De taal van Stijn Streuvels. Deel 1. Het woord bij Streuvels


auteur: Hubert Lemeire


bron: Hubert Lemeire, De taal van Stijn Streuvels. Deel 1. Het woord bij Streuvels. Z.p. 1970


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De taal van Stijn Streuvels. Deel 1. Het woord bij Streuvels

Hubert Lemeire

bron

Hubert Lemeire, De taal van Stijn Streuvels. Deel 1. Het woord bij Streuvels. Z.p. 1970

codering

DBNL-TEI 1
dbnl-nr leme001taal01_01
logboek

- 2010-04-26 AS colofon toegevoegd

verantwoording

gebruikt exemplaar

exemplaar particuliere collectie

 

algemene opmerkingen

Dit bestand biedt, behoudens een aantal hierna te noemen ingrepen, een diplomatische weergave van het proefschrift van de twee banden van De taal van Stijn Streuvels. Deel 1. Het woord bij Streuvels van Hubert Lemeire uit 1970. Het tweedelige werk bestaat uit negen banden.

 

redactionele ingrepen

Het gehele werk bestaat uit ingebonden ‘stencils’. Daardoor zijn alleen de rechterpagina's bedrukt en genummerd.

Aan het begin van elke band is een kop tussen vierkante haken toegevoegd.

In het origineel is een aantal pagina's te krap afgesneden. In deze digitale editie is de tekst zo goed mogelijk aangevuld.

In de gebruikte exemplaren komen verschillende soorten handgeschreven correcties voor. De meegekopieerde correcties zijn in deze digitale editie doorgevoerd, evenals de later bijgeschreven correcties betreffende verbeterde en aangevulde paginanummers of overduidelijke vergissingen.

In het origineel wordt op twee manieren onderstreept: met een doorgetrokken of een onderbroken lijn. De tekst die is onderstreept met een doorgetrokken lijn is hier in vet weergegeven; de tekst die is onderstreept met een onderbroken lijn staat in cursief.

In het origineel komt paginanummer ‘47’ abusievelijk twee maal voor. In deze digitale editie is dit behouden.

p. 88, 90, 100: een in het origineel onleesbare regel is hier vervangen door ‘[...]’.

p. 139, 515: een accolade verspreid over meerdere regels kan in deze digitale editie niet weergegeven worden. Daarom is de accolade hier op elke regel met bijbehorende tekst herhaald.

p. 365: in het origineel ontbreekt op de nootverwijzing voor voetnoot 1. De noot is hier direct voor noot 2 geplaatst.

p. 475: een in het origineel slecht leesbaar teken is hier tussen vierkante haken weergegeven.

 

Bij de omzetting van de gebruikte bron naar deze publicatie in de dbnl is een aantal delen van de tekst niet overgenomen. Hieronder volgen de tekstgedeelten die wel in het origineel voorkomen maar hier uit de lopende tekst zijn weggelaten.

 

[Band 1]

[pagina ongenummerd (p. π1)]

DE TAAL VAN STIJN STREUVELS

EERSTE DEEL

HET WOORD BIJ STREUVELS

I

Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de Letteren en Wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit te Leuven voorgelegd door

Hubert LEMEIRE

Promotor: Prof. Dr. J.L. Pauwels

21 mei 1970

 

[pagina I]

INHOUD.


Inhoud   I
 
Voorrede   XXII
 
Bibliografie 2
 
  I. Werken van Streuvels 2
 
  II. Bloemlezingen 13
 
  III. Woordenboeken en Idiotica  
 
  A. Woordenboeken 14
 
  B. Idiotica 14
 
  C. Vakwoordenboeken 15
 
  D. Encyclopedie 16
 
Lijst der afkortingen 17

 

 

[pagina II]


INLEIDEND HOOFDSTUK. 21
 
A. Spelling en Klank. 21
 
I. Klinkers  
 
  1. -ee- in plaats van -aa- 21
  2. -e- in plaats van -e- 23
  3. Andere vormen 24
 
II. Medeklinkers  
 
  1. -waards in plaats van -waarts 25
  2. Wegvallen van consonanten 25
 
III. Woordtekens.  
 
  A. Koppelteken 26
  a) gebruik 26
  b) voorbeelden  
  1. nomina 27
  2. adjectieven 31
  3. bijwoordelijke uitdrukkingen 36
  4. telwoorden 37
  5. voornaamwoorden 37
  6. werkwoorden 38
  7. interjecties 39
  8. andere gevallen 39
 
  B. Samentrekkingsteken. 40
 
  C. Weglatingsteken. 43
 
IV. Geregeld terugkerende spellingsafwijkingen. 46
 
  A. Meervoud van de nomina op -(e) rik 46
 
  B. Verleden deelwoord 46

 

 

[pagina III]


  B. Leestekens. 47
 
Beschouwingen   47
 
1. Dubbele punt   50
 
2. Gedachtenstreep   56
 
3. Komma   61
 
4. Kommapunt   63
 
5. Aanhalingsteken   65
 
6. Combinatie van verschillende leestekens 66
 
7. Haakjes   72

 

 

[pagina IV]


EERSTE HOOFDSTUK - DE WOORDLEER. 73
 
  Inhoud   74
 
  Beschouwingen   75
  De Woordsoorten   76
 
1.   INTERJECTIES   76
  1. Gevoelsontlading.   76
  a) spontane gevoelsuitstorting 76
  b) substantieven   79
  1) aanroepen van hemelse machten 79
  2) aanroepen van duivelse machten 81
  3) aanroepen van natuurverschijnselen 81
  4) vervormingen en basterdvloeken 81
  c) onschuldige uitroepen   83
  2. Imperatieve of adhortatieve uitingen 85
  3. Interjecties bij klanknabootsing en klankexpressie 87
2.   NOMEN.   88
  A. Genus  
  1. A.N.: onzijdig- Streuvels a) mannelijk 88
  b) vrouwelijk 90
  2. A.N.: mannelijk-Streuvels a) onzijdig 91
  b) vrouwelijk 91
  3. A.N.: vrouwelijk-Streuvels a) mannelijk 92
  b) onzijdig 92
  4. A.N.: mannelijk: vrouwelijk 93
  5. A.N.: vrouwelijk (mannelijk) 93
  B. Meervoudsvorming.   94
  1. A.N.: - en - Streuvels: -s 94
  a) substantieven op -erik   94
  b) substantieven op -man   95
  c) andere nomina   96
  2. A.N.: -s - Streuvels: -(e)n 98
  3. A.N.: -eren - Streuvels: -ers 100
  4. Dubbel meervoud   100
  5. Andere meervoudsvormen   101
  6. Eigennamen   101
  7. Ongewone meervoudsvormen   101

 

 

[pagina V]


C. Casus   102
  1. Genitief   102
  a) op -s   102
  A. Enkelvoud 102
  1) gewone nomina en eigennamen 102
  2) partitieve genitieven 105
  a) van nomina 105
  b) van gesubstantiveerde infinitief 106
  3) in tijdsbepalingen 107
  B. Meervoud 108
 
  b) op -en   109
  c) van vrouwelijke substantieven van nomina in het meervoud 109
 
  2. Datief   110
 
  3. Bijwoordelijke, stereotiepe uitdrukkingen 110
  aan   111
  bij   111
  in   112
  met   113
  om   113
  op   113
  te, ten, ter 113
  uit   127
  van   127
  andere voorzetsels 128
  zonder voorzetsel 128
 
D. Substantieven met niet-geapocopeerde einde -e 129

 

 

[pagina VI]


3. ADJECTIEF. 132
 
  A. Uitgang 132
 
  B. Verbuiging 134
 
  1. Resten van oude flexie 134
  2. Buigingsvormen 134
  a) buigings-n 134
  b) vorm op 135
 
  Opmerkingen  
  1) adjectieven op -en 135
  2) wegvallen van eind -d 136
  3) ‘ander’ onverbogen 136
  3. Trappen van vergelijking 138
  4. Spelling -iek in plaats van isch 138
 
4. LIDWOORD 139
 
  A. Vormen 139
  1. Bepaald lidwoord 139
  2. Onbepaald lidwoord 139
 
  B. Voorbeelden 140
  1. Genitiefvormen 140
  2. Bijwoordelijke uitdrukkingen 140
  3. Buigings -n 141
  4. Buigings -n in de nominatief 141
  5. Andere vormen 141

 

 

[pagina VII]


5. VOORNAAMWOORDEN. 143
  A. Persoonlijk voornaamwoord 143
  1. Dialectische vormen 143
  2. Oude vorm 144
  3. Eigenlijke persoonlijke voornaamwoorden 144
  a) je 144
  b) herhaling of verdubbeling 145
  c) enclitische vormen 146
  d) verbonden met ‘ja’ en ‘neen’ 147
  e) zinstype: zijn + datief pers. vnw. 149
  4. Wederkerend voornaamwoord 151
  a) accusatief pers. vnw. i.p.v. ‘zich’ 151
  b) zich voelen, zich weten 152
  5. Zelf 154
  a) versterking van wederk. vnw. 154
  b) genitief 155
  6. Eigen: met wederkerende functie 156
  7. Wederzijdse voornaamwoorden 156
  a) malkaar, malkander, alkander 156
  b) ‘een’ na voorzetsels 157
 
  B. Bezittelijk voornaamwoord 158
  1. Verouderde vormen 158
  a) genitief op - (e)r 158
  b) genitief op -s 158
  c) datief op -(e)r en -(e)n 159
  d) nominatief en accusatief op -e 159
  e) buigings -n 159
  2. Dialectische vorm 160
  3. Onverbogen vorm 161
  4. Onbeklemtoonde vorm 162
  5. ‘Een’ in verbinding met ‘eigen’ 162
  6. Verkeerde spelling 162

 

 

[pagina VIII]


  C. Aanwijzend voornaamwoord. 163
  1. Verouderde vorm 163
  2. Onverbogen vorm 163
  3. Verbogen vorm 164
 
  D. Betrekkelijk voornaamwoord 165
 
  1. Voorkeur 165
  2. Buigings -n 165
  3. Verkeerde congruentie 165
  4. ‘Dewelke’ 165
  5. Foutieve spelling 165
 
  E. Onbepaald voornaamwoord 166
 
  1. ‘Elkendeen’ 166
  2. Zelfstandige onbep. vnw. 167
  3. ‘Een’ in plaats van ‘iemand’ 167
 
6. TELWOORD. 168
 
  1. Buigings -n 168
  2. Oude vormen 168
  3. Collectieve vormen 168
  a) na voorzetsels + uitgang -en 168
  b) in verbinding met vnw., met of zonder voorz. 169
  c) met prefix ge- en uitgang -en 170
 
  4. Rangtelwoorden 171
 
  5. Spelling 171
  a) koppelteken 171
  b) apocope van d 172
 
  6. ‘'t halven’ 172
  7. Aanduidingen oppervlakte 173

 

 

[pagina IX]


7. WERKWOORD. 174
 
  A. Hooftijden 174
  1. Scheidbaarheid van samengestelde werkwoorden 174
  a) A. N: onscheidbaar - Streuvels: scheidbaar 174
  b) A. N: scheidbaar - Streuvels: onscheidbaar 174
  2. Sterke en zwakke werkwoorden 176
  a) sterke, onregelmatige en gemengde ww. 176
  b) zwakke werkwoorden 184
  c) preterito-presentia 187
 
  3. Hulpwerkwoorden bij het perfectum 188
  a) hebben 188
  b) zijn 188
 
  B. Persoon en getal. Uitgang 189
  1. Presens indicatief 189
  a) eerste persoon 189
  b) tweede persoon 190
 
  2. Preteritum 190
 
  C. Tempus. Omschrijving futurum. 191
  1. Gaan 191
  2. staan + te + infinitief 192
 
  D. Modus 193
  1. Conjunctief 193
  2. Imperatief 195
 
  E. Infinitief en participium 196
 
  F. Overgankelijke, onovergankelijke en reflexieve ww 197
  1. Onovergangelijke door Streuvels overg. gebruikt 197
  1. Bij ww. met intern object 197
  a) object is verbaal substantief 197
  b) object is concreet substantief 198
  2. Andere voorbeelden 199
  11. Overgankelijke ww. onoverg. of absoluut gebruikt 200
  111. Overg. of onoverg. ww met reflexieve of passieve betekenis 203

 

 

[pagina X]


8. BIJWOORD. 208
  1. Oude vormen 208
  2. Bijwoordelijke uitdrukkingen 208
  3. Vorming 208
  a) met suffix -lijk 208
  b) op -s 209
  c) op -ling(e) 210
  d) op -lings 210
 
  4. Aanduiding van klank en beweging 211
  5. Trappen van vergelijking 211
  6. ‘Al’ 212
  a) in tijdbepalingen 212
  b) bij infinitieven en participia 212
  c) bij voorzetsels 213
  d) bij bijwoorden 213
 
  7. ‘Doen’ i.p.v. bijwoord van bevestiging of ontkenning 214
 
9. VOORZETSELS 215
 
  1. Oude en dialectische vormen 215
  2. Ten, ter 215
  3. Midden 215
  4. Te (verzwakte vorm van: tot) 215
  5. Vaste voorzetsels 216
  6. Geen voorzetsels 219
 
10. VOEGWOORD. 220
 
  1. Gebruik 220
  2. ‘Zonder’ i.p.v. ‘zonder dat’ 220
  3. ‘Om’ 221
  4. Voegwoord van vergelijking 223
  a) even 223
  b) lijk 223
 
  5. Oudere of dialectische vormen 224

 

 

[pagina XI]


  TWEEDE HOOFDSTUK. - DE WOORDVORMING.  
Inhoud   226
Inleiding   227
  1. Vorming van substantieven 231
 
  A. Samenstelling. 231
  I. Eerste lid: substantief 232
 
  1. Verhouding van beide delen. 232
  a) korte vorm v. genitief of bep. met ‘van’ 232
  b) andere vormen 234
 
  2. Tweede lid: verbaalsubstantief 237
  a) verbaalsubstantief 237
  b) op -ing 239
  c) met ge- 240
 
  3. Nadere bespreking van composita 243
  a) metafoor; synesthesie 243
  b) tautologische samenstellingen 244
  c) type: bliksemkronkel 247
  d) substantief = adjectief 247
  e) eerste lid = versterkend prefix 249
 
  II. Eerste lid: adjectief 251
 
  III. Eerste lid: werkwoordstam 253
 
  IV. Eerste lid: telwoord 256
 
  B. Afleiding. 257
  1. Met prefixen. 257
  1. ge - a) ge- 257
  b) ge- + -te 258
  c) ge- + -sel 258
  2. on- 259
  3. ont- 259

 

 

[pagina XII]


  II. Met suffixen. 259
  1. -aard 260
  2. -(e)nis 261
  3. -er 262
  4. -erij 264
  5. -erik 265
  6. -heid 265
  7. -ing 268
  8. -sel 269
  9. -te 270
  10. Verkleinwoorden. 271
 
2. Vorming van werkwoorden. 276
  A. Samenstelling. 276
  I. Eerste lid: bijwoord 276
  1. aan- 277
  2. aaneen- 277
  3. af- 278
  4. bij- 279
  5. binnen- 279
  6. dicht- 280
  7. door- 280
  8. dooreen- 281
  9. in- 281
  10. ineen- 282
  11. mede / mee- 282
  12. mis- 282
  13. na- 283
  14. neer- 283
  15. om- 284
  16. op- 284
  17. open- 285
  18. over- 287
  19. rond- 288
  20. recht-, samen-, tegen- 288

 

 

[pagina XIII]


  21 toe- 289
  22 uit- 289
  23 uiteen- 291
  24 vol- 292
  25 voorbij- 292
  26 voort- 292
  27 vooruit- 293
  28 weg- 293
 
  II. Eerste lid: werkwoordstam. 295
 
B. Afleiding. 300
  I. Denominatieven 300
  II. Werkwoorden op -elen en -eren 301
  III. Geprefigeerde werkwoorden 303
  1. be- 303
  2. her- 304
  3. ont- 305
  4. ver- 305
 
C. Samenstellende afleiding. 306
 
  I. Denominatieve, samenstellende afleiding 306
  II. Eerste lid: verbaalstam; tweede lid nomen 307
  III. Samenstelde en geprefigeerde werkwoorden op -elen, en -eren. 308

 

 

[pagina XIV]


3. Vorming van adjectieven. 309
  A. Samenstelling 309
  I. Twee adjectieven 309
  II. Adjectief + participium 314
  a) tegenwoordig deelwoord 314
  b) verleden deelwoord 318
 
  III. Substantief + adjectief 324
  1. vergelijking 324
  2. substantief: verbaalstam 325
  3. substantief: verbleekt, versterkend prefix 325
  IV. Substantief en participium 327
  1. tegenwoordig deelwoord 327
  2. verleden deelwoord 328
 
  V. Telwoord + adjectief 330
 
  B. Afleiding. 331
  I. Met prefix 331
  1. on- 331
  2. ont- 333
 
  II. Met suffix 334
  1. -erig 334
  2. -iek 334
  3. -lijk 336
  4. -loos 337
 
  C. Dubbele afleiding. 339
  D. Analogische participia formaties 340
  a) ge- 340
  b) be- 341
 
  E. Samenstellende afleiding. 342
  I. Nomen of adjectief op -ig 342
  II. Samengestelde adjectieven op -de, -te 346

 

 

[pagina XV]


4. Allitererende, assonerende en ablautformaties. 348
  A. Ablautformaties. 349
 
  1. Met i/e - a(a) wisseling 349
  2. Met ritmische uitbreiding 349
 
  B. Rijmformaties. 350
 
  1. Tweelettergrepige 350
  2. Vierlettergrepige 350
  3. Vierlettergrepige werkwoordelijke rijmformaties 350
 
  C. Allitererende formaties. 351
 
  1. Met ongemotiveerd element 352
  2. Met gemotiveerde elementen 352
  3. Individueel allitererende formaties 353
 
  D. Assonerende formaties 354
 
  E. Voorbeelden. 354

 

 

[pagina XVI]


DERDE HOOFDSTUK. - HET WOORDGEBRUIK.
 
Inhoud.   358
Inleiding: Herkomst v.d. door Streuvels gebruikte woorden 359
  I. Uit het algemeen Nederlands 360
  1. Door lectuur 360
  2. Deftige, hogere stijl 361
  3. Verouderde woorden 361
  II. Uit het dialect. 363
  1. Woorden en wendingen 363
  2. Familiare en platte taal 366
 
  III. Uit vreemde talen. 367
  1. Frans 369
  a) rechtstreeks 369
  b) via het dialect 370
  2. Duits 371
  3. Latijn 372
  4. Engels 373
  5. Andere talen 373
 
Derde Hoofdstuk: Het Woordgebruik 374
  1. Het Nomen.
  A. Ongewone meervoudsvormen. 375
  B. Nomen en substantivische vorm. 377
  I. Semi-nominale zinnen 378
  1. Zinnen met voorzetselbepalingen 378
  a) aan + substantief 378
  b) aan + gesubstantiveerde infinitief 379
  2. Transitieve verbinding of interne objecten 381
  3. Zinnen met ‘zijn’ 382
  a) gezegde: naamwoord 382
  a) op -heid 382
  b) op -ing 384
  c) andere nomina 385
  b) gezegde: verbaalsubstantief 387
  c) gezegde: gesubstantiveerde infinitief 387

 

 

[pagina XVII]


II. Voorzetselbepalingen. 389
  1. Met 389
  a) + nomen op -heid 389
  b) + verbaalsubstantief 392
  + verbaalstam op -ing 393
  + andere verbaalstammen 394
  c) + gesubstantiveerde infinitief 395
  d) + andere nomina 396
 
  2. In
  a) + nomen op - heid 397
  b) + verbaalsubstantief 400
  op -ing 400
  met ge- 401
  verbaalstam 402
  c) + gesubstantiveerde infinitief 402
  d) andere nomina 403
 
III. Substantivering van het adjectief. 405
  1. Door afleiding op -heid 405
  2. Directe substantivering v.h. adjectief 410
  a) kleuradjectief 410
  b) op -ig 411
  c) andere adjectieven 412
 
  3. Substantivering van het deelwoord 414
 
IV. Substantivering van de infinitief 415
  1. Simplex 416
  2. Compositum 419
 
V. Nominale perifrase 421

 

 

[pagina XVIII]


2. Het Werkwoord. 424
 
  I. Perifrase 425
  1. ‘Zijn’ + tegenwoordig deelwoord 425
  2. Met werkwoordan van rust en beweging 428
  a) komen 429
  -) + infinitief 429
  -) + verleden deelwoord 431
 
  b) liggen 433
  -) + verleden deelwoord 433
  -) adjectief 440
  -) vervangt ‘zijn’ 441
  -) + te + infinitief 442
 
  c) staan 443
  -) + verleden deelwoord 443
  -) + adjectief 446
  -) aanduiding van gedachten, voornemens 447
 
  d) hangen 448
  e) zitten 449
  -) + verleden deelwoord 450
  -) + adjectief 451
  -) vervangt ‘zijn’ 452
 
  f) blijven 452
  -) + verl. deelw., inf., adj., voorz. bep. 452
  -) andere werkwoorden van rust 455
  -) + in + nomen 456

 

 

[pagina XIX]


  II. Nadere bespreking van enkele werkwoorden. 456
  1. Werkwoorden die aan het ww. v.d. eigenlijke handeling voorafgaan 457
  a) houden + verleden deelwoord 457
  b) geraken + verleden deelwoord, adjectief 462
  c) krijgen 464
  -) + naamwoord 464
  -) + naamwoord + verl. deelw. 466
  -) + te + infinitief 466
  d) brengen 467
 
  2. Geluid- en klankaanduidingen: ‘gaan’ 468
 
  III. Onpersoonlijke vorm: het, 't 470
 
  1. Voorlopig onderwerp van: alles 470
  2. = er 471
  3. Loos onderwerp 471
 
  IV. Passieve vorm. 473
 
3. Het Adjectief 475
 
  I. Recapitulatie 475
  II. Gebruik 475
  1. Verbinding adjectief-substantief 475
  2. Asyndeton 477
  a) tweeledig 477
  b) drieledig 478
  c) meerledig 479
 
  3. Combinatie asyndeton -syndeton 481
  III. Gebruik van participia als adjectief 482
  1. Tegenwoordig deelwoord 482
  a) nieuwgevormde composita 482
  b) andere voorbeelden 485
 
  2. Verleden deelwoord 490

 

 

[pagina XX]


VIERDE HOOFDSTUK - DE WOORDVERBINDING.  
 
Inhoud 492
 
§ 1. Binaire verbindingen. 493
 
  A. Van synoniemen en semi-synoniemen 494
 
  1. Nomina. 494
  a) voorbeelden 494
  b) nomina met hetzelfde prefix 501
 
  2. Verba. 507
  a) voorbeelden 507
  b) verba met hetzelfde prefix 512
 
  3. Adjectieven. 518
 
  B. Binair-allitererende verbindingen. 524
 
  1. Nomina 524
  2. Verba 527
  3. Adjectieven 531
  a) met bindwoord 531
  b) asyndetisch 533
 
  C. Binair-assonerende verbindingen. 535
 
  1. Nomen 535
  2. Verbum 536
  3. Adjectief 538

 

 

[pagina XXI]


§ 2. Ternaire verbindingen en opsommingen. 539
 
  A. Nomen. 540
  a) ternaire verbinding 540
  b) vier nomina 541
  c) vijf nomina en meer 542
  B. Verbum. 546
  a) ternaire verbinding 546
  b) vier verba 547
  c) vijf werkwoorden 548
  d) zes werkwoorden 549
  e) zeven werkwoorden 549
 
§ 3. De Alliteratie. 551
 
  A. Bij het nomen. 551
  B. Bij het werkwoord. 558
  a) onderwerp 558
  b) object 559
  c) andere bepalingen 560
  C. In de zin. 561
 
§ 4. Zinsbouw en Woordorde. 568
 
  A. Achterplaatsing van het object 568
  B. Achterplaatsing van adjectief of bijwoord 570
  C. Vooropplaatsing van ‘vol’ 571
  D. Syntactische assimilatie 572
 
BESLUIT 573
 
REGISTER 578

 

 

[pagina 74]

Inhoud.

De woordsoorten.


1. Interjecties 76.
 
2. Nomen 88.
 
3. Adjectief 132.
 
4. Lidwoord 139.
 
5. Voornaamwoorden 143.
 
6. Telwoord 168.
 
7. Werkwoord 174.
 
8. Bijwoord 208.
 
9. Voorzetsel 215.
 
10. Voegwoord 220.

 

 

[pagina 226]

Inhoud


§ 1. Vorming van substantieven  
  A. Samenstelling 231
  I. nomen + nomen 232
  II. adjectief + nomen 251
  III. verbaal stam + nomen 253
  IV. telwoord + nomen 256
  B. Afleiding  
  I. met prefix 257
  II. met suffix 260
§ 2. Vorming van verba  
  A. Samenstelling
  I. bijwoord + werkwoord 276
  II. verbaal stam + werkwoord 295
  B. Afleiding  
  I. Denominatieven 300
  II. op -elen, -eren 301
  III. met prefix 303
  C. Samenstellende afleidingen 306
§ 3. Vorming van adjectieven  
  A. Samenstelling  
  I. adjectief + adjectief 309
  II. adjectief + participium 314
  III. substantief + adjectief 324
  IV. substantief + participium 327
  V. telwoord + adjectief 330
  B. Afleiding  
  I. met prefix 331
  II. met suffix 334
  C. Dubbele afleiding 339
  D. Analogische participia formaties 340
  E. Samenstellende afleidingen 342
§ 4. Allitererende, assonerende en ablautformaties 348

 

 

[Band 2]

[pagina ongenummerd (p. I)]

DE TAAL VAN STIJN STREUVELS

EERSTE DEEL

HET WOORD BIJ STREUVELS

I

Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de Letteren en Wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit te Leuven voorgelegd door

Hubert LEMEIRE

Promotor: Prof. Dr. J.L. Pauwels

21 mei 1970

 

[pagina 358]


  Inleiding: Herkomst der woorden.
 
  I. Uit het algemeen Nederlands 360
  II. Uit het dialect 363
  III. Uit vreemde talen. 367
 
Derde Hoofdstuk: Het Woordgebruik. 374
§ 1. Nomen. 375
  A. Ongewone meervoudsvormen. 375
  B. Het nomen en de substantivische vorm 377
  I. Semi-nominale zinnen 378
  II. Voorzetselbepalingen 389
  III. Substantivering adjectief 405
  IV. Substantivering infinitief 415
  V. Nominale perifrase 421
 
§ 2. Werkwoord. 424
  I. Perifrasen. 425
  II. Nadere bespreking van enkele ww. 457
  III. Onpersoonlijke vorm. 470
  IV. Passieve vorm. 473
 
§ 3. Adjectief. 475
  I. Recapitulatie 475
  II. Gebruik 475
  III. Participia als adjectief gebruikt 482

 

 

[pagina 492]

Inhoud.


§ 1. Binaire verbindingen. 493
 
  A. Van synoniemen en semi-synoniemen. 494
 
  1. Nomina 494
  2. Verba 507
  3. Adjectieven 518
 
  B. Allitererende verbindingen 524
 
  1. Nomina 524
  2. Verba 527
  3. Adjectieven 531
 
  C. Assonerende verbindingen 534
 
  1. Nomina 534
  2. Verba 536
  3. Adjectieven 538
 
§ 2. Ternaire verbindingen. Opsommingen. 539
 
  A. Nomen 540
  B. Verbum 546
 
§ 3. Alliteratie. 551
 
  A. Bij het nomen. 551
  B. Bij het werkwoord. 5 58
  B. In de zin. 561
 
§ 4. Woordorde. 568
 
  A. Achterplaatsing van het object 568
  B. Achterplaatsing van adjectief/adverbium 570
  C. Vooropplaatsing van ‘vol’ 571
  D. Syntactische assimilatie 572