De uithangteekens


auteur: Jan ter Gouw en Jacob van Lennep


bron: J. van Lennep en J. ter Gouw, De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd (2 delen). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1868  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Aanteekening op het derde hoofdstuk.
Blz. 24 en 25.

Nadat het tweede blad was afgedrukt, ontvingen wij van Dr. te winkel te Leiden nog een brief over Niger Pullus, die 't gevoelen, door ons in den tekst voorgedragen, volkomen bevestigt, en bovendien taalkundige beschouwingen bevat, te belangrijk, dan dat wij die niet in deze Nalezing zouden mededeelen. Wij laten den Heer te winkel zelven spreken.

‘Sedert dat woord onlangs in de Koninklijke Akademie weder ter sprake is gekomen, heb ik er eens opzettelijk over nagedacht, met het gevolg, dat ik voor mij zelf overtuigd ben, dat niger pullus waarschijnlijk goed zuiver Latijn is, en geene verkeerde opvatting van eene Germaansche uitdrukking, althans niet van nikkerpoel.

‘Ik weet niet, of het door de geleerden uitgemaakt is, omtrent welken tijd de kaart, die naar Peutinger genoemd wordt, moet vervaardigd zijn; doch zooveel is zeker, dat het na 97 p. Chr. n. en vóór het begin der 4de eeuw moet zijn geschied. Het Forum Hadriani toch staat er op afgebeeld, en de Franken wonen er nog aan de Noordzijde van den Rijn, en zijn derhalve nog niet voor goed naar België en Gallië vertrokken. Er volgt uit, dat de kaart gemaakt is na de eerste klankverschuiving, hetgeen onder andere zeggen wil: na den tijd, dat in de taal de g's in k's, en de k's in h's of ch's veranderd waren. Een nikker heette derhalve toen reeds hnikar of hnikkar. Vóór de klankverschuiving moet nikker den vorm knigar of kniggar gehad hebben; doch wat men ook aanneme, hnikar of knigar, het is niet waarschijnlijk, dat de Romeinen een dier vormen als hun niger opgevat hebben. Dat zij de consonanten-verbinding hn of chn niet weêrgaven, zou begrijpelijk wezen, maar het onderscheid tusschen g en k was hun te zeer bekend, dan dat hun gehoor hen te dien aanzien zou hebben kunnen bedriegen. Neemt men aan, dat onze voorouders nog knigar uitspraken, dan is de verwarring met niger even onverklaarbaar, want ook kn is een bekende Latijnsche lettervereeniging, b.v. in den eigennaam Cnaeus, in cnecus, cnissa, etc.

[p. 192]

Pullus voor poel heeft nog meer bezwaar. Poel is het Latijnsche palus, dat wij van de Romeinen overgenomen hebben. Dit blijkt daaruit, dat het woord in geene andere Germaansche taal voorkomt, behalve in het Hoogduitsch, doch daar eerst zeer laat, en onder den vorm Phuol. Uit de woorden paling, d.i. poelvisch, en de Peel (in N. Brab. en Limb.) blijkt, dat het woord aanvankelijk bij ons palu en pali moet geluid hebben, en dat het eerst later pual en puol moet geworden zijn, op dezelfde wijze als damnare in duaman, duoman en doemen overging. De klanken ua en uo nu werden door de Romeinen niet opgevat als hun u (oe), maar, gelijk uit een aantal Germaansche eigennamen blijkt, als ua of als ô.

‘Stelt men dat nigro pullo moet beteekend hebben bij of aan den nikkerpoel, dan moet men aannemen, dat de Romeinen die klanken gehoord hebben in eene der uitdrukkingen: knigarapalu, hnikarapalu of hnikarapuolu.

‘Bij de beide eerste vormen is zulks ondenkbaar, en bij de laatste, die als chnikara-poeoloe luidde, ook niet waarschijnlijk. Intusschen weet ik geen ander Germaansch woord te bedenken, dat naar het Latijnsche nigro pullo zweemt; dit komt mij derhalve als echt Latijn voor.

‘Ook albanianis, dat, als verblijf van alven, den nikkerpoel steunen en schragen moet, komt mij uiterst verdacht voor. Die albaniani woonden vooreerst eenige mijlen van den nikkerpoel af; en het woord laat zich op die wijze niet verklaren. Een verblijf van alven heette oudtijds alfheim, zoowel in ons land als in het hooge Noorden; maar van albanianis is zoo iets niet te maken. Moet er alf in zitten, dan gaat het goed met het eerste gedeelte alba, doch wat volgt is dan onverstaanbaar; het Germaansch levert niets op, dat naar -nianis gelijkt. Moet het woord volstrekt Germaansch zijn, dan zou ik lezen: albania of albanja, dat al-verwonder of al-moorder kan beteekenen; banja voor wond of slag toch heeft bestaan, en -ja is ook een uitgang, die een persoonlijken werker beteekent. Tu albanjam (dativ. pl.) bij de almoorders kan verlatijnscht albanian-is gegeven hebben, maar dan zijn ook de alven verdwenen.

‘In Noord-Brabant ligt een dorp Alphen, dat volgens v.d. bergh voorheen Alfheim heette. Ook het Hollandsche Alphen zal wel zoo, en dus in de tijden van de kaart Albhaims geheeten hebben; doch dit verschilt m.i. te veel van Albanianis om die beide woorden voor identiek te houden; ook ligt dit laatste op de kaart niet aan den Rijn, maar op eenigen afstand zuidelijker.’