
Een bijwoord is een woord, dat, gevoegd bij een werkwoord, een bijvoegelijk naamwoord, of een ander bijwoord, eenige bijzondere eigenschap daarvan aanwijst (waarom het dan ook aan den wijsvinger voorkomt), als: ‘zij kan geducht vloeken: zij is onverbeterlijk lui: zij is bijna altijd dronken.’
Enkele reizen komt het ook achter zelfstandige naamwoorden voor, als:
‘Ik zal dien bengel dáár eens om zijn ooren geven.’
‘Ik drink op de gezondheid van al de jonge dames hier ter stede.’
Zelfs speelt het bijwoord wel eens voor zelfstandig naamwoord en neemt een voorzetsel voor zich, als:
‘De dag van heden. - Hij is niet van van daag of gisteren.’
‘Zij zijn voor goed uit de stad.’
Bijwoorden zijn voor goed onverbuigbaar; maar zij hebben ook trappen van vergelijking, precies als de bijvoegelijke naamwoorden.
Er zijn machtig veel bijwoorden in 't Nederduitsch. Misschien overtreft hun getal nog dat der scheldwoorden.
Reeds alleen de klassen, waaronder zij kunnen gebracht worden, zijn talrijk en verscheiden. Zoo heeft men b.v.: bijwoorden van getal, van tijd, van hoeveel-, hoegroot- en hoedanigheid, van twijfel, van bevestiging, van ontkenning, enz. enz.
Van de beide laatste soorten levert de volgende samenspraak een paar voorbeelden op:
‘'t Is zuiver en warentig de waarheid, wat ik je vertel.’
- ‘Och kom, je dolt er maar meê: ik weet immers wel beter.’ -
‘Neen, ik zeg je, 't is warempeltjes gebeurd.’
- ‘Nou! en ikke hou vol, dattet jokkens zijne. -
Dat 's nietes.’
- ‘Dat 's alles.’ -
Met deze staaltjes moge de lezer zich te vrede stellen: wij hebben geen plan van onze spraakkunst een woordeboek te maken, en dat zou zij al licht worden, indien wij hem van elke klasse van bijwoorden op gelijke wijze een paar voorbeelden wilden geven. Wij gaan dus, met zijn verlof, tot een ander rededeel over.