In 1916 was hij begonnen verzen te schrijven. Om precies te zijn: 25 Januari 1916 schreef hij zijn eerste gedicht, getiteld Zomeravond. Hij had het mij gegeven ondertekend met het pseudoniem: Arthur Hoogeveld, en het werd zorgvuldig in mijn dagboek gecopieerd. De verzen die hij in de daaropvolgende twee jaren schreef werden door hemzelf in mijn dagboek overgeschreven, afgewisseld met prozastukken en een aantal van onze brieven, die wij elkaar ondanks onze dagelijkse ontmoeting vlijtig schreven; ook een aantal van mijn eigen literaire ontboezemingen.
Een enkel van deze jeugdverzen is ook gepubliceerd. In het tijdschrift nederland verscheen in 1919 het in Augustus 1917 geschreven gedicht Opstand: dit is het oudste gedicht van hem dat in druk verscheen, ofschoon later geschreven verzen reeds elders waren gepubliceerd. Hetzelfde tijdschrift had ook, in 1918, een prozaverhaal van hem onder pseudoniem gedrukt. Marsman zelf had er oorspronkelijk ook een dagboek op na gehouden en een speciaal schrift voor zijn literaire producten. Maar hij was er mee opgehouden. Terwijl ik van huis uit steeds aan een ‘manie de paperasses’ heb geleden, was hem zulk een verzamelwoede vreemd: hij behield vrijwel niets, maar ik bewaarde al zijn manuscripten.
Ook de boeken die hij gelezen had, stootte hij geregeld weer van zich af en meestal werden ze aan mij geëndosseerd. Soms kreeg ik briefkaarten van hem met titels van boeken die hij weer wilde afstaan of eventueel verkopen. Mede uit de aantekeningen uit mijn eigen dagboek kan men een redelijk overzicht opstellen van de heterogene lectuur, die wij in deze jaren verslonden.
Over de indruk die Hofmannsthal bij het eerste lezen (April 1917) op ons maakte, schreef Marsman zelf vele jaren later, in 1931, in een bespreking van die berührung der sphären:
aant.
Ik las Hofmannsthal voor het eerst toen ik achttien was en hij trof mij toen op een manier zooals alleen het verwante dit doet; zoozeer waren in mijn herinnering Der Tor und der Tod, Der Tod des Tizian en sommige zijner gedichten met dien wonderlijken tijd van ontwaken voor mij verbonden - haast vereenzelvigd - dat ik uit vrees die geheimzinnige betoovering te verstoren deze dingen niet meer herlas... er moet iets in het werk van Hofmannsthal voor mij hebben geleefd dat overeenstemde met een diepsten, misschien onbewusten trek van mijn wezen, met een verlangen, wellicht met een droomen of met een gemis. Ik geloof - maar nauwkeurig kan ik het ook nu niet bepalen - dat deze laatste veronderstelling de zuiverste is: in dien vreemden vroegrijpen tijd, vlak voordat een wilder élan onze hartstochten aandreef, voelden wij ons tot onze verste vezels doortrokken van een veege vermoeidheid, een herfstelijk besef van te laat - en waartoe? - geboren te zijn, een - meenden wij - verfijnde, decadente geblaseerdheid, die onzen blik iets verveelds gaf, een hang naar een tegelijk gecultiveerde en nonchalante hooghartigheid, een laatdunkend verkwijnen; heel deze afgeleefde grijsaardsstemming, die ons zoo oud leek en die in wezen zoo onbeschrijfelijk jong is, vonden wij in Hofmannsthal terug - en tegelijk het besef, het geheele leven, hoe dan ook, te hebben gemankeerd. Inderdaad, vooral dit eendere besef van een eender gemis was in hem en ons het verwante.
Ook Nijhoffs wandelaar, die in 1916 verscheen, heeft een grote invloed op hem uitgeoefend, zoals trouwens ook het getij, dat voor ons voornamelijk met de dichter van de boog was geassocieerd. Het behoeft nauwelijks nader betoog en het kan in ieder geval niet worden betwijfeld, dat niets zozeer in deze jaren zijn poëtische ontwikkeling heeft beïnvloed en gevormd als de merkwaardige bundel gedichten van Herman van den Bergh, die in 1917 onder de titel de boog verscheen en die wij onmiddellijk na het verschijnen kochten en met ‘verrukte verering’ lazen.
Gelijk bij Van den Bergh waren Marsmans eerste verzen vervuld van een pantheïstisch levensgevoel en een kosmisch bewustzijn, met name de kosmische verbinding met het geslacht.
In het grote gedicht van Van den Bergh, ‘De Vlam’, vindt men ook het voor Marsmans eerste periode zo kenmerkende individualisme - de enkeling tegenover de horde - verbeeld: ‘Er is geen ras dan de persoonlijkheid.’ Men behoeft slechts de verzen uit de boog en de spiegel te herlezen om zich te realiseren hoe groot Van den Berghs invloed is geweest. Niet alleen in zinnen als de beroemde aanhef van ‘Tegen Avond’:
maar in de woordkeus, klank, kleur en atmosfeer tot de titels van de gedichten toe. ‘Wacht’ en ‘Invocatio’ vindt men bij Marsman terug, terwijl zijn Blauwe Tocht klaarblijkelijk ontleend is aan de eerste prachtige expressionistische strofe van ‘Bergland’:
De betekenis van Van den Bergh voor de vernieuwing van de poëzie is groot geweest. Meer nog dan door zijn studiën heeft hij door zijn voorbeeld gewerkt: hij was de herontdekker van het woord; hij wilde ‘een directe vers-taal van voorbeeldeloos gave woorden in voorbeeldeloos gaven zin’, woorden die ‘de massale buigzaamheid van de boog moesten bezitten’, en zijn poëzie vertolkte voor Nederland de meest volledige uitdrukking van het ‘moderne levensgevoel’. Marsman zelf heeft herhaaldelijk over de radicale verandering, die de Nederlandse poëzie sinds 1916 heeft ondergaan, geschreven, en het is niet nodig hier nader op in te gaan. Met en vóór Marsman is Van den Bergh de voornaamste expressionistische dichter geweest in dit land. In zijn poëzie werd voor het eerst een modern levensgevoel verbeeld, waarbij kern en verschijning, realisme en symbool, als eenheid werden aanvaard en het woord door stoutmoedige beeldassociaties, aan de droom verwant, en door de vorm van het assonerende rijm een nieuwe poëzie schiep. Er zijn natuurlijk grote verschillen: bij Van den Bergh is dit alles zeer realistisch, zintuiglijk en meer beeldend vooral, bij Marsman is het romantisch en ook zeer op het gehoor; het is geen toeval dat hij er in zijn brieven zo dikwijls de nadruk op legt dat zijn verzen hardop moeten worden gelezen.
Geel, paars, groen, de expressionistische kleuren van Marsmans verzen uit deze tijd - men vindt ze bij Van den Bergh (‘groene haren’; ‘vol van geel doel hunner oogenschijf’; ‘groene roos’; het bos is ‘paars vergiftigd’), zoals ook het veelvuldig voorkomende ‘vuur’, (‘vuur en vrouw’, ‘vermetel vuur’). ‘Vuur en wijn’ (uit ‘Bergland’) keert letterlijk terug in Marsmans gedicht Invocatio. Mijn vuren lach uit het gedicht Vlam waarmee de verzen openen:
roept de associatie op van ‘met een vuren mond’ uit ‘Achter de stilte’ en de laatste regel uit Marsmans gedicht, die van ‘de opalen nacht’ uit ‘De Vlam’ waarvan de eerste strophe als motto zou kunnen dienen voor Marsmans poëzie uit zijn eerste periode:
In een korte beschouwing over Rectificatie, Coïncidentie, ‘Plagiaat’ en Plagiaat, geschreven in April 1940, heeft Marsman opgemerkt, dat hij de uitdrukking vuur en wijn gebruikte zonder zich op dat ogenblik te herinneren, dat hij die bij Herman van den Bergh gelezen moest hebben. Het komt mij echter voor, dat hij zich de grote invloed, die Van den Bergh op zijn poëzie heeft gehad, wellicht niet geheel heeft gerealiseerd, al heeft hij in zijn bespreking, die hij in 1922 aan de boog heeft gewijd - een overigens vrij zwak stuk, dat hij ook met enige bekortingen in zijn verzameld werk heeft herdrukt -, de betekenis van Van den Bergh en de blijvende waarde van diens poëzie erkend.
Het zou natuurlijk dwaasheid zijn, ondanks dit alles, bij een poëzie als die van Marsman van epigonisme te spreken - daarvoor was Marsmans expressionistisch experiment een veel te persoonlijk en onherhaalbaar avontuur - maar het is aan geen twijfel onderhevig, dat hij uitermate gevoelig is geweest voor
aant.
literaire invloeden, die hij in verschillende fasen van zijn dichterschap heeft ondergaan.
In Februari 1918 werd hij ernstig ziek. Een longontsteking dwong hem langdurig rust te nemen, met het gevolg, dat wij niet gezamenlijk eindexamen hebben gedaan. De diagnose luidde: een verwaarloosde bronchitis. In zijn zesde en zevende levensjaar had hij reeds maanden moeten liggen en zijn gezondheid was sindsdien altijd zwak geweest. Lange tijd had hij ook heilgymnastiek moeten doen in verband met zijn zwakke longen. Toen hij vijftien jaar was, vatte hij het plan op om te gaan varen, en deed in Amsterdam examen voor de Zeevaartschool. Maar hij werd om gezondheidsredenen afgekeurd, zoals trouwens later voor de militaire dienst.
De eerste verzen, die Marsman heeft geschreven waren van weinig belang en zonder persoonlijk karakter. In het voorjaar van 1918, in de maanden van zijn ziekte, schreef hij zijn eerste verzen, die van een invloed van het getij getuigen:
Men kan zich afvragen, of geen onbewuste reminiscenties werden gewekt aan regels en woorden van dit vroege en nooit herdrukte vers, toen hij in tempel en kruis het verleden opriep, de onstuimige jeugd van zijn expressionistische en ‘kosmische’ tijd. Men kan in het bijzonder denken aan dit sublieme gedicht uit De boot van Dionysos:
Het gedicht Dageraad dicteerde hij mij van zijn ziekbed op 4 Maart 1918 met enkele andere gedichten, die een duidelijke invloed verraden van de wandelaar:
Maar deze wat morbide en cynische periode was iets zeer voorbijgaands. Enkele maanden later schreef hij ook een groot driedelig gedicht: Het zachte Leed, dat een reeds meer herkenbaar Marsmaniaans timbre heeft en ook in kiem zijn later expressionisme aankondigt:
Toen het getij zijn vers Dageraad, dat ik aan de redactie had gezonden, niet plaatste, was hij zeer teleurgesteld en ontmoedigd, daar hij veel hechtte aan een Getij-oordeel. Hij was van mening dat met deze verzen zijn werkelijk poëtisch oeuvre
aant.
begonnen was en zijn vorige werk beschouwde hij slechts als een virtuoos voorspel.
Hij vroeg mij Dageraad aan het maandblad elsevier te zenden, hetgeen ik reeds uit eigen beweging had gedaan, waarna ik het van de redacteur Herman Robbers had terug ontvangen met het commentaar: ‘Uw vriend heeft wel talent, maar het is geen rijp werk.’ Het werd ten slotte in het December-nummer 1918 van het tijdschrift stroomingen, waarvan slechts één jaargang is verschenen, gedrukt; het was het eerste gedicht van hem dat werd gepubliceerd.
In het getij heeft Marsman ook later nooit gepubliceerd. Pas in 1924, toen de eerste jaargang van de vrije bladen verscheen, in zekere zin een voortzetting van het getij-zonder-Groenevelt, zou Marsman als medewerker en in het volgend jaar als redacteur een actief aandeel nemen in een blad der jongeren.