|
|
|
| |
| | | |
[Nawoord]
Hier eindigt het verhaal van den Heer Huyck. Daarachter stond, met de hand van Mejuffrouw Stauffacher, het navolgende geschreven:
Indien het bovenstaande verhaal een roman ware, zoude men den schrijver met recht te last kunnen leggen, dat hij den lezer in 't onzekere laat omtrent het lot van sommige personen, die in zijn lotgevallen een merkwaardigen rol spelen. Daar het echter zijn doel schijnt geweest te zijn, naar waarheid te vertellen wat hem overkomen is, moet men hem veeleer prijzen, dat hij niet meer heeft te boek gesteld, dan hij met zekerheid wist. Vreemd intusschen komt het mij voor, dat hij niet met een woord melding maakt van hetgeen er verder geschied is met den Baron van Lintz en zijn beminnelijke dochter. Wellicht was hun later levensloop aan zijn kinderen, voor wie hij zijn opstel vervaardigde, genoegzaam bekend. Wat mij betreft, ik wil niet ontveinzen, dat ik mij zeer te leur gesteld vond, toen ik, aan het slot komende, niet te weten kwam, of hij met den zwerver en zijn lieve dochter later nog door briefwisseling of anderszins de betrekking onderhouden bleef. Gelukkig echter kende ik den waren naam des mans, die in het Handschrift onder zooveel verdichte namen voorkomt, en wist ik uit de geschiedenis, hoe hij den Russischen Tsaar belangrijke diensten bewees en tot hooge waardigheden opklom, zonder echter ooit de bijzondere vriendschap des Alleenheerschers te verwerven. Dezelfde onbuigzaamheid van karakter, die hem vroeger reeds zooveel vijanden en tegenspoeden berokkend had, en die er met de jaren niet op gebeterd was,
| | | |
maar veeleer in balsturige hoofdigheid en wrevel ontaart, was niet geschikt om hem bemind te maken bij een Vorst, die zelf een onverzettelijken wil bezat, waarnaar hij alles wilde doen buigen. Er ontstonden vaak hoogloopende verschillen tusschen hen beide: en alleen het nut, dat hij begreep van den Baron van Lintz te kunnen trekken, om zijn Moskoviten in bedwang te houden, weerhield Peter, hem naar Siberiën te bannen. Wat Amelia betreft, zie hier de narichten, die ik omtrent haar bekomen heb van lieden, die zich harer nog herinnerden. Zij leidde, in de eerste jaren van haar verblijf in Rusland, een stil en afgetrokken leven, en wederstond al dien tijd het verlangen haars vaders, dat zij zich ten hove zoude vertoonen. Eindelijk echter gaf zij toe, en schonk zelfs haar hand aan een gunsteling des Tsaars, een beschaafd en waardig edelman, maar die tweemaal hare jaren had. Onzeker is het, of zij dit huwelijk alleen aanging om haar vader te believen: misschien was zij werkelijk den vreemdeling genegen en had zij de ongelukkige neiging overwonnen, welke haar handelingen meer dan de woorden van het verhaal doen vermoeden, dat zij in Holland had opgevat. Hoe dit zij, zij leidde een voorbeeldig leven, verspreidde weldaden om zich heen, en stierf in hoogen ouderdom, gezegend door al wie haar gekend had.
De Heer Hoofdofficier Huyck en zijn brave gade hadden het geluk meest al hun kinderen en zelfs ettelijken hunner kleinkinderen gehuwd en in goeden doen te zien. Uit den aanvang van het Handschrift kan men zien, dat het Ferdinand en den zijnen voorspoedig was gegaan: en nog zijn hun nakomelingen in Amsterdam en elders gëacht en gezien. Ook Mevrouw Reynhove leefde zeer gelukkig met haar man, die, gelijk men heeft kun- | | | | nen opmerken, innerlijk veel beter was dan hij zich oppervlakkig had doen kennen. Zij wist hem met verstand te leiden en tot een nuttig en werkzaam leven op te wekken: hij zeide dan ook, na zijn huwelijk, of reeds vroeger, aan alle slempmalen en wilde partijen vaarwel, klom tot hooge eerambten op en bewees den Staat belangrijke diensten.
Caspar Weinstübe, na vruchteloos gepoogd te hebben, zich toegang te verschaffen tot de hoogere kringen der maatschappij, en zich daar een echtvriendin te zoeken, toch niet ongehuwd willende sterven, trouwde met zijn keukenmeid, bij wie hij ettelijke kinderen verwekte, die, betere opvoeding ontfangende, dan hem te beurt was gevallen, hun geringe afkomst langzamerhand deden vergeten: ook zij wonnen geld en hun nageslacht verkeert thands dagelijks met die familiën, wier bekäntschafft de wellust van Caspar zou hebben uitgemaakt.
Van den Makelaar Velters heb ik weinig kunnen vernemen. Alleen blijkt mij uit een oud adresboekje, dat hij in de laatste helft der vorige eeuw Kerkmeester van de Ooster Kerk en dus nog in leven was. Hij schijnt wijsselijk de poëzij voor meer winstgevende werkzaamheden te hebben laten varen: althands gedichten van hem zijn mij nooit voorgekomen. De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjens aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. Gerustelijk mag men aannemen, dat hij het dubbele huwelijk, waar het verhaal mede sluit, zal bezongen hebben, en dat Tante van Bempden niet achterlijk gebleven zal zijn, om te dier gelegenheid een luisterrijk feest te geven.
Zacharias Heynsz ging ijverig voort met aan de Justitie trouwe diensten te bewijzen: met de aanvaarding zijner
| | | |
nieuwe betrekking zeide hij het schilderen vaarwel: en de kunst heeft er niet bij verloren.
Eindelijk kan ik hier nog bijvoegen, dat, volgens getuigenis mijner vrienden, een afstammeling van kleinen Simon den Marskramer, die sterk verdacht wordt gehouden van, op het voetspoor zijns voorvaders, der Politie bij wijlen ten dienste te staan, nog dagelijks op het Schapenplein te zien is, 's winters met een vuurtest, 's zomers met een schoenenbak, al roepende: ‘gheen dijt rijk, zoo waar zelje ghesond blijven.’ -
Marie Stauffacher.
EINDE.
|
|
|