| | | |
velden. Dan duurde het ook niet lang, of mijn meester deed het hekje in den hagedoorn open en
begroette zijn liefste, die hem tegemoet trad, blozend van behagen en het late licht. Zijn rechterhand
nam hare linker, en zoo drentelden zij sprakeloos henen, als in aarzelende verlegenheid. Doch
nauwelijks wuifden de eerste halmen tusschen ons en hunne vertrouwelijkheid, of zijn arm omving
haar middel, en zij vlijde haar wang zijn schouder aan. Het zachtjes wiegend land lag wijd en
eenzaam, slechts zij beiden schreden daar. Ik kon hen met de oogen volgen langs het kronkelend pad.
Nu eens zag ik slechts zijn hel gezicht en haar genegen hoofdje, dan weer rezen zij en stonden slank
en donker voor den hemel, om spoedig bij een wending te verzinken als een bootje aan den horizont.
Soms steeg de maan op in het Oosten over dit betooverende spel, terwijl de wolkjes in het Westen nog
blakerden van rooden zonnebrand. Dan verbonden zich die beide gloeden, of zij ook elkaar beminnen
wilden, het veld ontving een innigheid van tinten, in het koper, rond mijn schoot vergaderd, viel de
dubbele weerschijn, zoodat ik als met bloemen uit drie rozenkorven werd bestrooid. Ik verloor den zin
der werkelijkheid, en mijn ontroering veranderde de akkers in een landstreek, waar de bijbel van
verhaalt; daarin dwaalden de gelieven door de dichte aren, stil en plechtig, of hun naam was Ruth en
Boas, en die wandeling na eeuwen nog gekend zou zijn. Mijn wangen werden vochtig door de tranen,
ik zuchtte van verlatenheid.
Zoo vervulde zich allengs de zomer en brak de oogsttijd aan. Op een vroegen Julimorgen schalde ons
roepen en juichen over de wuivende vlakte, begeleid door de belletjes der leeuweriken, die luidden in
het diep gewelf van blauw. De mannen zwaaiden de sikkel, de vrouwen bonden het gemaaide in
schoof aan schoof bijeen. De zon klom hooger en wij jubelden niet meer. Telkens als ik rechtstond, om
de
| | | |
haren van mijn vochtig voorhoofd weg te strijken, keek ik naar mijn meester, hoe hij jong en krachtig
met de gele vloedgolf worstelde en haar gebroken voor zijn voet verruischen liet. Ik herinnerde mij
een zomerdag van lang geleden, toen ik aan het zeestrand was geweest. Daar had ik de baders door
het brandingsschuim zien snellen, en de borst zien bieden aan de sterke brekers, welke machteloos
verstoven voor dien kalmen moed. In mijn teedere bewondering vermengde ik droombeeld met
waarheid, en mijn meester waadde naakt zooals de zwemmers door het graan. Ik boog mij gloeiend
naar de halmen neder, hun bundel lag mij warm en geurig in de armen, die ik langzaam in een zacht
omhelzen sloot. Ach, ik was zoo vol van onbestemd verlangen bij dien arbeid in dat duizelend licht.
Bij het dalen van den schemer togen wij weer huiswaarts. De knechts en meiden dartelden, alsof zij
wijn hadden gedronken en feest gevierd. Wie zich in de lentemaanden onbewust hadden gezocht en
gekozen, vonden elkander nu en zongen gepaard. Eenzaam volgde ik mijn makkers en hoorde naar
hun allengs zich verwijderend lied. Moeheid bonsde in mijn slapen en ik smachtte naar wat koelte en
de avondrust. Toen kwam mijn meester naast mij loopen en schertste met een hartelijk woord. Tot
het einde bleef hij aan mijn zij. Stap voor stap kan ik die wonderbare wandeling beschrijven, hoewel
ik eigenlijk gesluierd door een andere wereld ging. Eerst werd ons pad omzoomd door beukenhagen,
dan door een koolveld en een smalle sloot. Wij kwamen langs een boerenhuis, waarvan de schoorsteen
rookte, wijl het blauwe wolkje recht en nergens omgebogen in den purperen hemel rees. Een hond
trok blaffend aan zijn ketting. Maar ook toch schreed ik tusschen rijen witgetooide kinderen, die met
takken wuifden boven onze hoofden en zangetjes aanhieven, zulke als waarmede men een bruid, of
koninklijke gasten welkom heet. Ja, ik heb
| | | |
weleens de meisjes, met heur neergeslagen oogen en haar saamgevouwen handen, naast heur jongen
naar de kerk zien gaan. Zóó met de oogen en zóó met de handen heb ik ook geloopen langs dat hegje
en dat veld. Toen vroeg hij vriendelijk wat er schortte. Ik zeide: ‘anders niet dan dorst.’ Naast het
rookend huisje suizelde een rijke bongerd, dicht met trossen vrucht bezet. Mijn meester deed een
vluggen sprong en bood mij dan een kleinen, groenen appel, die nog niet gerijpt was aan. Als
vertwijfeld drukte ik hem aan de lippen, dat hij met een droppel bloed bevochtigd werd. | |
IV
Het eigen huis
In den beginne heb ik van dat pelgrimsvrouwtje gesproken, dat, bij den terugblik over het landschap
van haar zwerftocht, de steden en torens niet ziet. Zoo ben ik ook het gewichtigste vergeten, armoe,
ziekte, aangedaan en ondervonden onrecht, zelfs een minnarij waarbij ik werd bedrogen, terwijl ik
nog den vorm, den glans en ieder vlekje van dien appel weet. Intusschen was ik ouder geworden, en ik
achtte het een uitkomst toen mij werd geschreven, dat een verre bloedverwant mij tot haar erfgename
had gemaakt.
Vreemd, maar nimmer heb ik mij zóó een zwerveling geweten, als toen ik, door een boerenknaap den
weg gewezen, eindelijk eenzaam in mijn beste plunje voor mijn eigen woning stond. De groene luikjes
waren gesloten en niemand trad mij tegemoet. Aarzelend ging ik het tuintje binnen; het kiezel
kraakte op het proper pad. Dit slingerde zich tusschen de herfstgewassen, zuiver afgebakend,
zorgzaam onderhouden, blank en ongerept. Plotseling kwam de gestorvene mij in de gedachte, haar
kalm gelaat, de klare zin en reine handelingen, hoewel ik haar nimmer had gekend. Peinzend was ik
blijven stilstaan en deed nu weer
| | | |
een stap. Hooge zonnebloemen keken op mij neder, mij docht met wrevel, als hadden zij iemand
anders hier verwacht. Ik kreeg een gevoel, alsof ik mij moest verontschuldigen, ik schoof een stengel
terzijde die den doorgang versperde, maar overal ontmoette ik een wrokkende vijandigheid. De
dahlia's werden purper van verbolgenheid, de phloxen wit van woede, de scherpe geur der anjelieren
stootte mij terug, het klimveil en de wingerd zochten mij een strik te spannen, de geraniums en
afrikanen loerden onheilspellend achter de verschansing van den grasrand met een boos en rood
gezicht. De vage wil der planten had zich tot een kracht vereenigd, die de oude meesteres weer tot
zich wilde lokken, na de indringster te hebben verjaagd. Werkelijk stond ik toen als in een sprookje,
hulpeloos gebonden en behekst. Ik huiverde van een verlatenheid die aan den dood verwant leek; het
zwaard der gladiolen was reeds op mijn borst gericht. Maar door een nietig onkruid werd ik uit mijn
verloren-zijn gewekt. Midden op het schoone, aangeharkte pad ontplooide het behagelijk zijn rozetten,
waaruit de kleine bloem parmantig opkeek, als een kinderkopje uit zijn kanten kraag. Meteen besefte
ik dat deze inbreuk op de goede orde niet geduld mocht worden. Ik greep de blaadjes tusschen duim
en vinger, en trok den overtreder der geboden onmeedoogend uit den warmen grond. Ongelukkig liet
hij zijn worteltjes hangen, als een natgeregend katje bij het nekvel opgenomen, dat gelaten op de
voltrekking van zijn vonnis wacht. Dit luidde hier verbanning uit het vaderland. Ik wierp het weg
over het hegje, en tegelijk verloor de tuin zijn macht. Ik had mijn recht van eigendom bewezen, en hij
schikte zich daar willig in. Hij verdiepte zich loom in zijn geuren, hij speelde met de schaduw en de
zonnevlokken, ja, hij bouwde in een eerepoort van groen en kelken mij een welkom, als was er
nimmer sprake van opstandigheid geweest. Terwijl ik zacht een wijsje neuriede, opende ik
| | | |
de blinden en stak den blinkenden sleutel in het slot. Rustig trad ik over den drempel. In de kamer
kruisten zich twee zonnebanen, dwarrelend van stofjes, zoodat ik droomerig genietend nu eens door
een koele, donkere, dan weer door een warme, lichte wereld ging. De dingen, die ik voortaan zou
bezitten, verkregen door het nauw verband waarin zij tot mij stonden een ongekende werkelijkheid.
Dat het blanke linnen in zoo'n zuivere vredigheid kon sluimeren, had ik nooit vermoed, ook niet dat
het helder aardewerk zoo nederig en ingetogen zich bereid zou houden om gevuld te worden en het
toevertrouwde te behoeden, alsof een hand zich tot een holte vormde, mild en menschelijk. Dan het
huisraad.... Maar ge zit nu zelf wel aan mijn glanzend rood geboende tafel, en de schaduw van de
appeltwijgen teekent raadselen op wand en zoldering? En hebt ge ze reeds opgelost? Nog deze vráág,
omdat ik u zooveel al vertèld heb. Ondervondt ge reeds de innigheid der simpele verrichtingen, of
moet om dit te voelen al een rimpel en een enkel zilver haar gewonnen zijn? Ik bedoel dat
nederbukken bij wat spaanders, ze tezamen schikken, en plotseling ontluikt de bloem der vlam; nu
zet ge de spijzen te koken, niet lang daarna begint de ketel hoog te zingen, er zwelt een kracht op in
de melkpan, en stuwt het schuim tot aan den rand. De disch, sneeuwwit gedekt en rijk aan gefonkel,
noodigt U ernstig uit, en als ge aanzit roert U zoo die kalme, witte stemming, dat ge de handen vouwt
en bidt. Doch die geschenken geeft alleen het èigen huis. | |
V
De verzoeking
De weg, die langs het huis loopt, nu met allerlei buitenverblijven volgebouwd, bezat vroeger mijn
woning als het eenig sieraad dat door menschenhanden was gemaakt. Want
| | | |
zijn bloemen en zijn lommerrijke boompartijen waren kinderen van hemzelve en de zon. Wanneer ik
uit mijn dakraam leunde, kon ik hem naar beide zijden en in zijn volle lengte overzien. Hij golfde en
kronkelde. In het Westen leek hij te beginnen bij een kleine, ranke stad, die uit een juweelenkistje
scheen genomen, om, toegedekt onder een sluier van nevel, op een verhevenheid te pronk te worden
gezet. Naar het Oosten verloor hij zich in stijgend beukenloover, waarboven rookkolommen traag ten
hemel klommen, ten teeken dat de ernstige grootere broeder van mijn lieve nevelstad daar school.
Gewoonlijk was er geen bijzonder druk verkeer. Een enkele boerenkar kwam langs gerateld, ook wel
de hooge wagen met zijn gouden hooiboeket; een barvoetsch meisje dreef haar langzaam vee, de
grijsbestofte bedelaar ging met het hoofd gebogen, terwijl de wandelende stedeling zich vergastte aan
den aanblik van de wolken en een vogelvlucht. Bij mild zomerweder zat ik dit voor mijn woning aan te
zien, bij regen achter de bedrupte ruiten.
Den eersten Zondag van mijn nieuwe, ongewende leven ontwaakte ik koortsig met kwellend geklop in
de slapen. Machteloos bleef ik liggen, starend in den stillen, gelen schemer, die door de dichte
gordijntjes naar binnen viel. Toen dommelde ik vanzelf weer in, tot een vreemd gerucht mij op deed
schrikken. Het geleek op het aanhoudend, dof geraas van bruisend water, alsof een rivier haar
bedding had verlaten en nu schuimend over den landweg vloot. Dan herkende ik afzonderlijke
geluiden, klappen van zweepen, knapenstemmen, hoefgetrappel met, als onveranderlijken grondtoon,
wielgedreun. Het suizen van mijn bloed, dat zich daarmee vermengde, verwarde deze klanken tot een
spookachtige onwerkelijkheid. Ik wilde mij vergewissen, doch lag gebonden aan mijn bed. Naar het
venster turend, onderscheidde ik slechts het witte zonnevlak, waarop het schimmenbeeld der
appeltakken sidderde. Soms zeeg daaruit een
| | | |
donker schaduwblaadje neder, dat het najaar vallen liet. Telkenkeer verzonk ik diep in wilde
droomen, om eensklaps weer te luisteren naar het nimmer eindend rollen van den wentelenden
stroom.
Den volgenden Zondag, frisch en genezen, had ik vol verwachting mijn armstoel voor het raam
geschoven. De hemel was bedekt, eentonig kletterden de droppen. Een hond sloop voorbij met den
staart tusschen de pooten, en ook vertoonde zich nog een schreiend kind. Vele weken bleef het weer
bedorven, totdat het allengs winter werd.
Na lange, donkere maanden brak plotseling de lente aan. Zegevierend had zij het land overweldigd,
en met haar bloesem, zonneschijn en schuchter groen geboeid.
Zeker dacht ik niet meer aan mijn koortsondervinding, toen ik op een warme ochtend, luisterend naar
een ver verwijderd Zondagsklokje, in mijn tuin geknield lag, niet om te bidden, hoewel ik vervuld was
van god, maar om te zoeken naar de eerste plantenkiempjes, die zich zwoegend uit de aarde werkten
met hun geduldige kracht. Het werd mij zoo heugelijk te moede, of een kind, dat ik had zien slapen en
al bemind had voor ik het wekken dorst, nu lachende de oogen opende. Ik lachte terug en richtte het
hoofd op, ik ontmoette den wenk van den hemel, en glimlachte weder, en wie weet hoe lang ik daar
nog op de knieën mij vermeid had in blijde begroetingen, als niet een naderend geluid langs den
landweg mij op had doen springen, half nieuwsgierig, half beschaamd. Over het haagje buigend,
ontwaarde ik twee ruiters, een jeugdig meisje op haar lenig paard gezeten, dat met zijn bles en witte
voetjes op een danseresje leek, en een slanken man, bedachtzaam naast haar dravend op zijn
glanzenden bruin. Juist boog het rijderesje naar hem over, en wees op mijn bloeienden appelboom. Hij
knikte, nam haar in zijn arm, terwijl de dieren als vanzelve zachter stapten, en kuste haar. Zoo
omstrengeld bleven zij
| | | |
nog wat schertsen en fluisteren, wiegelend als bloemen en even argeloos. Want zij bemerkten mij pas,
toen hun schaduw over den witten gevel van mijn woning danste. De gekuste wangen bloosden, en om
mij te verzoenen, wierp de op heeterdaad betrapte mij haar ruikertje violen toe. Ik raapte het
zorgvuldig op en dankte. Maar zij vluchtte al weer henen, in een overmoedigen galop. Een korte pooze
scheen de eenzaam leege weg het liefelijk bezoek vergeten. Een merel jubelde als om mijn stille
vreugde te vertolken. Maar zijn lied werd spoedig door het schallen van een horen overstemd. Meteen
waren de fietsers al langs mij gesuizeld. Eerst de blazer, dan zijn vrienden, roepend, joelend,
opgesmukt met slingers bloemen, als een stoet van bruidegoms. Hierdoor bleek de eindelooze rij der
toerende lentevierders te zijn ingeleid. Van het Oosten en het Westen ratelden en trappelden zij aan.
Nu eens was het een door deftige gedaanten gevulde equipage die voorbij mij veerde, dan weer
schommelde een wrak vehikel achter het zwoegende paard. Het borg een gansche vroolijke familie,
vader, moeder, kinderen, terwijl de hond zelfs niet vergeten was. Het verbaasde, dat er in het voertuig
niet een tafeltje gedekt stond voor het reizende gezin. Ook de hooge wagens, overvol van vlaggen,
zangetjes, handenwuiven en jurkenwit, doken telkens waar eentonigheid begon te dreigen met hun
woudgerucht van jonge vogels op. Door die onontwarbare woeling schoten de vliegende fietsers als een
flitsend weversspoeltje heen en weer.
Ik trachtte op mijn bank onder de bloesems van den wedloop dier beide zich kruisende en door
elkander ijlende stroomingen een rustige toeschouwster te blijven, maar toen dit zoo uren geduurd
had verloor ik mij daarin. Er scheen iets op vleugelen uit mij te vluchten, haastig, dorstig, om een
schuilplaats te zoeken in het hart van een dezer vreemdelingen, die het lot een oogwenk langs mij
voerde op hun
| | | |
Zondagschen voorjaarstocht. Zoo ging ik door de dreven der juweelstad, in de gedaante van het meisje
dat mij haar violen schonk. Ik leunde op een trouwen, stoeren arm en luisterde naar de liefste
woorden, door een mond gesproken die mij had gekust. Dan veranderde ik in de moeder van dat
dichtopeengepakte huiselijke groepje. Het tafeltje, dat ik straks gemist had, stond nu in het armelijk
vertrek gedekt, vol ruikers en dampende spijzen. Ik vierde mijn geboortedag. Hartelijk werd ik
toegedronken door mijn diepontroerden echtgenoot, terwijl de kinderen, die ik gebaard had en
opgevoed, mij juichend eer bewezen, en zich op mijn knieën nestelden. Ook zweefde ik naar de rijke
schoorsteenstad. Tapijten dempten mijne schreden, dienaren bogen, door een open tuindeur zongen
vogels, dreven geuren; ik legde mijn hand op het marmer, en bekeek mij aandachtig, van het
diamantgetooide hoofd tot aan de witgeschoeide voeten, in het helder spiegelglas.
Toen de schemering viel, herwon ik mij weder. Het laatst vertier was weggestorven; een door het
avondlicht vergulde stofwolk dreef om de kruinen der boomen, vergankelijk als een herinnering. Ik
voelde mij verlaten, verstooten door mijn broeders, en onbeschrijfelijk alleen. Ik stak het lampje in
mijn kamer aan; de wanden drongen op mij toe, de zoldering werd tot looden deksel. Ik schaamde mij
voor mijn tranen, maakte het weer duister en legde mij te bed. Daar hield het verlangen mij wakker,
de wereld wenkte tot haar korven overvloed. Doch ik had het minste deel verkoren, had wortel
geschoten als een boompje aan een eenzamen landweg, terwijl ik op wieken over bergen en zeeën had
kunnen gaan.
Bij het eerste morgenschijnsel vlood ik naar buiten, omdat het huisraad loerend nadersloop. Ik
strekte de armen uit om hulp, maar slechts de groote bleeke koelte trad mij tegemoet. Nergens roerde
zich een levend wezen. Doch dan zag ik
| | | |
wat schitteren in een wagenspoor. Ik bukte en raapte een hoefijzer op. Een der flikkerende ijzers, die
gisteren voorbij waren getrappeld, had losgelaten, en lag nu met zijn kromgebogen nagels op mijn
vlakke hand. Maar gods hand scheen tegelijkertijd in de mijne te rusten, want een floers werd
weggenomen en de dauwbedekte velden fonkelden. Alle heetbegeerde luister zonk tezamen tot dit in
het stof verloren nietig voorwerp, en mijn vingers kon ik sluiten om het simpel beeld der machtelooze
ijdelheid. Zie, het hangt daar te voorspellen: vrede, rust, geluk. | |
VI
Rebekka
Maar als den koning van de week beschouwde ik den marktdag. Bij schoon zomerweder ving hij altijd
op dezelfde wijze aan. Beladen met emmers en kruiken liep ik in de vroegte door mijn tuintje, baande
mij een weg tusschen een vlierstruik en een rozelaar, totdat ik op een vochtig plekje bij mijn oude
eikenhouten welpomp kwam. Ik liet den slinger zingen, en weldra stroomde de koele, klare en
kostelijke drank. Het zonlicht speelde in den waterstraal, terwijl de uit de heesters opgeschrikte bijen
heen en weder dwarrelden als vonkjes vuur. Klaterend vulden zich de vaten, in een klimmenden toon
van overdaad. Ik dacht aan dorst en lessching, dankbaar en gelukkig of mijn eigen hart zich opende
en verkwikking schonk. Ja, deze dag begon als een bronnetje en hield zijn belofte, helder kabbelend
langs vruchtbare boorden, om uit te monden in het effen avondmeer.
Spoedig meldden zich de eerste gasten. Een boerenkar hield stil voor het haagje, het beschuimde
paard dronk gretig met een lange, volle teug, die mij deed denken aan het slurpen van den grond op
heete, droge dagen. Nu kreeg de voerman ook zijn beurt, ik reikte hem de steenen kruik,
| | | |
die hij aannam, nederbuigend van zijn hoogen zetel. Reed een knaapje mede, dan tilde ik het van den
wagen en gaf het melk in een gebloemde kom. Die vatte hij in beide handjes, en zag mij onder het
drinken met zijn blauwe oogen ernstig en voortdurend aan. Groeten klonken, zweepen klapten en een
volgend half versmacht gezelschap wachtte alweer op lafenis. Ook voetgangers kenden de bescheiden
herberg aan den grijsbestoften weg. Schorgeschreeuwde schapendrijvers, veekoopers in hun
glimmend bolle bloeze, en soms een kramer, die zijn waren op den rug droeg, als een torentje van
overvloed, allen verfrischten zij de dorre kelen, haastig of bedachtzaam, naar gelang den aard van
hun bedrijf. Nooit miste ook de kapelaan uit het naburig dorp. Hij was een landmanszoon. Op den
marktdag had hij altijd iets te bedisselen of te bestellen. Hij riep de boeren aan om naar het weer en
naar het hooi te vragen, hij keek in de bekken der paarden en betastte de runderen tusschen de
schoften met een gewichtigen ernst. Bedrijvig ratelde zijn wiegelende sjees. Van uit de verte lachte al
zijn stem. Zijn bultig, mager trekdier hinnikte van begeerigheid. Hij noemde mij schertsend Rebekka,
en verkocht een grapje over zijn kemel voor wien ik putten moest. Terwijl de bruine kop zich snuivend
in den emmer dompelde, glunderde zijn rood en rond gezicht boven den wijn dien ik hem aanbood. Hij
bleef nog wat kouten. Blootshoofds stond ik in den gulden zomer, met mijn hagelwitten halsdoek,
helder jak en in de plooi gestreken voorschoot, want ik was gewoon mij op dien dag als voor een feest
te tooien, hoewel mijn oudste plunje eigenlijk nog te goed leek voor dat geslobber en geplas.
Het hartelijkst welkom waren mij de bedelaars. Ik begroette ze met de woorden ‘vadertje’ of ‘moeder’,
en bewees ze, zonder dat zij dit vermoedden, een waren, warmen eerbied met dien dierbaren naam. Ik
liet ze binnenkomen en neder-
| | | |
zitten, terwijl ik zelve ging of stond. De meesten kende ik reeds lang. Zoo het grijze vrouwtje met haar
platten knapzak, dien zij bol weer mededroeg. Dan een arme man, die steeds zijn stokje op den vloer
liet tikken, sidderend aan al zijn leden als een espeboom. Ook een blinde en zijn hond. Zoodra die
veilig waren geborgen, de meester in mijn zorgstoel, de trouwe makker aan zijn voeten op het mollig
kleed, achtte deze zich verantwoord het wegwijzend lampje te dooven, sloot de oogen, legde den kop
tusschen de pooten en sliep in. Vaak voegde zich daar nog een rosgebaarde landlooper bij. Hij bracht
altijd iets mee van de aarde: aan zijn kleederen klevende grasjes, een verschgeschilden tak, een
bloem. Wat hij zeide was frisch en natuurlijk, naakt zou ik het willen noemen, zooals naakt is wat
langs veld en wegen bloeit. Ik sneed het brood, ik schikte het fruit voor ieder op een eigen schotel, en
zette de roomige melk daarbij. De bevende stakkerd kon zijn kop niet aan de lippen brengen, ik gaf
hem voorzichtig te drinken, en moedigde hem aan als een kind. In waarheid beschouwde ik ze ook als
mijn kinderen en gaf ze stilzwijgend een vleinaam naam als: mijn lieve geringen, mijn nederige
heiligen, of broeders van den goeden god. Dat zij werkelijk wonderdoeners waren, bleek uit de
betoovering van het vaatwerk dat zij hadden aangeraakt. Lang nadat zij mij hun vaarwel hadden
toegeroepen, stonden de borden en de bekers nog te flonkeren van louter edelsteen; ook schenen zij
schoone ruikers te hebben achtergelaten, want het bloeide aan alle hoeken en het huisraad droeg een
groenen krans.
Tegen den avond ruimde ik het gebruikte aardewerk tezamen en bracht het in mijn tuintje bij de
houten pomp. De zon ging dan in vele kleuren onder, die in den waterstraal weertintelden. Dus
eindigde de dag zooals hij was begonnen, en hij geleek op de zuiverste der gereinigde schalen,
glanzend, gaaf van vorm, en zonder barst of breuk. | |
| | | |
VII
De versmade gaven
Vele jaren verliepen. Mijn grijze haren en mijn rimpels hadden zich vermeerderd, het dak van mijn
woning had een groen manteltje aangetrokken en zelfs de landweg was veranderd. Van mijn taak als
eenzame voorpost was ik ontheven, en de buren lachten mij toe door het venster, of riepen over het
haagje hun groet. Wij bezochten elkander. Gaarne vooral zag ik den jeugdigen schoolmeester komen,
met zijn frissche vrouw en goudblond kind. Dagelijks fietste hij heen en weder naar de in het
beukenloof verborgen rookkolommen stad. Hij sprak zeer veel en luid, hij scheen niet tevreden met
het bestuur en de wetten, en ik deed hem vaak een vraag. Dan sloeg hij de handen in elkander, zoo
weinig als ik van de wereld wist. Ik moest hem vast beloven mij te beteren. Elken avond na den
maaltijd, als ik juist wat dommelde voor het open raam, wekte mij het knerpen van het kiezel.
Vakerig staarde ik langs de rozen en geraniums, die bloeiden in mijn vensterbank, en zag, tusschen
hen en de zonnige heesters, een wondermooi meisje verschijnen, lief en sierlijk als een bloemenfee. Ze
droeg een plat-gevouwen pakje, dat zij knikkend aan mij overreikte, het door de plantenstengels
schuivend, of ze zoo een toovergave schonk. Ik zette mijn bril op, spreidde de ritselende krant uit
elkander en las. Ik las van de weeën der wereld, hoe de ziekten over de landen reizen, en misgewas
den hongersnood verwekt, ook werd er bericht over strijd tusschen broeders, beginnend bij de kleine
twisten over god en geld, klimmend langs den haat tusschen armen en rijken, tot aan het toppunt van
den oorlog en den moord. In koele, behagelijk koutende zinnen werd van een diefstal, een staking of
veldslag verteld. Ten tweede male klopte het leven aan mijn ruiten, nu niet met een verleiding, maar
met
| | | |
een klacht en een verwijt. Hoe kon ik hier weerstand aan bieden? Als op dien langgeleden lente-avond
was het juist de rùst van het tehuis die mij het pijnlijkste martelde. Vlijde ik mij zuchtend in den
armstoel neder, dan werd het mij te moede of een gestalte mijn knieën omklemde, mijn handen kuste
en om bijstand bad. Aan den anders immer kalmen, blanken disch zat nu een schim mij tegenover, die
spijs en drank vergalde, door het smachtende van zijn mond. Sloeg ik de dekens open van mijn
legerstede, dan lag daar een kranke of een gewonde dien ik storen en verdrijven moest. Ik haatte mijn
vrede. Met duizend stemmen eischten de lijdenden mij op. Ik besloot te vertrekken, bekommerde mij
niet om mijn jaren, en ontwierp verwarde plannen over den steun dien ik verleenen zou. Ik pakte de
dingen van waarde tezamen, maakte beschikkingen en legde mij eindelijk voor het laatst te slapen in
mijn verloren, verloochende huis. Toen droomde ik.
Ik droomde dat ik als in een sprookje tusschen wuivende vleugels werd weggevoerd. Boven mij
wapperde de met juweelen bestikte mantel des hemels, beneden lag in maneschijn de aarde als
versteende zee. Ik vloog over steden en dorpen, loopgraven en vestingen. Telkens daalde ik en drong
door daken binnen, vormloos, wichtloos, louter ademtocht. Ik zag dan de kamers, kelders en holen, en
in elk daarvan een lijder, neergezonken in de houding van zijn smart. Geluiden lieten zich nooit
hooren, niemand sprak. Zij deden denken aan geknakte bloemen, afgevallen bladeren en het
gemaaide gras. Evenals die gebrokenen gaven zij zonder woorden hun klacht te verstaan. Sommigen
weenden om hun armoe of bedrogen liefde, anderen stierven aan een wond of kwaal. Wat zij
zwijgende verhaalden was mij lang bekend, van ieder had ik de geschiedenis gelezen. Zij begrepen dat
ik hulp kwam brengen en sloegen smeekende de oogen op. Mijn hart ging open als de gouden
| | | |
deurtjes van een reliquieënschrijn, en ik boog mij gehuld in geflonker. Voor ieder wist ik de geëigende
artsenij, en diende hem die toe uit zuivere barmhartigheid. Den een schonk ik een boek, een tak, een
kruisje, anderen bood ik mijn appel, een beker parelend water of mijn hoefijzer aan. Ook waren er van
wie ik voelde dat zij door een enkele simpele verrichting hun levensloop veranderen zouden, zooals ik
dit door het wieden van dat onkruid had gedaan. Ik trachtte dit geheim hun mee te deelen, door het
overreiken van een klein, bescheiden zinnebeeld. Maar zij versmaadden mijn gaven, sprakeloos,
alleen door gebaren, het ballen der vuisten, het trekken van sabels, of handenvouwen in een klagelijk
verzoek om beteren troost. Slechts eenmaal werden mijn giften aanvaard, doch het gelaat dat zich
dankend naar mij ophief bleek geen ander dan dat van een mijner lieve geringen te wezen, voor wie ik
op den marktdag herberg hield. Zoo werd ik overal teruggestooten, want de schatten, waar zij mij om
bedelden, bezat ik niet. Bitter weenend spreidde ik de wieken uit en vluchtte. De tranen hingen om
mij heen als heldere sterren, ik droeg de uit ivoor gesneden beeltenis van mijn woning op den arm, en
leek zoo naar een verre bidkapel te reizen, met mijn verzoenend wijgeschenk.
Toen ik ontwaakte groette mij het licht vertrek vol morgen, en een vogel zong. Ik dacht niet meer aan
gaan. | |
VIII
De vreemdeling
Weer zijn vele jaren voorbijgegaan, waarvan ik niets weet te vertellen dan dat elk mij wat dieper
nederboog en een vlokje sneeuw deed vallen. Al grijzer en krommer, leek ik tred voor tred een smallen
bergweg af te dalen, die bij een ijzer poortje eindigde. Daarvan hield ik tenslotte de klink
| | | |
in de hand, zonder hem te durven lichten, hoewel ik zeer verlangde om het bloeiend dal te zien. Toch
geloof ik dat dit somtijds door een verborgen opening naar binnen kwam schijnen, want hoe moet ik
anders die vreemde gewaarwording verklaren van plotselinge verjonging en wonen in een kinderland?
Vaak wanneer ik in mijn tuintje knutselde, veranderden paden en perken, en liep ik als een spelend
meisje achter hemelsblauwe vlinders aan; over den haltedoren turend, bemerkte ik vader langs de
weide stappend met zijn blikken drinkkan en zijn spa, dan riep moeder uit de huisdeur, en mijn
kloppend hartje aarzelde, of het mij tot die stem, of naar die rustig naderende gestalte lokken zou.
Midden uit de volheid dier verrukking werd ik opgeschrikt en lag dan, ouder en gebrekkiger dan ooit,
geknield bij een korfje gezamelde vruchten of een hoopje onkruid waarvan ik het kiezelpad gezuiverd
had. Eens bij zoo'n ontwaken schitterde mij een lichtvonk uit den boomgaard van mijn buurman
tegen. De zon had het staal getroffen van een zeis die leunde aan een eikestam. Ik meende dat de
dood hem had vergeten, en hief het hoofd op van mijn arbeid, alsof er iemand naast mij stond.
Het verbaasde me dat het najaar mij met de dorre bladeren niet medenam, ge weet wel die laatste
November, toen de stormwind gierde wild en rusteloos. Eens op zulk een donkeren herfstdag, terwijl
de regen aan mijn ruiten sloeg, hoorde ik het tuinhek knarsen. Achter mijn gordijntjes glurend,
ontwaarde ik een handwerksman die, zwoegend tegen een vlaag op, over het grindpad van mijn
tuintje strompelde. Aarzelend klopte hij aan. Dadelijk liet ik hem binnen. Hij groette, ontdeed zich
van zijn ransel, zette zijn knoestiger stok in een hoek van de kamer, en ontblootte dan het hoofd. Ik
weet niet of een droefheid weleens van U is weggenomen, enkel omdat de zon door de wolken brak.
Zoo vergat ik mijn kwalen en lasten, toen dit schoon gelaat
| | | |
mij zichtbaar werd. Als vanzelve moesten mijn knieën zich buigen, nederig bond ik zijn schoeisel los,
hem de voeten in een warme schaapsvacht wikkelend. Dan rees ik haastig, bijna dansend, op, zocht
uit mijn kabinet een kostbaar wit damasten laken en bedekte daar de tafel mee. In het linnen was de
intocht in Jeruzalem geweven; op zijn ezeltje reed Jezus, twijgen wuifden welkom, en de duiven,
vogelen des heeren, vlogen af en aan. Daarop plaatste ik een kom vol blanke melk, brood en boter, en
een vaasje met de laatste asters uit mijn tuin. Dit verrichtte ik zoo innerlijk gelukkig, alsof ik jong en
bloeiend insliep op een zomerochtend en, even voor den droom, den hartklop van de ziel der wereld
voelde. Na den maaltijd reikte ik hem water. Hij doopte er de vingers in, glimlachte en zeide: ‘Vrouw,
herkent ge mij?’ Ik knikte. De woorden die hij dan nog heeft gesproken vermag ik niet te herhalen.
Het is al ondoenlijk den geur van een roos, het lied der nachtegalen te vertolken. Hij sprak mij van de
kleine dingen, waarin god zijn liefste boodschap als een parel te verbergen pleegt, en hij prees mijn
leven, omdat ik die schatten in hun nederige schuilplaats had ontdekt. Toèn was het dat ik langzaam
heel het landschap, dat ik onbewust doorkruist had, zich ontplooien zag in morgenlicht. Hij gaf mij
den zegen, en beloofde nog een teeken, kort voordat ik sterven zou.
Den ganschen winter wandelde ik voortdurend door de langvervlogen tijden, alsof ik een park met
stille lanen, vijvers en een bloemengaard bezat. Op den eersten zoelen lentedag vond ik den door den
vreemdeling vergeten reisstaf. Overal was hij uitgesproten, blaadjes en knoppen wonden er zich
speels om heen. Naast dit fleurig en welriekend wonder zette ik mij te schrijven, vele weken, totdat de
appelaar in bloesem stond. De bloesem begint al te vallen, ik zal de vruchten niet meer zamelen; een
ander plukt ze en verheugt zich wanneer hij ze blozen ziet. Maar niemand zal
| | | |
zoo'n zoeten appel oogsten, als dien groenen, halfgerijpten, met den droppel bloed er aan.’
‘Amen,’ riepen de lezer en de luisterende met een glimlach van ontroering en een zucht van
verademing. Tegelijk hoorden zij voetstappen schuifelen en werd er aan de deur getikt. Twee mannen
droegen een doodkist binnen. De kamer geurde plotseling van het versch-geschaafde hout. De
kinderen namen elkaar bij de handen en gingen. Het kiezel kraakte in den schemer-duisteren tuin.
Als zij wederkwamen vonden zij een lampje aangestoken. Het moedertje lag stil en proper op haar
laatste bed. Het meisje schikte een bloesemtakje op den onbewogen boezem, de knaap op het kussen
een klimoprank. Dan werd het deksel toegespijkerd met een korten, luiden hamerslag. De beide
mannen verwijderden zich langzaam, moeielijk torsend aan hun last. |
|
|