terug  begin  verderprepost
[p. 98]

Elfde hoofdstuk. Van de voegwoorden.



illustratie

De voegwoorden vinden hun natuurlijke plaats aan den ringvinger: 't zijn de gom-elastieke ringetjes, dienende om woorden of zinnen aan elkander te verbinden: of, beter gezegd, 't zijn de Officieren van den Burgerlijken Stand, die samenvoegen of scheiden wat samengevoegd of gescheiden wil zijn.

Behalve het staaltje van ‘vermakelijke samenvoeging’, dat op het prentje hierover is afgebeeld, mogen de navolgende voorbeelden volstaan:

‘Piet en Jan leven rustig en te vrede, om dat zij eenloopende gezellen zijn.’

‘Wij betalen minder voor ons brood; maar des te meer voor het equivalent.’

‘Als afschaffer preêkt de heer A. tegen den jenever; doch als staatsdienaar en in 't belang der schatkist verheugt hij zich, als er braaf jenever gedronken wordt.’

[p. 99]



illustratie

Voegwoorden heeft men wel eens ‘de haken en oogen der taal’ genoemd; doch, even als van andere haken en oogen, maakt men er niet zelden een verkeerd gebruik van. Ten voorbeelde strekke de navolgende redeneering:

Als het jaar bestaat uit 365 dagen 6 uren en Januari 31 dagen heeft, dan is noodwendig de betrekking tusschen de theorie van het licht en de laatste uitgave van Bilderdijks werken geheel veranderd: immers zoo de haantjes 's morgens te vroeg kraaien, knijpt de kat ze in 't donker, nademaal er 10 palmen op een el gaan en het in 't algemeen, ook door de tegenvoeters, erkend wordt, dat oorlog de dwaasheid is van velen ten voordeele van enkelen; derhalve had Newton zoo groot ongelijk niet, toen hij de verbrandbaarheid van het diamant beweerde.’

prepostterug  begin  verder