terug  begin  verderprepost

De historie: ‘de raadpleging van overleveringen, geschiedenissen en localiteiten’

Het is een illusie om te denken dat een onderzoek naar de bronnen van De Roos van Dekama mogelijk zou zijn. Een verzameling van ‘alles’ wat er bijvoorbeeld over de Hollandse nederlaag bij Stavoren is geschreven tussen de oudste contemporaine verslaglegging en het jaar waarin Van Lenneps roman verscheen, is alleen in theorie denkbaar, laat staan dat in zo'n geval het gecompliceerde netwerk van relaties binnen die overlevering beschreven en geïnterpreteerd zou kunnen worden. De teksten bezitten onderlinge afhankelijkheid, zij stemmen overeen of zijn met elkaar in tegenspraak, er zijn vondsten en er worden fouten gemaakt. Bovendien heeft deze overlevering haar neerslag gekregen binnen een diversiteit aan genres, geschreven door auteurs met uiteenlopende historiografische, literaire, politieke of anderszins ideologisch bepaalde bedoelingen voor een eveneens divers publiek. De Hollandse en Henegouwse chroniqueurs van de slag vermelden dat Graaf Willem de Vierde een Fries edelman doodde alvorens door een woedende bende te worden afgeslacht. Frieslands geschiedschrijver Winsemius doet er een chauvinistisch schepje bovenop en maakt er een edelman van die devoot aan zijn biecht bezig was.43 Maar wat was, anno 1836, de status van deze kroniekschrijver?

[p. 556]

‘Ergens’ in dit netwerk staat De Roos van Dekama, die op zijn beurt weer aan die overlevering bijdraagt. In romanvorm, dus als een mengeling van fictie en historie. En fictionaliteit valt ten principale niet te bewijzen. Waarschijnlijk zal geen enkele lezer Reinout en Deodaat bestempelen als historische personages. We kennen geen geschiedenisboek dat over hen rept en verwachten dat ook niet te vinden. Maar die overtuiging danken we vooral aan onze vertrouwdheid met de romanconventies: uiteindelijk zijn het toch de literaire signalen die bij de beslissing over de status van beide ridders de doorslag geven.

Binnen het potentiële arsenaal aan bronnen (dat wat Van Lennep gelezen kón hebben) is een klein gedeelte met relatief grote zekerheid aan te wijzen op basis van zijn eigen notities. Andere vindplaatsen zijn met enige graad van waarschijnlijkheid te determineren. Wanneer in de roman bepaalde passages letterlijk blijken te corresponderen met mededelingen in de studie van Baerdt van Sminia over de Schieringers en de Vetkopers, valt redelijkerwijs te veronderstellen dat Van Lennep dit werk heeft gebruikt.44 Gezien het grote aantal overeenkomsten is het zelfs waarschijnlijk dat we hier een belangrijke bron op het spoor zijn, waarin Van Lennep heel wat informatie over de Friese zeden en geschiedenis handzaam bijeengeplaatst kon vinden.45 Maar exclusief is die informatie niet: elk der gegevens is ook elders terug te vinden. Het verhaal van de drankzuchtige monniken die hun abt vermoordden, komt in meerdere bronnen voor en zo ook, bijvoorbeeld, de voorspelling van Graaf Reinout bij de doop van Willem iv.

In andere gevallen is de aanwijzing van de vindplaats in hoge mate speculatief. In het Geldersch maandwerk van Van Hasselt vond Van Lennep een aantal exotische namen van spijzen en dranken. Veel bijdragen in deze als periodiek verschenen verzameling historische wetenswaardigheden hadden voor De Roos van Dekama geen enkele relevantie, bijvoorbeeld omdat zij over een andere periode gingen. De gedachte is verleidelijk dat Van Lennep, zoekend en bladerend, gestuit is op het afschrift van een middeleeuwse rekening voor de kledij van een ‘alwillensdwaas’, Daamken geheten, en dat hij zich diens naam en benaming voor zijn fictionele hansworst heeft toegeëigend. Te bewijzen is dit vermoeden echter niet. Een verkenning van de (potentiële, stellige, waarschijnlijke of vermoedelijke) bronnen van Van Lennep levert dus niet meer op dan een resultaat-bij-benadering. Gegeven deze beperkingen kan niettemin enig inzicht gewonnen worden in de aard van het historisch materiaal dat in de roman is benut en de wijze waarop de schrijver ermee is omgesprongen.

Samenvattend kan over Van Lenneps keuze van bronnen het volgende gezegd worden. Uit het Aantekenboekje blijkt dat hij eclectisch te werk is gegaan. Een aantal geschriften blijkt frequent geraadpleegd, andere leveren

[p. 557]

slechts een enkel gegeven. Tot de oudste bronnen van de in de roman vervatte historische stof behoort de kroniek van Beka (Johannes de Beke). Deze Utrechtse kanunnik schreef zijn Chronographia in 1349-50 en was dus een tijdgenoot van Jan van Arkel en Willem iv. Ook bij latere, en dan vooral Friese, kroniekschrijvers uit de zestiende en zeventiende eeuw is de auteur te rade gegaan: het aantekenboekje vermeldt bij een aantal notities Eggerik Beninga, Sibrandus Leo en Schotanus als bron.46 Pier Winsemius wordt in de aantekeningen niet genoemd, maar stellig heeft Van Lennep ook van zijn werk gebruik gemaakt.47 Of de beroemdste van deze Friese geschiedschrijvers, Ubbo Emmius, ook door Van Lennep is geraadpleegd, valt niet vast te stellen: zijn naam wordt niet genoemd en er zijn ook geen gegevens die exclusief te herleiden zijn tot het werk van deze pionier van de oorkondenstudie en fel bestrijder van alle mythografie.48 Ook voor andere Friese geschiedschrijvers, zoals Suffrides Petrus of Furmerius, geldt dat ze ‘gebruikt’ kunnen zijn, maar dat dwingende aanwijzingen daarvoor ontbreken. Dat er aanmerkelijke verschillen bestaan tussen deze historici (de katholiek Sibrandus Leo tegenover de protestant Schotanus, de verdediger van Ocko Scarlensis, Suffrides, tegenover diens criticus Emmius) is voor de bestudering van de bronnen van De Roos van Dekama niet relevant: Van Lennep lijkt de kronieken vooral gebruikt te hebben om er losse wetenswaardigheden en anekdoten uit te putten.

Veel van dat soort gegevens heeft hij eveneens gevonden in het werk waarnaar in het Aantekenboekje het meest wordt verwezen: het op naam van Hugo Franciscus van Heussen te stellen Oudheden en gestichten van Vriesland uit 1723. Dit geschrift vormt een bijdrage aan een reeks, waarin Van Heussen per deel een bepaald gewest of streek beschrijft. Zo verschijnen er delen over de Oudheden en gestichten van Groningen (1723), van Zeeland (1725) en van de bisdommen Deventer (1725) en Utrecht (1719). In 1826 werd deze reeks opnieuw uitgegeven onder de overkoepelende titel Kerkelijke historie en oudheden der Zeven Vereenigde Provincien.49 Zoals deze titel aangeeft, ligt het accent op de kerkelijke geschiedenis. De vertaler van het oorspronkelijk in het Latijn geschreven werk, Hendrik van Rijn, kondigt echter aan dat toch ook de wereldlijke geschiedenis een plaats krijgt, en dat hijzelf in zijn aantekeningen deze tendens beoogt te versterken om ‘een aangenamer oog’ aan het werk te geven.50 Typerend voor de toonzetting van zowel Van Heussen als Van Rijn is de felle kritiek op de fabulerende geschiedschrijving. Schamper veroordelen zij de ‘Okkoos’, de ‘Vlieterpen’ en de ‘Andreassen’ met hun vertelsels over aartsvader Friso en zijn dappere nakomelingen. Ook het Karelsprivilege wordt honend terzijde geschoven. Emmius wordt hogelijk gewaardeerd, al is hij volgens auteur en vertaler nog vaak te goedgelovig.51 Van Heussens werkwijze is die van de

[p. 558]

compilatie. Ondanks de kritische toon treft men (voorzover het de gegevens betreft die in De Roos van Dekama zijn benut) geen andere methodiek aan dan de weergave van wat de diverse Friese kroniekschrijvers mededelen en de toetsing der geloofwaardigheid van de informatie.

In de bronnenstudie ten behoeve van zijn roman had Van Lennep dus in elk geval reeds de kritiek op de fabulerende geschiedschrijving ontmoet, die hem later zijn verdediging van Ocko Scarlensis tegenover Samuel de Wind ingaf. In De Roos van Dekama vindt men van die discussie uiteraard geen sporen terug. Wel valt op dat de rijke schat aan heroïsche en mythologiserende verhalen uit de Friese geschiedschrijving met spaarzaamheid en tact is benut. Wat we aan de weet komen over de Friese stamregisters die zouden teruggaan tot de tijd van Karel de Grote, de Karelsbul of de koninklijke afkomst van Adelen, wordt in de mond gelegd van personages die zelf al de nodige scepsis en de juiste modaliteit hanteren. Van Lennep moge later de waarde van Ocko Scarlensis cum suis verdedigd hebben, in zijn roman is hij er kennelijk op uit geweest het apocriefe en suspecte niet al te zeer waarheid te laten worden.52

Een bron die Van Lennep niet noemt, maar die hem waarschijnlijk goede diensten heeft bewezen, is de studie van Baerdt van Sminia over de onlusten tussen de Schieringers en Vetkopers uit 1829. Het gaat hier om een werk dat we nu een monografie zouden noemen en waarin dus bruikbare informatie in hoge concentratie bijeenstaat. Typerend voor de aanpak en nieuw ten opzichte van de hierboven genoemde kronieken is de relatief frequente verwijzing naar oorkonden, verzameld in de Charterboeken van Van Mieris en Baron thoe Schwartzenberg en gepubliceerd omstreeks het midden van de achttiende eeuw. Beide uitgaven stonden Van Lennep dus eveneens ten dienste, maar er zijn geen dwingende aanwijzingen dat hij zijn studie tot dit type bron heeft uitgebreid. Over veel meer in druk verschenen diplomata dan deze beide Charterboeken kon hij overigens ook niet beschikken: tot de bewaard gebleven cartularia, waarin de bestuurders van kerken en kloosters de officiële stukken die op hun bezittingen betrekking hadden lieten kopiëren, behoort dat van het Sint-Odulfsklooster, maar in ongepubliceerde vorm.53 Evenmin systematisch ontsloten waren de (grafelijke) rekeningen, die zo'n belangrijke bron vormen voor de kennis van sociale, economische en bestuurlijke verhoudingen. Een begin van exploratie heeft Van Lennep ontmoet bij het zoeken naar details die de couleur locale van zijn roman konden verrijken: de publicaties van Van Hasselt gaan, net als het werk van De Jonge, waarin een Haags toernooi uit 1344 wordt beschreven, ‘ad fontes’. De wetenswaardigheden uit de Gelderse geschiedenis en de beschrijvingen van Gelderse eetgewoonten worden opgediept uit de grafelijke en bisschoppelijke rekeningen. Soms geeft Van Hasselt enige

[p. 559]

interpretatie, maar vaak ook worden de bewuste rekeningen diplomatisch en zonder commentaar afgedrukt, als een nieuwe vondst die iets toevoegt aan onze kennis over het verleden.54 Eveneens een exponent van moderne historiografie anno 1835, ditmaal de groeiende belangstelling voor de tekstuitgave representerend, vormt de eerste uitgave van Bretels beschrijving van het toernooi, waaruit Van Lennep twee gegevens heeft gehaald.55

Van Lenneps bronnen bieden, zo kan de slotsom luiden, voorbeelden van zowel oudere als nieuwere geschiedschrijving. Dat het hem vooral ging om de verzameling van allerlei details en anekdotes, tonen de aantekeningen. Hoe heeft hij de gegevens die hij vergaarde, benut?

43Winsemius 1622, fol. 202.
44Zo correspondeert de formulering waarin Baerdt van Sminia het verdrag van 1810 tussen Willem de Derde en Westergo vervat, vrijwel letterlijk met Van Lenneps tekst: ‘dit [de verzoening] blijkt uit een verdragbrief van den 4. Julij 1310, behalven dit is er nog een stuk van dien zelfden tijd, mogelijk een aanhangsel tot dit verdrag, waarin bepaald wordt op welke wijze de Graven van Holland zich hadden te gedragen, wanneer zij in Friesland kwamen om aldaar regtzittingen te houden’ (Baerdt van Sminia 1829, p. 25; vergelijk De Roos van Dekama, p. 49, r. 5-9). Des te merkwaardiger is de datering die dit verdrag in de roman ontvangt: 4 juli 1820 in plaats van 1810. Ik ben geneigd hier een verschrijving in te zien, niet opgemerkt bij het kopiëren van het citaat en later evenmin gecorrigeerd (in de latere drukkenvan de roman blijft de vergissing gehandhaafd: de fout is kennelijk onopgemerkt gebleven). Baerdt van Sminia baseert zich op de Charterboeken van Holland en Friesland, uitgegeven door respectievelijk Van Mieris en Baron thoe Schwartzenberg: twee bronnen die Van Lennep ook had kunnen raadplegen. Een andere bron waartoe het jaartal 1820 te herleiden zou zijn, ben ik niet tegengekomen; volgens Janse krijgt het bewuste verdrag, de eerste formele erkenning van de Hollandse rechten in Friesland, in de historiografie nauwelijks aandacht (Janse 1993, p. 47).
45Het cluster van gegevens dat zowel in de roman als in de studie van Baerdt van Sminia terug te vinden is, behelst onder meer de anekdote over de vete tussen Ropta en Helbada, de vergaderingen bij de Upstalboom, de naamsoorsprong van Schieringers en Vetkopers, hun onderling verschillende manieren om vuur aan te leggen, de gewoonte om aan het gastmaal een meisje te kussen als de siward werd geroepen, de gewoonte om een boom op het erf te plaatsen als teken van onraad, de tongbrekende spreuk waarmee niet-Friezen zich zouden verraden, de wapeldjepinga, het verdrag van 1310 en de betrokkenheid van Adelen bij het conflict tusen Lidlum en Bloemkamp (Baerdt van Sminia 1829, respectievelijk p. 16-18, 6, 9, 11, 12, 13, 25 en 40).
46Eggerik Beninga (1490-1562) stamde uit een Oostfries hoofdelingengeslacht. Hij was in dienst van de vorst Edzard de Grote en schreef ter verheerlijking van diens geslacht de Cronica der Friezen, uitgegeven in de verzameling kronieken uitgegeven door A. Matthaeus, Veteris aevi analecta in 1706. (Waterbolk 1952, p. 3). Van Lennep put uit dit werk het gegeven dat de Friezen zich 1323 bij de Upstalboom verenigden tegen de graaf van Holland (Matthaeus 1738 iv, p. 142; Aantekenboekje, p. [7]).
Sibrandus Leo (1528 of 1529-1589) studeerde aan de Latijnse school in Leeuwarden. In 1545 legde hij de kloostergeloften af in het premonstratenzer klooster Mariëndal te Lidlum. In Berlikum, waar hij het pastoorsambt uitoefende, verkeerde hij in een humanistisch milieu, dat zijn belangstelling voor de historiografie aanwakkerde. Hij beschreef de levens der abten van de kloosters Mariëngaarde en Lidlum: Vita abbatum in Mariëngaarde et in Lidlum, uitgegeven in 1704 door Matthaeus (zie: ed. Wumkes [1922], p. i-xlix. Van Lennep benut het werk van Sibrandus Leo voor gegevens over de Lidlumer abt Govert Andla, die strijd leverde met het klooster Bloemkamp en Seerp Adelen (Matthaeus 1738 iii, p. 554; ed. Wumkes [1922], p. 50-51; Aantekenboekje, p. [2]); mogelijk heeft hij ook gegevens over de slag bij Staveren gebruikt (zie de aantekening bij p. 431).
Christianus Schotanus (1603-1671) studeerde theologie in Franeker, werd predikant en in 1639 hoogleraar in de Griekse taal aan de Franeker hogeschool. Vanaf 1644 doceerde hij tevens kerkgeschiedenis. Zijn bekendste historische geschriften zijn de Beschryvinge ende chronijck van de heerlickheydt van Friesland (1655), De geschiedenissen kerckelyck en wereldtlyck van Friesland (1658) en Beschrijvinge van de heerlyckheydt van Friesland tusschen 't Flie end de Lauwers (1664). Schotanus' visie op de geschiedenis is anders dan die van zijn nationalistische en praktisch-politiek geöriënteerde voorgangers theocentrisch van aard: hij ziet in de historie de volvoering van een goddelijk plan (Waterbolk 1952, p. 17 en 117-122). Van Lennep noemt hem als bron voor de tocht van Aylva naar Italië en de beschrijving van het wapen van Friesland (Schotanus 1658, p. 166 en 173; Aantekenboekje, p. [1] en [2]).
47Pier Winsemius (1568-1644) vestigde zich, na zijn studies in onder andere Franeker en Leiden als advocaat te Leeuwarden. In 1616 werd hij aangesteld als historieschrijver van Friesland. Dit ambt was door de Gedeputeerde Staten ingesteld in 1590. De eerste officiële geschiedschrijver was Suffridus Petrus (1527-1592), die zich had beijverd om tal van gegevens en documenten te verzamelen betreffende de Friese geschiedenis. Hij werd opgevolgd door Bernardus Gerbrandus Furmerius (1542-1616). Winsemius was dus de derde die deze functie vervulde. Zijn hoofdwerk is de Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant (1622). Hij wordt door Waterbolk gekarakteriseerd als een historicus die, denkelijk uit hoofde van zijn officiële functie, behoedzaam laveerde tussen de mythologiserende geschiedschrijving van bijvoorbeeld Andreas Cornelius, die in Suffridus Petrus een verdediger had gevonden, en de kritisch-wetenschappelijke benadering van Ubbo Emmius (Waterbolk 1952, p. 20 en 182-185).
48Ubbo Emmius (1547-1625) studeerde aan de universiteit van Rostock, was onder andere rector van de Latijnse school in Groningen en de eerste rector magnificus van de Groningse universiteit. Hij schreef vele politieke en theologische verhandelingen en correspondeerde met binnen- en buitenlandse geleerden. Als historicus heeft hij baanbrekend werk verzet op het gebied van de oorkondenstudie. Zijn kritisch-wetenschappelijke benadering maakte hem tot een fel tegenstander van de apocriefe geschiedschrijving die hij bij zijn voorgangers aantrof. Hij schreef onder andere Rerum Frisicarum historia (1596-1616) (Waterbolk 1922, p. 5 en 99-113).
49[H.F. van Heussen], Kerkelijke historie en outheden der Zeven Vereenigde Provincien. 6 dln. Leiden 1826.
50Van Heussen 1723, p. 2 [recto].
51Van Heussen 1723, p. 1-5.
52Zie p. 44, waar de afstamming der Friezen en die van Adelen met de nodige distantie door Reinout en Deodaat vermeld worden.
53Fontein, zodanig te spreken over Van Lenneps roman dat hij hem tot een tweede exercitie op het terrein van de Friese geschiedenis aanspoort, betreurt het gemis aan originele stukken (dat hij wijt aan de verwoestingen die tijdens de Tachtigjarige Oorlog in kloosters en kerken zijn aangericht): daardoor kan vooral de geschiedschrijving van Westergo niet dan ‘conjectu[e]us’ zijn en slechts bestaan uit de weergave van gebeurtenissen zonder dat de ‘geheime oorzaken’ gekend worden. Het is, zegt hij, de gewone klacht van allen die uit de geschiedenis ook de ‘menschen’ willen leren kennen (F.D. Fontein, brief van 2 november 1836, blad [2] verso).
54Van Hasselt 1805 en 1807; De Jonge 1817. G. van Hasselt (1751-1825), die met zoveel enthousiasme de geschiedenis van zijn gewest verrijkte met zijn vondsten, was onder meer advocaat en burgemeester van Arnhem. Stadhouder Willem v stelde de zeer Oranjegezinde oudheidkenner aan tot raadsman en tot historieschrijver, uit welk ambt hij in 1795 werd ontslagen.
55Zie de aantekeningen bij p. 143 en p. 177.
prepostterug  begin  verder