terug  begin  verderprepost
[p. 73]

Zevende hoofdstuk. Van de telwoorden.



illustratie

Aan de pink genaderd, krijgen wij de telwoorden, als om te kennen te geven, dat, om goed te tellen, men bij de pinken moet zijn.

De telwoorden dienen

1o.om een getal aan te duiden, als: een, twee, drie enz.
2o.om de rangorde der voorwerpen aan te duiden, als: de eerste, de tweede, de derde.

Er zijn zoo vele telwoorden als druppels in de zee, en dan kan men er altijd nog bijdoen.

Onder de getallen is nummer een het kleinste, en toch het voornaamste.

 
Van dat de wereld heeft bestaan,
 
Heeft ook bij iedereen
 
De gulden spreuk voorop gestaan:
 
Draag zorg voor nummer 1.
[p. 74]
 
Of wordt niet, waar men werkt en woelt,
 
In alle omstandigheên,
 
In de eerste plaats het heil bedoeld
 
Van 't dierbaar nummer 1.
 
 
 
De krijgsman moog vol heldenvuur
 
De kogels tegentreên,
 
Hij draagt, ook in het strijdensuur,
 
Graag zorg voor nummer 1.
 
 
 
De staatsman, die voor 's volks belang
 
Uitsluitend werkzaam scheen.
 
Volgt, och! te ras, den ouden gang,
 
En zorgt voor nummer 1.
 
 
 
De zendling voert naar 't Oosterstrand
 
Een riem traktaatjes heên;
 
Maar is er naauwlijks aangeland,
 
Of zorgt voor nummer 1.
 
 
 
Behoeft gij pleiter of doktoor,
 
De een houdt geleerde reên,
 
En de ander schrijft recepten voor,
 
Maar... 't is voor nummer 1.
 
 
 
Ook hij, die, spijt haar zoet gepraat,
 
Zijn lieve Magdaleen
 
Voor rijke Jezabel verlaat,
 
Hij zorgt voor nummer 1.
 
 
 
In 't kort, men zoeke waar men mag,
 
Geen stervling hier beneên,
 
Die uur op uur en dag op dag,
 
Niet zorgt voor nummer 1.
 
 
 
Dan 'k vrees, gij wordt mijn babblen moê:
 
Ik staak alzoo mijn reên.
 
Maar roep u, eer wij scheiden, toe;
 
Draag zorg voor nummer 1.

Intusschen, wie voor nummer een wil zorgen, zal ook op zijn tijd zijn toevlucht moeten nemen tot nummer nul.

[p. 75]

Er zijn, behalve de getallen, ook nog andere telwoorden, b.v. boer, vrouw, heer.

De telwoorden hebben geen meervoud, of liever, wanneer zij dat hebben, zijn het geen telwoorden meer, maar zelfstandige naamwoorden, b.v.

‘'t Is kwart voor achten.’

‘Zij zijn met hun zessen.’

‘Zijn er geen tweeën in dat spel?’

‘Er worden honderden bezwaren gemaakt.’

Peetoom. Hoe zitje in je klasse?

Neefje. De eerste, Peetoom.

P. Met je hoevelen ben jelui?

N. Met ons eenen, Peetoom.’

In de meeste spellen (als kaart-, dobbel- en dominospellen), verandert een van naam, en heet aas.

A.Wie is den Koning zelf de baas?
B.De Tweede Kamer. -

A. Neen. het aas.

Van de rangschikkende telwoorden, als: eerste, tweede, andere, laatste, zooveelste enz. zullen wij niet anders zeggen, dan dat zij, wel beschouwd, tot de bijvoegelijke naamwoorden kunnen gebracht worden, waar zij al de eigenschappen van hebben.

Onbepaalde telwoorden noemt men de zoodanige, die een onbepaalde hoeveelheid uitdrukken, als: al, geheel, elk, eenig, weinig, menig, wat, veel, velerlei, allerhande, en nog een paar honderd andere.

Aanm. Met de verdeeling der getallen in evene en onevene hebben wij hier niet te maken, aangezien die bij de cijferkunst t'huis behoort. Toch moge hier, verscheidenheidshalve, de navolgende sluitrede wel te pas gebracht worden:
Twee en drie zijn even en oneven. Twee en drie zijn vijf. Dus is vijf even en oneven.
prepostterug  begin  verder