
Voorzetsels dienen om de betrekking aan te duiden van 't eene woord op 't andere.
‘Hij is van de wal in de sloot geraakt.’
Eigentlijke voorzetsels, die namelijk voor het woord staan dat zij regeeren, hebben wij niet meer dan zeven-en-twintig, t.w.
Aan, achter, behalve, binnen, boven, buiten, bij, door, in, jegens, langs, met, na, naar, naast, nevens, om, onder, op, over, sedert, tegen, tot, tusschen, uit, van, voor, en hun samenstellingen, als: nabij, rondom, omstreeks, omtrent, tegenover, voorbij, enz.
Bij deze voegen de Rotterdamsche dichters er nog een, dat hun uit Londen, waar Rotterdam zoo wat half en half een voorstad van is, is overgewaaid, t.w. rond, en zeggen b.v.
‘Zij zitten rond de tafel,’ voor: ‘zij zitten om de tafel.’
De voorzetsels hebben tegenwoordig een akkusatief achter zich: vroeger ook nog een genitief en datief, wat nog blijkt
in uitdrukkingen als binnen 's lands, buiten-dijks, in en van den bloede, met ter (voor der) tijd, ter (voor tot der) kerk, uit dien hoofde, ten (voor tot den) huize, enz.
Aanm. Te schrijven ten zijnen behoeve, ter mijner verontschuldiging enz. is 't zelfde als dat men schreef: tot den zijnen behoeve, tot der mijner verontschuldiging. Onthoud u van zulk dagbladen-Nederduitsch, lieve lezer, en schrijf te zijnen, te mijner enz.
Enkele voorzetsels worden wel als bijwoorden gebezigd, b.v.:
‘Met zulk heidensch weêr is 't beter binnen dan buiten te zijn.’
‘Behalve ik gaat niemand de deur uit.’
Dit uit in 't laatste voorbeeld staat aan 't slot, en daaruit zou al licht iemand afleiden, dat voorzetsels nu en dan achter aan kwamen. Maar hier heeft men op te letten, dat uit niet op zich zelf staat, maar bij het voorafstaande gaat behoort.
Voorzetsels, met een werkwoord verbonden, zijn, in vele gevallen, door alle tijden heen daarvan onafscheidbaar. Als b.v. in
| doorgronden: | ik doorgrond: | ik heb doorgrond. |
| overdekken: | ik overdek: | ik heb overdekt. |
| wederstaan: | ik wedersta: | ik heb wederstaan. |
In andere gevallen daar-en-tegen doen, wanneer het werkwoord verbogen wordt, de voorzetsels afstand van hun eereplaats en begeven zich naar 't slot van den zin, even als de koetsiers, die, wanneer 't rijtuig wordt uitgespannen, hun zetel voorop verlaten en achter tafel gaan dienen. Zoo is 't b.v. gelegen met
| aankleeden: | ik kleed aan. |
| doordansen: | zij danst door. |
| overhellen: | het dak helt over. |
Somwijlen wordt hetzelfde voorzetsel bij hetzelfde werkwoord onverschillig scheidbaar of onscheidbaar gebezigd, als in
| aanbidden: | ik bad haar aan, | en: ik aanbad haar. |
| overkomen: | wat komt u over, | en: wat overkomt u? |
Maar enkelde reizen ook met verschil van beteekenis, als:
Overwegen: ‘ik overweeg of ik aan uw verzoek zal voldoen,’ - en: ‘ik vertrouw den slager niet: weeg dat vleesch nog eens over.’
Wanneer men, in de plaats van voorzetsels, bijwoorden, als af, hoog, rond, toe, enz. met werkwoorden samenstelt worden die altijd scheidbaar, als b.v. in
| afzetten: | zet af! |
| ophoepelen: | zij hoepelt op. |
| toeknijpen: | hij knijpt de oogen toe. |
Partikels echter (dat zijn rededeeltjes, die op zich zelve niets beteekenen), als: be, ge, mis, ont, ver, wan, blijven altijd onafscheidelijk aan 't werkwoord verbonden als:
| begeeren: | ik begeer. |
| ontloopen: | ik ontliep. |
| mistrouwen: | ik mistrouwde. |
- ‘Mis! mis! - men kan immers ook zeggen: “ik trouw mis,” als ik namelijk de verkeerde bruid aan den verkeerden bruigom uittrouw?’
UEd. is zelf mis; - want in dat geval is mis geen partikeltje; maar een bijwoord, en het tegenovergestelde van raak.
Nu! die is ook raak! - Zoo gaat het, als men 't beter wil weten dan de meester.
Voor tegen hoort men dikwijls zeggen teugens, zoo als b.v. in 't bekende voorval van den policie-agent met den ambulanten zuurhandelaar, dat onze teekenaar, die het gelukkigerwijze met eigen oogen heeft zien gebeuren, hiernevens naar het leven teruggeeft, en waarop een onzer meest populaire dichters terstond een distichon heeft gepast.

Weetje wel, meneer de agent, Dat je zelvers handelt teugens 't reglement?