De uithangteekens


auteur: Jan ter Gouw en Jacob van Lennep


bron: J. van Lennep en J. ter Gouw, De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd (2 delen). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1868  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 379]

Tweede hoofdstuk.
Heraldische figuren.

Schreven wij een boek over de heraldiek, zoo moesten wij beginnen met het Schild; nu wij echter de uithangteekens beschouwen, moeten wij beginnen met hetgeen 't meest in 't oog valt - de Kroon.

I.

De Kroonen wedijveren in talrijkheid met de Leeuwen: deze om hun heraldische vermaardheid, gene om hun glans en uitstekendheid.

 
Boven al de tappers voerde hy de Croon,

zegt het oude liedje, dat wij in de Eerste Afdeeling hebben meêgedeeld1).

De Kroonen kwamen ook, even als de Leeuwen, van ouds uitsluitend, later voornamelijk, aan de herbergen voor. Werd er gesproken van ‘mooi Kaatje uit de Kroon,’ dan dacht niemand aan een spekslagers- of kruideniersdochter, maar ieder begreep terstond dat hij, om haar te zien, naar de herberg moest gaan.

De vorm der kroon was natuurlijk die, welke de eigenaar er aan geven wilde, toch meestal die van de kroon, welke de Soeverein droeg. Daarom in Engeland en Frankrijk de Koningskroon. In ons vaderland kennen wij geen uithangende kroonen vóór de 16de eeuw, dus niet voor den tijd, toen alle gewesten onder eene kroon vereenigd waren, en dan vinden wij die in tweeërlei vorm: de Prinsenkroon (een gouden band met fleurons en paarlen), en de Keizerskroon. De laatste was natuurlijk ter eere en gedachtenis van Keizer Karel; de eerste, die ook boven de meeste stedewapens gevoerd werd, was vermoedelijk herkomstig van den Hertog van Borgondiën, die niet alleen Prins van koninklijken bloede was, maar ook hier te lande ‘onse lieve Prince’ betiteld werd.

[p. 380]

Sedert ons vaderland een Koninkrijk geworden is, hebben wij ook hier de Koningskroon zien uithangen; terwijl ook, in een land als het onze, waar steeds vele vreemdelingen zich vestigden, uitheemsche Kroonen nu en dan naast de inheemsche een plaats innamen. Zoo valt ons, terwijl wij dit schrijven, juist een fonkelnieuwe Engelsche Golden Crown op den Zeedijk in 't oog.

Doch de twee bovengenoemde vormen zijn hier sedert drie eeuwen - van vroeger hebben wij geen naricht - inheemsch. Men kan beiden te Amsterdam vertegenwoordigd zien, in twee groote exemplaren van ongeveer denzelfden tijd, op twee groote pakhuizen, recht tegen over elkander, op de Brouwersgracht. Aan de Zuidzij, tusschen de Keizers- en Prinsengrachten, staat de Prinsenkroon in den gevel uitgehouwen, daar tegen over de Keizerskroon (1618). Het eerstgenoemde pakhuis heet dan ook eenvoudig de Kroon; het heeft van 1659 af, een tijdlang en tot aan het voltooien der koepelkerk, tot Luthersche Kerk verstrekt, en 't was in 't begin dezer eeuw een lokaal voor publieke verkoopingen. Het andere pakhuis in de Keyserscroon, was in 1656 een R.K. kerk, waarin destijds een talrijke gemeente vergaderde, en de dienst verricht werd door een priester, die Alckemade heette.

De Keizerskroonen zijn door alle steden van ons vaderland verspreid, reeds van Keizer Karels tijd af. Delft had er reeds in de 16de eeuw een onder zijn brouwerijen; te 's Gravenhage op 't Plein vond men de Groote Keizerskroon, waar Van der Does van zong:

 
Daer yder Keyser is, daer nyemant wert verschoven,
 
Maer die syn maeltijt hier het best betalen kan,
 
Is aangenaem in 't hof al was 't geen edelman1).

Ook Haarlem heeft zijn Keizerskroon op de Groote Markt, ook Zutfen, en Zwolle en hoeveel andere steden nog? zelfs Naarden had er kort geleden nog een voor een logement tegenover de Utrechtschepoort, en meende er mogelijk te meer recht op te hebben, omdat het een dubbelen Arend in zijn wapen voert.

Maar nergens waren de Keizerskroonen steeds talrijker dan te Amsterdam; een natuurlijk gevolg van het recht, in het laatst der 15de eeuw haar geschonken, om die boven haar wapen te voeren.

Onder die Keizerskroonen was steeds de beroemdste die in de Kalverstraat. 't Gebouw had in de 16de eeuw tot Burgerweeshuis gediend en vermoedelijk naar de kroon op 't stadswapen in den gevel dien naam verkregen. Er werden steeds aanzienlijke verkoopingen gehouden, zooals in 1657, toen Barend Jansz. Schuurman er kastelein was, die van Rembrandts inboedel; en in 1670, toen Cornelis Prins er 't roer in handen had, van de ‘pam-

[p. 381]

piere konst’ (dat wil zeggen: de prenten en teekeningen) van Jean Fontaine; terwijl in September 1688, ten huize van denzelfden Cornelis Prins ‘waart in de Keyzerskroon’, verkocht werden de boeken en prentkunst, ‘nagelaten by wijlen Frans Coerten, in syn leven vermaert afsetter’ - men versta dit epitheton niet verkeerd: 't beteekent ‘prentekleurder.’ De verkooping duurde verscheiden dagen en begon te 8 uren 's ochtends: - de heeren stonden toen wat vroeger op dan tegenwoordig. In 1725 werd de Keizerskroon herbouwd en was in 1787 de zetel der Oranje-societeit, wier tegenstanderes, de Vaderlandsche-societeit, mede in de Kalverstraat, doch dichter bij den Dam, haar zetel had. In 't begin dezer eeuw hadden in de Keizerskroon de verkoopingen plaats van wijnen, brandewijn, oliëteiten, enz.

Onder de fabrieken, die de Keizerskroon uithingen, muntte in de 17de eeuw de Brouwerij op de Keizersgracht bij de Leliegracht uit, die, als Filips von Zesen getuigt, haar kroon te recht droeg, daar zij om haar overheerlijk bier boven alle andere brouwerijen uitmuntte.

De Landskroon1) was de personifikatie van de Soevereiniteit2). Zoo b.v. komt zij voor in de Groote Staat te Maastricht, als zinspeling op de twee landsheeren, Brabant en Luik, waarom er dan ook twee septers kruislings door heen zijn gestoken3). Dat zij ook in Holland niet onbekend was, bewijst de Gulden Lantskroon, die nog in de Wijnstraat te Dordrecht op een uithangbord te zien is4) en die daar al vrij oud moet wezen, dewijl men in Holland al sedert het laatst der 16de eeuw geen lands-kroon meer had, vermits toen de Soevereinen des lands geen gekroonde hoofden meer waren.

Niet alleen vindt men de kroon met verschillende bijvoegsels, als: te 'sGravenhage de Gouden Kroon, te Apeldoorn de Nieuwe Kroon, op het Loo de Oude Kroon; maar ook met kleuren: op de Brouwersgracht bij de Prinsengracht in 1670 op een pakhuis de Blaeuwe Croon5): elders de Witte Croon, enz.

In Engeland ontbreken de Crown Taverns evenmin als hier, en van eene daarvan vinden wij vermeld6), dat de gelagkamer door Isaac Fuller († 1672) beschilderd was met de Muzen, Pallas, Mars, Ajax, Ulysses en andere heeren en dames van dien tijd, en dit schilderwerk door Ned Ward zeer geprezen werd. Zulke beschilderde kamers in herbergen waren in

[p. 382]

dien tijd niet zeldzaam, zeggen de Engelsche schrijvers, en wij voegen er bij: dat waren zij bij ons evenmin.

Aan 't hoofd der herbergen in onze steden stonden in de 17de eeuw de Doelens. Nadat in 't laatst der 16de eeuw de aloude Schuttersgilden waren opgeheven en met de Burgervendelen vereenigd, en de Doelens hun bestemming verloren hadden, werden die van stadswege tot herbergen verhuurd, omdat zij daartoe geschikte ruimte aanboden. Van daar, dat men in deze streken schier in geen stad komt, waar men geen logement de Doelen vindt. De voormalige groote Schutterszalen waren met schilderijen vercierd van de eerste meesters, en nu zochten de herbergiers, die hun huis aanzien wilden geven, ook hun gelagkamers met fraai schilderwerk te doen pronken en overtroffen althans te dien opzichte onze logementen die van alle andere landen. Nog heden kan men in menige herberg buiten langs de wegen zoowel als in landstadjes - in de groote steden is alles voor lang gemodernizeerd en wat oud was weggestommeld - menig overblijfsel van vroegeren kunstzin terugvinden, en soms landschappen, stadsgezichten, stillevens, enz. ontmoeten, die 't bewijs opleveren, dat onze voorvaderen in de herbergen nog wel ander genot zochten dan dat van kan en kaart.

De Kroon komt ook in 't meervoud voor. De twee kroonen vindt men nog op een gevelsteen op den Nieuwe-zijds-voorburgwal, tegenover de St. Jacobsstraat: 't zijn twee Prinsen-kroonen naast elkander gesteld. Delft had reeds in de 17de eeuw een brouwerij de Drie Kroonen, en te Utrecht is een nog oudere gevelsteen in de 3 Crone1). In Engeland is dit uithangteeken ook bekend2) en volgens Bagford zou het zijn oorsprong verschuldigd zijn aan kooplieden, die op Keulen handelden

illustratie

en de Drie Kroonen uithingen uit het wapen dier stad. Ook wij achten die herkomst van den Keulschen handel zeer waarschijnlijk, vermits die ook hier vroeger zeer levendig was. De afbeelding van 't volle Keulsche wapen kan al spoedig vereenvoudigd zijn tot die van de meest kenmerkende figuur de Drie Kroonen.

Ook zullen de meeste onzer lezers zich de van ouds vermaarde ‘Drie Kroonen’ nog wel herinneren, die jaar op jaar onze kermissen kwam opluisteren, en als ‘kinderespul’ 't meest de aandacht trok der moeders, grootmoeders en meujes.

 
Wel ouwe Giertje Goossens uyt de Witte Veere-sack,
 
Wat sinje moy van daegh, in jou nuwe sundaghspack.
 
Wel, seise, Trijntje Pickstock, mot 'n mens 'er niet opmoyeren?
 
Ick ga mit de kyeren nae de kormis koyeren.
[p. 383]
 
Wel seise, Giertje, weetje waerje gaet? In 't spul van dry cronen,
 
Och seise, daer sieje de comedie mit levendighe poppen vertonen.
 
Wel kijnt, seise, wat segje? mit poppen, die levendigh binnen?
 
Ja Giertje, seise, 'k hebbet selvers ghesien, je soutet je leven nyet versinnen

Wel zullen het Keulsche kermis-reizigers geweest zijn, die 't eerst met die vertooningen in hun tent de verrukking des volks gaande - en de Drie Kroonen, die er uithingen, vermaard hebben gemaakt; maar wanneer zij daarmede zijn opgetreden, kunnen wij niet bepalen: vermoedelijk niet later dan 't begin der 17de eeuw. In de eerste jaren der 18de hadden zij de Vier Kroonen tot konkurrent, en voortaan wedijverden beiden in 't vertoonen van fraaie kunstwerken en perspektieve gezichten, met maanlicht en aanbrekende dageraad, alsmede in het opvoeren van treur- en blijspelen, met beweegbare beeldjes, de grappen van Jan Klaassen en den vermakelijken Harlekijn en de Sineesche schimmen tot besluit.

Geen sterker bewijs is er bij te brengen voor hun populariteit, dan dat wij de Drie en de Vier Kroonen zelfs op de titels van treur- en blijspelen vinden. Van elk een staaltje.

1o. ‘Het spel van de Drie Kroonen of de Poppedans der Societeits Axionisten, bevattende:

 
De Societeits hollende waagen,
 
Beladen voor die er na vraagen,
 
Met lappen en looren,
 
Van halfbakken Doctoren.

2o. Guaskur en Rosamira door H. van Elvervelt, treurspel:

 
Om te vertoonen
 
Als de Vier Kroonen.

Niet alleen verscheen de Kroon als zelfstandig uithangteeken, maar ook als cieraad boven een uithangteeken1) En niet alleen de voorwerpen, die men uithing, ook 't gebouw zelf kreeg soms een kroon, zoo b.v. een oester- of een koffiehuis. Te Rotterdam las men op een uithangbord:

 
* Hier in 't Gekroont Oesterhuis,
 
Daar vint men altijt iemant t'huis.
 
Om gelt te winnen zijn wij niet moê.
 
Hier verkoopt men oesters, open en toe.

En in de Haarlemmer Courant van 25 November 1688:

 

‘Augustijn van der Camp, t'Amsterdam, op de Botermarkt in 't Gekroonde, Hollantse Coffyhuys zijnde komen wonen, presenteert zijn dienst aan alle liefhebbers van puycke coffy, chocolade &ca.’

[p. 384]

Die voorwerpen, waarboven een kroontje gesteld is, noemen wij gekroond1); de Engelschen daarentegen noemen beiden, kroon en voorwerp, zelfstandig. Daardoor ontstaan bij hen een menigte schijnbaar zonderlinge kombinatiën, zoo b.v. Kroon en Rasp (altijd de kroon voorop), waar wij de Gekroonde Rasp zouden zeggen, wat juister is; dewijl de Rasp de hoofdzaak is en de Kroon niet dan een cieraad, dat boven duizend andere voorwerpen komt.

In de 17e eeuw hadden wij echter nog een andere wijze van uitdrukking, die 't midden hield tusschen de beide genoemde: men noemde eerst het voorwerp en daarna de kroon, b.v.: de Klok met de Kroon, de Pot met de Kroon, de Halve Maan met de Kroon2), enz. Maar ook bij deze wijze van uitdrukking bleef het voorwerp de hoofdzaak en de kroon slechts toevoegsel.



illustratie

De Gekroonde Rasp, zoo even als voorbeeld aangehaald, was weleer een geliefkoosd uithangteeken voor de snuifwinkels. Er is er nog een te zien in den gevel van een huis te Londen, Pall Mall bij Haymarket, waar in 1781 Fribourg en Freijer hun winkel hadden: - en waarom juist een rasp? Het was in de 17de eeuw het gebruik der snuivers, niet om hun snuif als poeder in een doos bij zich te dragen, omdat daardoor te veel verloren ging van den geur: maar zij hadden in hun kamizoolzak een raspje met een droogen tabakswortel; wilden zij snuiven, dan wreven zij even den wortel over den rasp, lieten het poeder op de saamgeknepen hand vallen, en brachten het zoo aan den neus. Van daar de naam rapé (‘geraspt’), voor een soort van snuif, en la Carotte d'or, die in Frankrijk dikwijls als uithangteeken voorkomt. Die raspjes waren voorwerpen van weelde, van ivoor gemaakt en met goud of zilver ingelegd. Men kan er nog keurige exemplaren van zien in 't Musée Cluny te Parijs.

Later had men zoogenaamde rapé- of grivoise-doozen, waarin een stukje tabakswortel geborgen werd; terwijl het deksel van binnen met een klein raspje was voorzien. Wilde men nu een vriend een snuifje aanbieden, dan streek men den wortel over het raspje, en stak hem de doos toe: wat veel bevalliger houding had dan het toesteken der saamgeknepen hand3).

II.

De Helm was, als uithangteeken, nog vrij wat ouder dan de Kroon4), gelijk hij ook in de Heraldiek, als schilddekking, de Kroon is voorgegaan.

[p. 385]

Doch kwam de Helm vroeger, hij ging ook vroeger heen. Na de 17de eeuw verminderen de Helmen, en de weinige, die nog bestaan, zijn eeuwen oud.

Duidde de Helm oorspronkelijk een herberg voor edelen aan, ook later bleef daaraan het denkbeeld van een deftige herberg verbonden, al waren 't niet altijd fatsoenlijke lieden, die er hun intrek namen. In den Helm op den hoek van 't Noordeinde en 't Hartogsstraatje logeerde in 1623 Van Dijk, die tot de saâmgezworenen tegen Prins Maurits behoorde, en 't was daar, dat de koffer met wapens door Slatius bezorgd werd. Die herberg bestond nog in 't begin dezer eeuw. En, aardige samenloop der dingen! 't Was ook in den Helm, te Emden, dat hun medeplichtige, Jan Blansaart, gevat werd.



illustratie

Te geschikter was de Helm tot uithangteeken van een herberg, vermits hij in het helmteeken de gelegenheid aanbood tot een toepasselijke voorstelling, b.v. een mannetje met een schuimende bierkan op de hand. En daarom dan ook geen stad van aanzien, die niet haar herberg de Helm had. Te Maastricht komt er eene voor in 1550, in een register van gronden en renten van de Broederschap van St. Servaas. Zij stond op den hoek van het Vrijthof en de straat, die nog de Helmstraat heet, en is eerst voor een half dozijn jaren afgebroken1).

Te Amsterdam behoorde in de woelige jaren 1566 en 1567 een Helm tot de plaatsen, waar de hervormingsgezinden hunne vergaderingen hielden; althans Willem Lubbertsz, die er woonde, had zich met de overigen uit de voeten gemaakt, en was een dergene, die op 29 Mei 1568 door Alva voor den Raad van Beroerte werden gedaagd; - een uitnoodiging, waarvan natuurlijk geen hunner gebruik maakte.

Te Delft staat op de Markt een huis, het zesde van den N.W. hoek afgerekend, dat nog een steenen Helm op den geveltop heeft. Dezen Helm vindt men reeds in de stads-rekeningen van 1572, toen de bewoner, Jan Jacobsz, 50 pond betaalde in de kollektatie, waaruit de soldij der vreemde soldaten betaald moest worden2).

Tongeren heeft nog heden ten dage zijn hôtel de Helm, en dat huis draagt dien naam ook al sedert eeuwen. In datzelfde huis bestelde Graaf Hendrik van den Berg, in 1632, toen Prins Frederik Hendrik het beleg sloeg voor Maastricht, diegene, ‘die beter traktement begeerden,’ dat wil zeggen, die ontevreden waren, en van partij verwisselen wilden.

[p. 386]

Eindelijk, om niet meer op te tellen, te Amsterdam was in de 17de eeuw ook een R.K. kerk, waar de Helm uithing, op den Oude-zijds-voorburgwal.

Daar het vergulden der uithangleekens, zoo tot onderscheiding als om ze meer in 't oog te doen vallen, zeer gebruikelijk was, had men natuurlijk ook vergulde Helmen.

In den Vergulden Helm te Leeuwarden op de Nieuwstad, woonde in 1565 Gabbe Selma, bij wien Herbert van Raephorst, Frederik van Egmond, en Albert van Huchtenbroeck, afgevaardigden der Verbonden Edelen, hun intrek namen1). Te Dordrecht is nog een uithangteeken in de Wijnstraat, met dien naam2).

Schoon wij niet gelooven, dat de helmen, toen zij nog gedragen werden, ooit geverfd waren, komen zij toch onder de uithangteekens met verschillende kleuren voor. Stijntje in den Blaauwen Helm werd in 1566 in de Nieuwe Kerk ter aarde besteld3). De Blaauwe Helm komt hier en daar meer voor, ook de Witte o.a. te Leeuwarden4), maar de Groene Helm schijnt te Amsterdam eigenaardig te zijn geweest. Zoo hing hij in 1656 uit aan een R.K. kerk op den hoek van den Oude-zijds-achterburgwal en Molensteeg, en op de Keizersgracht tegen over het Huis met de Hoofden - ‘een overgroot en heerlijk gebouw’ - en, vlak daarachter, aan een brouwerij op de Prinsengracht. Wellicht was die Groene Helm de helm van den Meerman, over wien wij later zullen spreken.

III.

Ook Helmteekens komen als uithangteekens voor: hoewel niet bij ons, althans niet afzonderlijk, maar in Engeland, wat een gevolg is van het Engelsch gebruik om het helmteeken ook op zich zelf te voeren, waardoor 't het karakter van een wapen aanneemt, en even als een wapen op de uithangborden geschilderd wordt. Wij willen daarvan drie voorbeelden geven: het eerste heeft ook tot onze historie eenige betrekking.

De Beer met den knoestigen Stok is het uithangteeken van een herberg te Cumnor5), welke ieder zich wel herinneren zal, die de aandoenlijke historie van Amy Robsart in Walter Scotts Kenilworth gelezen heeft. 't Is het helmteeken van het Huis van Warwick, waarom Shakspere den beroemden Graaf van dien naam deze woorden in den mond legt:

[p. 387]
 
Bij Vaders leus, bij Nevils helmcieraad,
 
Den Beer, geketend aan het knoestig hout,
 
Ik zal dees dag mijn helmtop hoog verheffen!1)

Volgens de legende was Arthgal, de eerste Graaf van Warwick en tijdgenoot van koning Arthur, zoo sterk, dat hij een beer in zijn armen klemde en doodkneep. Daarvoor kreeg hij zelf den bijnaam van de Beer. Een ander lid van dat geslacht, Morvidius, eens een reus ontmoetende, trok een boom uit den grond en sloeg er den reus meê dood. De herinnering van beider heldendaden werd vereenigd in 't helmteeken van den ‘Beer met den knoestigen Stok,’ dat het geslacht ter eeuwiger memorie van zulke voorvaderen voeren bleef.

Toen nu, 1000 jaar later, Robert Dudley, Graaf van Leicester, Goeverneur en Kapitein-Generaal der Vereenigde Nederlanden was, stonden de Staten-Generaal, ‘om zijne Excellentie te believen,’ den 30sten Juni 1586 toe, dat hij in zijn zegel het schildje met den Beer (dien hij van de Warwicks had geërfd) op de borst van den Staten-Leeuw mocht voeren2). Dit ergerde niet weinigen hier te lande: de een zei, dat de Leeuw gebrandmerkt was; de ander, dat Leicester opentlijk toonde, hoe 't hem om de opperheerschappij te doen was, maar een derde, die eens 's Graven schild met den Beer voor zijn herberg hangen zag, waar 't naar oud gebruik was aangeslagen, schreef er onder:

 
Ursa caret cauda, non queat esse Leo.

d.i.:

 
Den beer ontbreekt een staart en nooit wordt hij een Leeuw,

welke aardigheid in den smaak zelfs der Engelschen viel, die haar over zee meênamen. Zij wordt nog heden ten dage in Warwickshire als spreekwoord gebezigd.

Jan van Luxemburg, koning van Boheme, was, in weêrwil zijner blindheid, een bij uitstek dapper man. In den slag van Créci - in 1346 - liet hij zich tusschen twee ruiters binden, reed zoo op den dichtsten drom des vijands aan en hieuw en hakte voor zich heen tot hij zelf werd neêrgehouwen. De overwinnaar, de Zwarte Prins, eigende zich hierop de witte Struisveêr toe, die de Koning tusschen twee Grijpvogels met gouden lindenbladeren bezaaid, en de spreuk: Hou moet, ich dien, op zijn helmkam voerde, en, sedert dien tijd, zijn drie zoodanige pluimen, met het genoemde motto, het helmteeken der Prinsen van Wallis. In Engeland was dat teeken ten allen tijde zeer geliefd en pronkte voor menig herberg of winkel een uithangbord met de Prins-van-Wallis-Pluimen of eenvoudig de Pluimen.

[p. 388]

Een wij zonderling uithangteeken kwam in Engeland dikwijls voor, zoo bij boekverkoopers als aan herbergen en kroegen: de Arend en het Kind1); een ingebakerd kind in een korfje, waarop een arend staat, die het wicht schijnt te willen verslinden.

Dit is het helmteeken van het Huis van Stanley. Onder de regeering van Eduard III leefde Sir Thomas Latham, voorvader der Stanley's en Derby's. Hij had slechts één wettig kind, een dochter, Izebel genaamd; maar bovendien nog een onechten zoon bij zekere Mary Oscatell, en wilde gaarne dit knaapje in zijn huis opvoeden, zonder dat het zijn vrouw ergernis gaf. Hij liet het kind te vondeling leggen onder een boom, waarin een arend zijn nest had gebouwd, en leidde op de wandeling, schijnbaar toevallig, zijn vrouw langs dien boom, en bewoog haar, dat kind als het hare aan te nemen. De knaap droeg later den naam van Sir Oscatell Latham. De vader had, bij het opnemen van het kind, den rugwaartszienden arend tot helmteeken gekozen, die later veranderd werd in de bovengenoemde figuur.

IV.

Even als in de heraldiek sommige geslachten een effen schild zonder eenig figuur (écu plein) voerden, zoo komt ook onder de uithangteekens het schild zonder figuur, ja somtijds zelfs zonder kleur voor.

Delft had in de 16de eeuw de brouwerij het Schilt, en te Antwerpen hing in de Beukelaersstraat den Beukelaar uit.

Doorgaans echter had het schild een bepaalde, liefst een schitterende kleur. 't Roode Schild was in 1468 een brouwerij te Leuven.

't Vergulde Schilt hing omstreeks 1600 uit op den Nieuwendijk, het zevende huis ten noorden van de St. Jacobsstraat, bij den lakenkooper Claes Claesz. Anslo, den grootvader van Reinier Anslo.

Te Antwerpen in de Lange-ridderstraat vond men den Rooden Schild en de Roden Schild te Dordrecht was in 1677 't huis van Arend van Hage2), terwijl in de Jodenwijk te Frankfort, voor een eeuw, aan 't winkeltje van Meyer Anselm het rood Schild uithing, later met de drie letters I.C.I.3), het blazoen van de Joden der koningen. L'escu de Sable (het Zwarte Schild) hing weleer aan een herberg te Roeaan uit.

Ook verdrievoudigd hing het Schild uit. De Drie Schilden bij schilders, omdat het St. Lucasschild uit drie zilveren schildjes op een lazuren veld

[p. 389]

bestaat. En nog kan men te Amsterdam De drie Roode Schilden zien hangen aan een ververij, en wel naar de oude manier, drie werkelijke schilden aan een stang boven de deur.

V.

De Roode Leeuw van Holland werd natuurlijk reeds in de middeleeuwen, het geheele Graafschap door, in de steden en langs de wegen, aan tal van herbergen uitgehangen.1) Hoe kon de waard beter aanduiden, dat hij tapte met 's Graven vergunning? dat zijn huis ter goeder fame stond en een man van eere er gerust zijn intrek kon nemen? ja, dat de vreemdelingen er

 
in sekerheyd gerust op moghten slaepen2)?

Maar ook buiten Holland was eerlang de Roode Leeuw lang niet zeldzaam3). De Hollandsche kooplieden waren steeds op reis, zoowel te land als te water; waar zouden zij buiten hun vaderland eerder hun intrek nemen, dan waar 't wapenbeeld van dat vaderland uithing, en zij bijna zeker waren, landsluî aan te treffen?

Wij zullen geen lijst geven van al de Roode Leeuwen, die wij in en buiten Holland aantroffen,4) maar slechts van elk éên voorbeeld, en nog een, wegens de bijzondere samenstelling.

Te Zaandam hing aan een herberg de Roode Leeuw uit, met dit rijm er onder:

 
* Dit is in de Oude roode Leeuw.
 
Hier verkoopt men vrij wijn, maar voor geen Stäart5) noch Zeeuw.

Aardig is die afwijzing op 't uithangbord, dat anders een aanwijzing was voor ieder, om binnen te treden. Maar men had van ouds in 't Noorderkwartier een afkeer van de Engelschen, en in Zeeland niet minder. Te zonderlinger is het, dat hier Engelschman en Zeeuw beide worden afgewezen. Het adjektief Oude bij Leeuw geplaatst doet vermoeden, dat die Leeuw opklimt tot in de 14de eeuw, toen de Saenerdam gelegd werd en 't eerste huis, dat daarbij gebouwd was, wel een herberg zal geweest zijn.

In een advertentie in de ‘Oprechte’ van 17 Juni 1688 werd

 

‘aen alle Heeren en Passagiers bekent gemaekt, dat Jacobus Vollaert, gewese conchiergie uyt de rode Leeu Lot Sluys in Vlaenderen, verhuyst in de vermaerde herberg de Kroon, de conchiercie 's Lants van Vrije, voorsien van alle accommoditeyten voor de Reysigers.’

[p. 390]

Uit deze advertentie blijkt tevens, dat in Staats-Vlaanderen, in die dagen, conchiergie1) en conchiercie woorden van eenerlei beteekenis waren met ‘kastelein’ en ‘herberg.’

Somtijds werden aan den Leeuw nog figuren toegevoegd: ook hiervan een voorbeeld. Te 's Gravenhage zag men, tot in 1866 (toen het door verbouwing verdwenen is), een gevelsteen, waarop een Roode Leeuw, met een manskop ter eene, en een vrouwenkop ter andere zij; onder den Leeuw stond: in de Roo Leeu; onder den manskop: anno; onder 't vrouwenhoofd: 1639. Gezegde Roo Leeu wordt reeds in een schepenbrief van 1562 genoemd, als ‘staande neffens het verbrande huys de Wolsack.’ De beide koppen zullen de echtgenooten hebben voorgesteld, die in 1639 het huis bewoonden. Dit afbeelden van zich-zelf was niet ongewoon2).

Waar reeds een Rôo Leeuw bestond, en een konkurrent opdaagde, die hem ook wilde uithangen, schreef deze, ter onderscheiding, de Hollandsche Leeuw, als men nog hier en daar, o.a. te 's Gravenhage, lezen kan.

Dezelfde opmerkingen, die in Holland gelden met betrekking tot den Rooden, gelden voor Brabant en Gelderland ten aanzien van den Gouden en voor Vlaanderen van den Zwarten Leeuw.

Den Gouden Leeuw kan men nog in de gewesten, die eertijds 't Hertogdom Brabant uitmaakten, telkens ontmoeten; niet slechts hangt hij aan tapperijen en logementen uit, maar ook aan burgerwoningen. Te Antwerpen woonde in 't Gulden Leeuken de kunstkooper Gillis Hendriksz, en in 1677 was 't zijn sterfhuis, waar een groote verkooping gehouden werd van de kunst, die hij naliet.

Doch ook in de Zeven Provinciën was de Gouden Leeuw - als Generaliteits-leeuw - sedert de 17de eeuw algemeen verspreid. In den Gulden Leeuw te 's Gravenhage in de Kalverstraat logeerden in 1618 de Russische Gezanten3). Wat later was te Amsterdam in de Kalverstraat een herberg de Gulden Leeuw, bekend als een verzamelplaats van lustige drinkebroêrs, als een tijdgenoot zong of rijmde:

 
Waar Jan en nog een Jan zich zij aan zij vermengen,
 
En spreken van een glaasje frans of rins te plengen.

In den Gouden Leeuw op 't Buitenhof in den Haag vergaderde in 't voor-

[p. 391]

jaar van 1787 de ‘Oprechte Vaderlandsche Societeit’ onder presidium van Bentinck-Rhoon. De Zilveren Leeuw komt niet voor, wel de Witte. Zilver komt in 't algemeen zeldzaam voor onder de uithangteekens. De Witte Leeuw schijnt zelfs niet als plaatsvervanger van den Zilveren, maar als tegenhanger van den Rooden gebruikt te zijn en hangt dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van dezen laatsten uit. Te Amsterdam had men op den Dam, al vóór 1600, den Roô Leeuw, aan den hoek van de steeg, die thans de Kromelleboogs- maar toen 't Roôleeuwensteegje heette, en, weinige schreden verder, aan den hoek waar toen de sleepersstal was, doch later de Beurssteeg is aangelegd, de Witte Leeuw. Ook Delft had ze beiden onder zijn brouwerijen, en op de gevelsteenen wisselen zij elkander af.

De Zwarte Leeuw is ons enkele malen voorgekomen: o.a. stond hij nog voor weinige jaren op 't Haringvliet te Rotterdam, met een rijm, dat er wonderlijk bij paste:

 
Dit huis verlaedt
 
De zonde haedt,
 
En Godt aenkleeft,
 
Die eeuwig leeft.1)

Wellicht hield de goede man, die dit gerijmd heeft, den Zwarten Leeuw voor een zinnebeeld van den Booze.

Ook op spiegels van 's Lands schepen kwam de Leeuw dikwijls voor in eene der vier bovengenoemde kleuren.

In Engeland ziet men ook den Blaauwen Leeuw; - men acht dien oorspronkelijk uit het Deensche wapen, dat er populair werd sedert het huwelijk van Jacobus I met Anna van Denemarken.2)

De Leeuw met de pijlen uit het Generaliteitswapen, met het devies ‘Eendracht maakt macht,’ kwam en komt nog aan herbergen voor, en heet dan de Eendracht, misschien als waarschuwing tegen twisten onder 't gelag. Maar ook aan pakhuizen, b.v. op 't Cingel bij de Openhartsteeg, waar een groote Staten-leeuw, met het onderschrift d'Eendracht boven in den gevel is gemetseld. Voorts nog aan vele scheepstimmerwerven. Somtijds echter werd de Eendracht op schilden aan herbergen, even als op onze oude stuivertjes, door den enkelen pijlbundel gesymbolizeerd.3)

Te Schelderode in Vlaanderen ziet men op een uithangbord een Leeuw geschilderd, met het zwaard in den eenen klaauw, terwijl de andere een driehoekig schild houdt, beladen met twee gekruiste zwaarden, een Leeuw, en een Arend: welk wapen dat is, weet men daar zelf niet: het onderschrift

[p. 392]

is slechts: in den Lieuw. De Belgen, die altijd de annexatie-vrees hebben, zien daar een toespeling op.1)

De Twee Leeuwen zijn ontleend aan de schildhouders der wapens, en werden daarom ook wel, als aan een brouwerij te Delft in de 18de eeuw, de Twee Klimmende Leeuwen genoemd: - en, naar de schildhouders van 't Amsterdamsche wapen, dat boven de poort van 't Rasphuis stond, heette de binnenvader aldaar ‘Janvaêr in de twee klimmende Leeuwen.’

Onder een dergelijke voorstelling op een uithangbord stond:

 
* Dese Twee Leeuwen die hacken en klouwen
 
En dat voor 't huys van Nassouwen.

VI.

De Luipert hing hier vroeger meer uit dan thans: 't beest is uit de mode geraakt. Te Maastricht op de Groote Staat heeft nog een huis de Gekroonde Luipert in den gevel. Het strekte, met de Landskroon zijn gebuur, tot zetel der stedelijke administratie van het ‘Lage Gericht’, en waarschijnlijk namen er oudtijds de Prins-Bisschop van Luik en de Hertog van Brabant hun intrek.2)

Te Amsterdam vinden wij den naam - de Leupart - alleen nog maar aan het einde van den Oude-zijds-achterburgwal: een oude naam voor een nieuwen gevel, die in 1858 verbouwd is, wanneer ook deze naam een oude afbeelding vervangen heeft. - Betiteld als de Lybaert hing hij in de 16de eeuw op den Zeedijk uit3).

Het heraldische Paard komt ook zeldzaam voor. Op een gevelsteen te Dordrecht (C. No. 593) staat 't Napolitaanse Peerdt Anno 17144). Men herinnert zich hierbij het bijschrift van Vondel op Mas Anjello, die

 
Het kitteloorigh Paert van Napels holp aen 't hollen.

In en om Assendelft placht wel een rood bordje uit te hangen (misschien zijn ze er nog) met een wit paard beschilderd, en daaronder: Dit is in 't Waape van Assendelf. Den oorsprong daarvan verhaalt ons de geleerde kanonik van St. Augustinus te Stein bij Gouda, Guillelmus Hermanus Goudanus. Er is een tijd geweest, dat de Assendelvers nog nooit een paard gezien hadden. Nu gebeurde 't, dat een wit paard, niemand wist waar van daan, aan den dijk kwam gezwommen. 't Heele dorp raakte in allarm en vloog te wapen, en heeft met groote dapperheid dat onbekende beest gedood. En

[p. 393]

ter gedachtenis van dat feit voeren zij nog heden dat paard in hun wapen en hangen 't aan de herberg uit. - 't Staat ook nog boven in een gevel aan de Haringpakkerij.

De dubbele Adelaar komt nog dikwijls op gevelsteenen voor: ook voerde de brouwerij van Claes Hasselaer dien als uithangteeken. Men weet, dat die Adelaar 't familiewapen was der Hasselaers, en ook op 't ruiteschild onder 't portret van Kenau voorkomt in Arends ‘Geschiedenis des Vaderlands.’

Ook in Engeland pronkt menig boekdrukker, zoo wel als menig bierhuis, met den Dubbelen Adelaar. De vader van Milton, die van beroep makelaar was, had hem tot wapen en tot uithangteeken. 't Huis in Breadstreet Cheapside, waar hij uithing, en waar de dichter op 9 Dec. 1608 geboren werd, verging in den grooten brand van 1666, maar zijn naam is nog bewaard; want bij de plek waar 't stond vindt men Black-Spread-Eagle Court.

Toen in Januari 1506 Filips de Schoone de reis naar Kastiliën aanvaard had, noodzaakte een geweldige storm hem, in een Engelsche haven binnen te loopen. Diezelfde storm deed den koperen Arend van de spits der St. Pauluskerk te Londen omlaag tuimelen, en juist neêrkomen op een uithangbord, waar mede een Arend op geschilderd was: zoodat de eene Arend den anderen verpletterde: een voorval, waarin velen een ‘sonderlingh voorbeduytsel’ zagen en dat tot vele profetiën aanleiding gaf, die natuurlijk allen vervuld werden of nog zullen worden.

De Fransche Adelaar (l'Aigle d'or) hangt natuurlijk in Frankrijk op vele plaatsen uit; - maar zelfs heeft te Oudenaarde Belgische naäperij den Olifant in l'Aigle d'or veranderd1).

Ook de Klaauw van den Adelaar kwam als uithangteeken voor. Het had zijn oorsprong te danken aan de Kloveniers, die den Klaauw tot symbool van hun gilde gekozen hadden2); en menig schutter zal 't ook aan zijn huis of zijn fabriek uitgehangen hebben. Daarvan had vermoedelijk ook een Delftsche brouwerij in de 16de eeuw haar naam van de Klaeu gekregen, en, toen de brouwer een hofje stichtte, heette dit ook weêr het Klaeushofje. Later, toen de schuttersgilden verdwenen en kloveniers en klaauwen vergeten waren, noemde men de figuur den Arendspoot of den Vogelpoot, en die namen komen ook als geslachtsnamen voor.

Een Leidsche kok hing dien gelardeerd uit:

 
* In de Gelardeerde Vogelpoot.
 
Hij smaakt naar Wijn en Wittebroot.
[p. 394]

De Griffoenen kwamen bij vele geslachten als helmteeken en aan vele wapens als schildhouders voor, omdat men die beesten hield voor de sterkste - sterker dan acht leeuwen en dan honderd arenden. 't Monster wekte in hooge mate de belangstelling van natuur- en oudheidkundigen. De laatsten bewaarden de griffoen-eieren of klaauwen - die zij als kostbare kuriositeiten duur betaald hadden - met groote zorgvuldigheid: en de eersten verzekerden, dat een griffoen zonder groote moeite een grooten hengst of een paar ossen in zijn bek nam en er meê opvloog naar zijn nest. Zulk een beest was dus wel waard op een uithangbord voor te komen, vooral aan voorname herbergen of aan boekwinkels, in zulke steden, die een griffoen op haar wapenschild of (wat nog meer voorkomt) twee griffoenen tot schildhouders voerden. Dit laatste is 't geval met Dordrecht, en van daar hing ook in de 17de eeuw, bij den boekverkooper Jasper Gorisz, de Griffoen uit.

VII.

De Meerman en de Meermin verschenen zeer dikwijls op de uithangborden en gevelsteen en, zoo in Engeland als ten onzent. Half mensch, half visch, dobberende op de golven, heeft de Meerman een helm op 't hoofd, 't schild aan den arm, 't zwaard in de hand; terwijl 't wijfje een spiegel in de eene hand houdt en met de andere de lange haren kamt1).



illustratie

Men weet, dat de wijzen van vroeger eeuwen aan het bestaan dier wezens niet twijfelden, en dat de oude kronijken er verschillende merkwaardigheden van hebben opgedischt.

Eens - 't is heel lang geleden - kwam er een Meerwijf uit de Zuiderzee voor den mond der Vecht opduiken. Zij keek het dorp Muiden of Amuden eens aan, dat niet veel meer was dan een hoop houten huisjes, en waar toen juist een tolhuis gebouwd werd, omdat er nog al schepen doorvoeren, en deklameerde toen, zoo deftig of zij 't op 't Leidscheplein geleerd had:

 
Muden sal Muden bliven,
 
Muden sal nyet becliven.
[p. 395]

Wat het beteekende, begreep niemand; wat met deklamatiën wel meer het geval is: en, spreekt de tweede regel den eersten lijnrecht tegen, ook dat gebeurt meer in poëzy. Genoeg - Muiden voelde zich zoo verrast door dat bezoek, dat de schout onmiddellijk een fotografie liet maken van de Meermin, en deze naast het wapen zette, waar zij nog staat.

Maar nog treffender is het verhaal van de Edammer-Meermin, dat ons de geleerde Junius nagenoeg op de volgende wijze mededeelt:

't Is gebeurd ‘in 't Jaer nae Christi geboorte 1403’ - hoe jammer dat de juiste datum ontbreekt! - dat een zeer zware storm een Meermin met éénen ruk uit de Middellandsche in de Zuider-zee en met een tweeden ruk uit deze in 't Purmermeer gesmeten heeft. Natuurlijk had dit aan haar persoon en toilet geen goed gedaan; altans zij was er ‘seer vuyl ende ongaeylyck’ van geworden. Toen, 's anderen morgens, de boeremeiden de koeien kwamen melken, en die Waterjuffer zagen, was haar eerste beweging, op de loop te gaan, ‘meynende dat het een gespoeck was’; maar, na rijp beraad, begrepen zij, malkaâr te helpen om 't rare ding te vangen. Dat gelukte, en zij brachten de Meermin naar Edam, waar zij allereerst als een mensch heeft leeren eten. Daarna heeft Haarlem een ‘Legaetschap ghesonden’, verzoekende zich met de verdere educatie te mogen belasten. En daar heeft de Meermin 't zoo verre gebracht, dat ze niet alleen het spinnen, maar ook haar katechismus geleerd heeft, en als een kristenmensch gestorven en op 't kerkhof begraven is.

Nu wil Junius er wel geen eed op doen, dat het alles precies zoo gebeurd is, maar tegenspreken wil hij 't evenmin, en wel om twee zwaarwichtige redenen: 1o. om de gheloofweerdigheydt der Chronycken; 2o. omdat hij zich ‘teghen de ghedachtenisse door de vrouwkens van handt tot handt overghelevert, niet stellen en wil.’ - En zeer oneerbiedig zegt Ludolf Smids, hierop zinspelende: ‘die lust heeft aan oudewijveloopjes gaa naar Junius1). Immers, voor weinige jaren nog kon men op de (nu gesloopte) Purmerpoort te Edam het origineele konterfeitsel der Meermin binnen het verwulfsel zien, met het rijm er bij:

 
Dit beelt hier opgerecht tot een gedachtenis,
 
Wat in het Purmermeir voorheen gevangen is.
 
Anno 1403.

En men kon met Jack Cades buurman zeggen: the stones are alive to attest it.

Volgens Guicciardini2) is er ook eens een Meerman gevangen, en wel in

[p. 396]

't jaar 1530 in de Friesche zee, die vele jaren geleefd heeft, en die zelfs door de Raden van Holland en andere voorname lieden dikwijls bezocht is.

Maar bovendien, in 't begin der 17de eeuw is er te Londen weêr een Meermin te zien geweest, en in 1824 nogmaals, die, volgens de dagbladen reeds den eersten dag door meer dan 150 ‘distinguished fashionables’ bezocht werd; alleen wist men van dit tweede exemplaar niet of 't een mannetje of een wijfje was - ‘for the sex was discreetly left in dubio.’ Maar dat was niet dubieus bij de Meerminnen, die wij nog op de Botermarkt gezien hebben, met naauwkeurige aanduiding, door wien en waar zij gevangen waren. En dan nog dorsten ongeloovigen zeggen, dat die zoogenaamde meermeiden eenvoudig Amsterdamsche deernen waren, die met het onderlijf in een geschubde huid met een vischstaart gekropen waren, en zich 't bovenlijf met wat zeewater en wat kleursel hadden laten besmeren, en dat zij van 't zelfde allooi waren als de ‘Bokkeneezen’ en Nieuw-Zeelanders, die levende kippen verslonden, en de sterke vrouwen, die molensteenen aan haar haarvlechten tilden, welke allen ons door Duivelshoek of Vlooienburg geleverd werden, zoodat soms een kennis onder de toeschouwers ze met hun waren naam begroette.

Maar, dat alles nu ter zijde gelaten, van waar die figuren? Rietstap, waar hij in zijn ‘Handboek der Wapenkunde’ vertelt, dat de Meerman het mannetje is der Sirene, heeft zich blijkbaar hierin vergist, dat hij Sirene en Meermin voor woorden van gelijke beteekenis hield, wat, althans naar de beschrijving, die van beiden gegeven wordt, geenszins het geval is. - Bovendien, de Sirene behoort tot de mythologie, en al kende Horatius de ‘vrouw met den vischstaart’ reeds1) toch is de Meermin een heraldieke figuur, waarvan de voorstelling in naauw verband staat met die van den Meerman, - den Oud-Germaanschen Mereman.

Wat dezen betreft, zijn oorsprong is uit het noorden. Hij is de zeeridder, die, niet te land, maar ter zee uitgaat op avontuur, en 't schip dat hem over de baren voert, wordt, in de dichterlijke voorstelling, zijn staart. - De Meerminne of 't Meerwijf (in 't Eng. mermaid) is zijn minne, zijn liefje, in wier armen de zwerver komt uitrusten van zijn moeitevollen tocht. En daarom zijn de attributen der heraldieke Meermin spiegel en kam, met behulp waarvan zij zich opknapt om haar held te ontvangen.

In de middeleeuwen nu was de Mermynne een gewild uithangbord voor herbergen en kwam in de 15de eeuw ook voor als de naam van een Leuvensche brouwerij.

Een paar eeuwen later vinden wij: de Meermin, misschien om 't rijm alleen, bij een Arnhemschen tinnegieter:

[p. 397]
 
* Hier in de Meeremin
 
Giet men allerhande tin.

't Kan echter dezelfde zijn, die men reeds in een register van 1511 vermeld vindt. In een lijst van die Bruderen ende Susteren van Sunter Claes, die der zijn in den leven in der moeder Kercke t' Arnhem,’ komt o.a. voor zekere ‘Gueken in de Meermin.’1)

In 1557 werd een huis de Meermin te Antwerpen gekocht door Heylwich van Doornik, in de wandeling Heyl mitte huycke geheeten. Zij schijnt nog al vermaardheid gehad te hebben: immers niet alleen werd de Meermin ‘Heyl mitte huycke’ verdoopt; maar zelfs de straat kreeg er haar naam van. Twee-en-vijftig jaar later verkocht zij het huis weêr: zij schijnt dus een goeden ouderdom bereikt te hebben2).

Te Londen ging reeds in de 15de eeuw Sir John Howard zich met zijn vriend Nicholas Latimer in de Meermin in Breadstreet vermaken, als uit oude rekeningen blijkt. In die zelfde Meermin stichtte in 1603 Sir Walter Raleigh een letterkundige club, ongetwijfeld de eerste in Engeland, waarvan ook Shakspere, Ben Jonson en andere vlugge geesten leden waren.

Een andere beroemde Meermin was er in Cheapside, waar Jasper Mayne en, later, John Dryden ook verkeerden. Ook hing zij uit bij den boekdrukker John Rastall, den schoonbroeder van Sir Thomas More, in 1527 en bij Henry Binneman, drukker der koningin, in 15763).

VIII.

De Roos hangt voor een herberg te Vianen uit, als het wapenbeeld van den Graaf van der Lippe, aan wien weleer de Heerlijkheid heeft toebehoord.

Heraldieke Rozen en Leliën zijn nog op zeer veel gevelsteenen te vinden; dikwijls ziet men een van beiden op gelijkvormige gevelsteenen aan twee of meer huizen naast elkander, ten bewijze, dat die door één man gebouwd zijn.

Voor 30 of 40 jaren stond voor een winkelhuis in de Nieuwe-leliestraat, waar vroeger het Kruis had uitgehangen, een heraldiekelelie op 't uithangbord met dit rijm:

 
De Witte Lelie is mijn schild,
 
Een schild om op te roemen:
 
'k Heb veertig jaar het kruis gewild;
 
Maar nu kies ik de bloemen.
[p. 398]

Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementen de Geldersche Blom uit, die vroeger vrij algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutichem terug vindt.

Even als het Kruis op ontelbare wapenschilden voorkomt, zoo is het ook als uithangteeken van ouds zeer gewoon, wat zich uit verschillende oorzaken laat verklaren.

Waar twee landwegen elkaâr kruisten was het een geschikt punt om een herberg op te zetten; en men noemde daarom ook in scherts de herbergen kapelletjes, omdat deze ook 't meest aan de kruiswegen werden gevonden. Zeer natuurlijk gaf die kruisweg den waard aanleiding tot het uithangen van een Kruis, dat verguld of gekleurd werd, om al van verre in 't oog te vallen. Op zeker punt tusschen Dunchurch en Daventry snijden drie wegen elkander, en daar was weleer een herberg, die, met toepassing daarop, de Drie Kruisen had uithangen. Nu gebeurde 't, dat Deken Swift er aanlandde, en dewijl hij niet bijzonder zwierig gekleed was en toch veel drukte maakte om haastig geholpen te worden, duwde de waardin hem toe, dat zij haar klanten niet kon laten wachten voor ‘zoo een als hij.’ Onze Deken, die noch door geduld noch door bescheidenheid uitmuntte, schreef hierop dit puntdicht op 't glasraam:

Aan den Waard.
 
Op 't uithangbord prijken drie kruisen alhier;
 
Hang je wijf er nu bij, dan hebje d' er vier.

In dit geval dus had het Kruis betrekking tot de lokaliteit, en zoo vatte Huygens 't ook op, toen hij een goed predikant ‘een Tafel-waerd in 't Kruys’ noemde1).

Maar ook dankten vele Kruisen hun oorsprong aan 't wapen der plaats, van waar de herbergier of winkelier herkomstig was. Zoo b.v. hing wie van Trier of van Amersfoort kwam en zich elders nederzette, een rood, wie van Zwol kwam een wit en wie van Keulen kwam een zwart kruis uit. Dit laatste kwam te Groningen voor een huis in de Guldenstraat te hangen, waar voor honderd jaren de Akademiedrukker Hajo Spandaw woonde, en dat toen nog 't Oude Swarte Kruis genoemd werd.

Behalve de Vergulde, komen Roode, Witte en Zwarte kruisen 't meest voor; andere kleuren zijn zeldzaam. Te Mechelen vindt men een Bruine-kruische brug2); daar schijnt dus 't Bruine Kruis te hebben uitgehangen, dat wellicht oorspronkelijk rood, door tijdsverloop bruin geworden was, even zoo als het veld van menig Amsterdamsch wapen.

De Roode kruisen waren echter het talrijkst; waartoe mede heeft bijgedragen, dat zij het teeken der kruisvaarders waren. De herbergiers der

[p. 399]

middeleeuwen hingen ze uit tot aanwijzing voor de doortrekkende kruisvaarders; en deze, als zij den tocht naar 't Heilige Land gemaakt hadden en daar levenslang roem op droegen, zullen natuurlijk, als zij later een nering of handel begonnen, dat kruis voor hun gevel hebben vertoond.

Ook was het Roode Kruis het onderscheidingsteeken der Tempeliers, en, dewijl deze Ridders uitstekende drinkers waren, zoodat zelfs het ‘zuipen als een tempelier’ spreekwoordelijk werd, kon dit voor menigen waard een voldoende reden zijn om het uit te hangen.

Het Roode Kruis pronkte tevens op het schild van St. Joris, en zoo populair als deze was, moest ook zijn kruis wel zijn, en was dus voor den waard, die gaarne schutters tot zijnent zag, een geschikt uithangteeken.



illustratie

Overigens werden de kruisen op de uithangborden, even als op de wapenschilden, op allerlei wijzen vercierd, - gebloemd, gelelied, geankerd, enz. De nevensstaande afbeelding is gevolgd naar een teekening in een psalmboek der 14de eeuw. Nog kan men er een ander voorbeeld van vinden op een uithangbord in de Nes bij de Heremietensteeg - het Vergulde Kruis - dat door zijn vorm bewijst al vrij oud te zijn. Wij zullen in de beide volgende Boeken nog wel eens weêr op de Kruisen terug komen.

Ook het Dubbele Kruis hing enkele malen uit. In 't begin van de 17de eeuw had Delft twee brouwerijen van dien naam, d' eene op 't oude Delft, de andere achter de Kerk: ja al 100 jaar vroeger had men er het Dubbelde Kruys. Het beroemdste wapenkruis van dien

illustratie

vorm is dat van Hongarijen; maar 't komt ook in sommige stedewapens voor, als in dat van St. Omer en in dat van Iperen; en dewijl nu in de twee vorige eeuwen menschen uit alle landen zich hier kwamen nederzetten om hun beroep uit te oefenen laat zich de aanwezigheid dier kruisen lichtelijk verklaren.

't Borgondische Kruis behoefde hier door geen

illustratie

vreemdelingen gebracht te worden. 't Was inheemsch, al sedert de 15de eeuw. 't Roode ‘Borgoense cruys’ blonk in de vanen te velde, in de vlaggen op zee, en dat zoowel onder de Spaansche als onder de Borgondische Regeering, ja zelfs stelde Keizer Karel ter gelegenheid zijner verovering van Tunis in 1535, een Orde van 't Borgondisch Kruis in1). 't Was dus te dier tijde zoo populair als later 't Prinsenwapen; te meer nog, daar ieder 't in zijn eigen hand droeg en er goed

[p. 400]

of kwaad uit voorspellen liet; zoo zegt in Brederoos ‘Lucelle,’ Lecker-beetje tegen Pannetjevet:

 
En daar sie 'k in jou Borgoense Kruys
 
Dat gy met de jonge maets veel tijts loopt in 't Olykoeckshuys.

Van de uithangborden verdween 't echter meest na 't afwerpen van 't Spaansche juk. Slechts een enkel bleef er hier en daar over. Te Valkenburg vindt men nog een hôtel la Croix de Bourgogne, en soms vertoont een oude schier afgesleten steen u nog 't Borgoe Cruys.

't Jerusalems-kruis was, als heraldieke figuur, van de tijden der kruistochten af steeds in eere. Het voeren van dit kruis in het wapen

illustratie

werd beschouwd als een bewijs, dat men afstamde van een der tochtgenooten van Godfried van Bouillon. Ook voerden in de 15de en 16de eeuwen ‘die ridderlijcke broederschap van den Heyligen Lande’ en zelfs sommige Schuttersgilden dit kruis in 't blazoen1).

Als uithangteeken kon men het in de 16de en 17de eeuw zien aan een huis op den Oude-zijds-voor-burgwal tegenover 't Prinsenhof (het tegenwoordig stadhuis), welk huis een treurige vermaardheid kreeg door een gruwelijken moord, die aldaar werd gepleegd. In Maart 1581 n.l. vertoefde de Prins van Oranje te Amsterdam, en 's Prinsen bottelier had voor zijn vrouw een kamer gehuurd in 't genoemde Jerusalems Cruys, dat toen bewoond werd door zekeren Gerbrant Gerritsen en zijn dochter. Een lakenkooper uit Muiden, Pieter Martsz geheeten, die wel eens geld van Gerbrand geleend had en hem voor zeer rijk hield, nam voor, zich meester te maken van diens schat. In den voormiddag van Zondag 12 Maart vervoegde hij zich daar aan huis, wetende dat Gerbrant in de ‘Menniste Vermaning’ was, en had zich voorzien van een koevoet, een groot mes, en een zak om 't geld in te bergen - een en ander onder zijn mantel verborgen. Door de dochter binnengelaten op zijn verlangen om zijn boodschap aan haar vader op een briefje te schrijven, vermoordde hij eerst haar en toen de botteliersvrouw, die op 't gerucht was komen toeloopen, brak toen met zijn koevoet kisten en kassen open, vulde zijn zak met geld en kostbaarheden en verliet bedaard het huis, de deur achter zich toehalende, zoodat het bloedtooneel eerst ontdekt werd toen Gerbrant uit de Vermaning terugkeerde.

In 't eerst vielen de vermoedens op iemand van ‘'s Prinsen hofvolk,’ vermits juist de vrouw van een zijner dienaars het slachtoffer geworden was. Maar de moordenaar had zelf het bewijs zijner schuld achter gelaten -

[p. 401]

den koevoet namelijk, dien hij in een put achter 't huis geworpen had. Toen deze was gevonden, werden al de meesters van 't Smidsgilde voor de Heeren van den Gerechte ontboden en een hunner herkende den koevoet als zijn werk niet alleen, maar wist zelfs den man te noemen, aan wien hij dien geleverd had. De misdadiger kreeg dan ook het loon dat hij verdiende; doch, wat opmerking verdient is, dat de zaak, op 's Prinsen verlangen, behandeld werd door de Gekombineerde Gerechten van Amsterdam en Muiden, omdat de misdaad wel te Amsterdam begaan, doch de misdadiger te Muiden geäpprehendeerd was.

't Huis werd later een brouwerij, en een wandelaar in Breeroos Moortje spreekt er van:

 
Doe ginghen wy verby de brouwery van 't Jerusalems Kruys.

In 1656 eindelijk was er een R.K. kerk in 't gebouw gevestigd.

In sommige steden zijn de uithangteekens der logementen de heraldische figuren, die 't wapen der stad vercieren, b.v. de Burg te Alkmaar en de Posthoorn te Hoorn. Somtijds ook waren de wapenfiguren der stad geplaatst op het uithangteeken van 't logement. Boven de deur van het logement de Bel op den hoek van 't Haarlemmerplein stond een bel, en die was beladen met de drie kruisen van 't Amsterdamsche wapen.



illustratie

De Flesch is 't wapenbeeld van Vlissingen. Aan een huis op 't Beursplein, dat in 't laatst der vorige eeuw bewoond werd door Burgemeester de Cluyver, vindt men dezen gevelsteen, die uit het laatst der 16de eeuw dagteekent. Het onderschrift geeft te kennen, dat de flesch (Vlissingen) altijd trouw aan Nassau bevonden is, en immer goed en bloed voor hem zal veil hebben. - Twee eeuwen lang had deze steen, fraai met kleuren beschilderd, daar gepronkt, toen hij eerst aanstoot had van de Patriotten, die huis en steen met teer besmeerden, en vervolgens, in 1795, op last van het revolutionair Bewind moest worden weggenomen. De metselaar Heyblom bewaarde hem intusschen zorgvuldig en bracht hem in 1814 weder op zijn oude plaats terug: doch de kleuren waren verdwenen en de steen was en bleef effen graauw, totdat het bezoek, in 1862 door Koning Willem III aan Vlissingen gebracht, aanleiding gaf, hem op nieuw met oranje, groen, goud en bruin te vercieren1).

[p. 402]

De Ruit eindelijk is mede een heraldieke figuur. Zij hing in de 17de eeuw uit zoowel aan een Haarlemsche als een Delftsche brouwerij, van welke laatste de Ruitsbrug den naam ontleend heeft. Ook staat nog te 's Gravenhage op de Bierkade een gevelsteen met hetzelfde blazoen. De Ruit is op een wapenschild geplaatst, met een kroon daarboven, en rondom leest men de vroegere beteekenis: D' bierstekerij de Ruyt, en daaronder: Bier en Mol te koop. Waarschijnlijk had de biersteker zijn bier uit de Ruit te Delft en ook aan deze zijn blazoen ontleend, als meermalen geschiedde.

IX.

Men kent de aloude gewoonte om landen en steden voor te stellen door Maagden: men kent die van penningen en munten, van titelprenten en allegorische voorstellingen en van de schetsen in den Nederlandschen Spectator; men kent ze ook uit de gedichten, waarin ze bezongen en verheerlijkt werden, al ware 't maar uit den aanhef van den Vierden Zang van de Hollandsche Natie, dien gij reeds op school hebt leeren opdreunen:

 
Daar staat zij, Neêrlands Maagd, enz.

en die u op driehonderd regels is te staan gekomen, toen gij eens ondeugend genoeg waart, om bij 't declameeren dier woorden, met den vinger te wijzen op de smerige schoonmaakster, die juist boven kwam om monsieur zijn twaalf-uurtje te brengen. En de Amsterdamsche Maagd kent ge immers uit het vers van den ouden Heer Lodeesen, waar zij tegen Jan Six zeî:

 
Wrijfje oogen maar eens uit, 'k ben de Amsterdamsche Maagd1).

Welnu, die maagden hebben ook al de eer genoten, op uithangborden geschilderd te worden; twee vooral kwamen bijzonder in aanmerking, die van Dordrecht en die van Enkhuizen, waarbij wij, om 't klaverblad vol te maken, nog een derde kunnen voegen: de Maagd van Gent.

De Dortsche Maagd werd voorgesteld staande in den Hollandschen Tuin, met een gravekroon op 't hoofd, de vrijheidsspeer in de eene en het stads-wapenschild in de andere hand: zoo stond ze vroeger in haar eigen stad, met dit rijm:

 
* Hier in de Dortse Maagt. Graaf Diedriks waardste pant
 
Was door het Luikse heir en 't Keuls bijna vermant;
 
Doch zij behielt haar eer, schoon 't hem het leven kostte.
 
Noit krenkt men deze Maagt haar eer, die 't volk verloste.
[p. 403]

Dit ziet op de bekende gebeurtenissen van 't jaar 1049, die men in elke Geschiedenis des Vaderlands lezen kan en wij dus hier niet hebben na te vertellen.

Te Amsterdam werd de Dortsche Maagd ook gehuldigd, en wel met maaltijden. Zij stond omstreeks 1700 voor een gaarkeuken op 't Rok-in.

De Enkhuizer Maagd is een eenvoudige Juffer in 't wit gekleed, die 't wapen der stad aan een strik vasthoudt: nog verschijnt zij als tenant bij 't wapen. Men zag haar vroeger dikwijls voor de winkels van haringkoopers, omdat het wapenschild van Enkhuizen met drie haringen beladen is. Een Hoornsche haringman had er dit rijm bij laten maken:

 
* Hier in de zuivere Enkhuizer Maagt,
 
Die drie haringen in haār wapen draagt,
 
Verkoopt men haring met de tonnen,
 
Zo der niet veel gevangen is, zoo word er weinig gewonnen.

De voorkeur, die deze twee Maagden genoten, blijkt ook uit het ‘Winkel en luyfen Banquet,’ vermits zij, en geen andere, als uithangteeken genoemd worden. Naar de Enkhuizer Maagd was steeds een van 's lands oorlogschepen gedoopt, en in 1650 hielp zij mede Amsterdam van den zeekant bewaken.

De Maagd van Gent eindelijk zag men te Delft op de Groote Markt in een gevelsteen. Zij stond, met de vrijheidsspeer in de linkerhand, in een tuin, en daaronder: de Maagd van Gend. Natuurlijk had zij haar aanzijn daar aan een Gentenaar, die zich te Delft gevestigd had, te danken.

De Hollandsche Tuin is een zinnebeeld, dat in Holland oud en algemeen en ook daar buiten niet zeldzaam is. Vooral herbergen, tabakswinkels en scheepstimmerwerven pronkten er meê, en men zag 't ook, in gevelsteenen gehouwen, voor partikuliere huizen. De voorstelling was niet altijd dezelfde. Somtijds de Maagd, die in den Tuin zat, met den vrijheidshoed op 't hoofd en 't zwaard in de hand. Die voorstelling is al wel oud; men ziet die reeds op een penning van 1573, met het omschrift: libertas patriae. Somtijds heeft de Maagd een stormhoed op en draagt den vrijheidshoed op de speer; terwijl de Leeuw aan hare voeten ligt. In andere voorstellingen weêr ziet men alleen den Leeuw in den Tuin, de speer met den hoed in den eenen klaauw, en 't schild van Holland met den anderen vasthoudende, en zoo ziet men 't nog geschilderd boven de deur van een tabakswinkel in de Kalverstraat bij den Dam, met het onderschrift: Het Oude Wapen van Holland. Eindelijk ziet men ook nog den Leeuw met het zwaard en de pijlen, dus eigentlijk den Staten-leeuw, in den Tuin, gelijk op een gevelsteen op 't Cingel bij 't Kleêrveer. Dat deze voorstelling al vrij oud is, bewijst een penning van 1576.

In 1496 was er te Antwerpen een Hollandsche Tuin ‘Jan Lemsoenshuys’ bij de Veemarkt1), en in 1579 was te Amsterdam bij de Haarlem-

[p. 404]

merpoort (die toen stond waar nu de Nieuwe-Haarlemmersluis ligt) den Hollantschen Tuyn, waar ‘de edele ende voorsichtige Jan Vaderszoon’1) woonde, en in de 17de eeuw was er een vermakelijke herberg van dien naam in de Tweede-anjeliersdwarsstraat, waar de naam nog te lezen staat, en een logement op de Tesselschekaai. Maar ook 's Hertogenbosch had zijn Hollandschen Tuin, dien we in de Haarlemmer courant van 8 Juni 1688 vinden vermeld in een advertentie wegens den verkoop van landerijen: en nog heden kan men aan een logement, zoo te Alkmaar als te Zutfen op de Markt, den Hollandschen Tuin zien uithangen.

Op gevelsteenen kan men hem nog dikwijls vinden, o.a. te Dordrecht wijk B, no. 54, en voor een heerehuizinge te Vianen2): voorts op uithangborden van herbergen, als te Vlaardingen, te IJselmonde, te Loosdrecht, te Oostzaan, enz.: op scheepstimmerwerven, als op het Bickerseiland, enz. en op boerewagens3).

Maar als tegenhanger van al die Hollandsche, verschenen er ook andere Tuinen op de uithangteekens. Zoo is bijna twee eeuwen lang de Fransche Tuin in de Elandsstraat bekend geweest; elders Engelsche Tuinen, ja ook de Bremer Tuin, waarvan de naam nog boven een deurtje in de Koningsstraat te lezen staat.

't Zinnebeeld van den Tuin was dan ook niet uitsluitend Hollandsch.4) Behalve Gent, als wij zoo even zagen, had ook Iperen zijn tuin, waarvan men in een oud lied van den ‘Tuindag’ leest:

 
Aensiet de stadt van onder tot de kruyn,
 
't Schijnt als besloten in een stercken Thuyn.

Op 't Vrijthof te Maastricht vindt men, aan een gebouw uit den Spaanschen tijd, boven drie vensters, heraldische figuren, die aan Karel V herinneren. Boven het middelste den Rijksadelaar, en boven de beide anderen het devies van den Keizer: de zuilen van Herkules met de spreuk: PLVS OVLTRE op een banderol, en de Keizerskroon daarboven. Tusschen de vensters hebben weleer ook de borstbeelden van Karel V en Filips II gestaan, met opschriften, waarvan nog is overgebleven, - links: phs. archid. austrie, hispaniar. rex. - regts: ....A..C..VS.

Het gebouw heeft toebehoord aan het Kapittel van St. Servaas, en de overlevering zegt, dat de twee genoemde Vorsten er gelogeerd hebben5).

[p. 405]

Eindelijk, afbeeldingen van Ridderorden. Hier was het oudtijds die van 't Gulden-Vlies, die de eer genoot, te worden uitgehangen. Zij dankte die eer aan haren roem, en dien roem aan de voorrechten, die zij schonk. Te Amsterdam zag men het nog in 't midden der 17de eeuw op 't Rok-in tegenover de Oude-turfmarkt, gehouwen in een gevelsteen, die een oud, maar groot en schoon huis vercierde, dat van 1549 dagteekende. Jan Zoet noemde 't Gulden Vlies onder de kroegen der Floristen:

 
Piet Malmond liep by Frans, Joost Slegthoofd ging met Jorden,
 
Dan na de Basterdpijp, en dan na 't Gulden Vlies,
 
Of in de Gouwe Haan: 't was nummer gien verlies.

Even als in de 14de eeuw de Helm, was in de 16de het Gulden Vlies een uithangteeken van herbergen voor aanzienlijken, maar weldra werd het zeer algemeen, zoodat men geen stad vond, of 't had zijn Gulden Vlies, en soms meer dan een. In sommige steden, o.a. te Axel, vindt men 't nog, en te Alkmaar kan men het zelfs aan een boerenherberg in de Koestraat zien1). Te Delft vindt men het Ordeteeken boven een poortje in de Papensteeg uitgehouwen, dat van achteren toegang verleende tot het voormalig koffiehuis, later societeit, het Gulden Vlies. Ook te Maastricht is die ridderketen gebeiteld in den gevel van een huis in de Groote Staat, dat in ouden tijd tot lakenhal diende en in 1616 het eigendom was geworden van Adam Dries, die het tot onderpand stelde, bij gelegenheid, dat hij werd opgeroepen ter verantwoording als Directeur van de Munt, daar hij een menigte liards had laten slaan, die te licht bevonden werden, zoodat zij te 's Hertogenbosch, Antwerpen, enz. verboden werden en er te Maastricht een oproer door ontstond2).

In Engeland hing en hangt nog de Orde van den Kouseband uit. Al wie te Richmond geweest is, herinnert zich de Star and Garter - en de rekening van den waard. Een tabakswinkel op den hoek van 't Spui en de Spuistraat heeft de Eikenkroon, echter alleen den naam, geen afbeelding. De dekoratiën van de Militaire Willemsorde en den Nederlandschen Leeuw hangen bij Moussault in de Kalverstraat uit, doch hier als aanduidingen van 't beroep.