
Tusschenwerpsels zijn woorden, die zich om den zin, waar zij in voorkomen, zoo weinig bekommeren als een diender - ik meen, een agent - om het standje, dat in zijn nabijheid voorvalt. Zij dienen
1o. Om de eene of andere gemoedsaandoening uit te drukken, als b.v.: o! - ha! - ach! - herrejec! - foei!
2o. Om iemand te roepen of af te wijzen, als · hei! pst! kom! weg! mars! vort! kschtt!
3o. Om iemand te waarschuwen, aan te moedigen, te prij zen, te laken, enz. als: zie! kieroo! van onderen! bravo! ajakkes! ss-s!
4o. Om, nutteloos, leven te maken, als: trallala! hopsasa! Iö vivat! Hosse, hosse, hosse!
5o. Nergens toe, als: sakkerloot! gossiemijn, slapperdemallemostert!
Aanm. Onder de ommestaande tusschenwerpsels zijn er vermoedelijk enkele, waarop de aandacht van verheven geniën zich nimmer gevestigd heeft, en die daardoor op het gebied der taalkunde onbekend zijn gebleven. Misschien vordert men van ons eenige verontschuldiging over het opnemen daarvan te dezer plaatse; maar wij achten het onnoodig aan zoodanige vordering te voldoen. Indien het opnemen verwondering baart, het weglaten zou ons den blaam van onvolledigheid hebben op den hals gehaald. Kunnen die woordjes hun aanspraak op vermelding niet ontleenen aan Pieterson of Weiland, toch waren zij, reeds in de dagen dier geleerden, sedert lang door de volksstem geijkt: en even als leemten der wettelijke voorschriften door overoude gewoonten worden aangevuld, zoo kan ook datgeen, wat door geen schoolmeesterlijk gezag is erkend geworden, zijn recht op bestaan ontleenen aan bestendig gebruik.
Waarom de tusschenwerpsels aldus genoemd zijn, verklaren wij niet te weten; immers zij staan zelden of nooit tusschen de overige woorden van den zin, maar bijna altijd daarnevens (even als de pink nevens de overige vingers) en wel doorgaans voorop, als de straks genoemde agent voor een lijkstaatsie, b.v.
‘Wel! wat zegje?’
‘Och! wat maalje?’
‘Kom! assieblief!’
‘Ai! wat doeje me zeer.’
Van de tusschenwerpsels mag men zeggen, dat zij doorgaans zoo welsprekend zijn als een geheele volzin, ja welsprekender.
Hei! - door den man, die de kar met ijzeren staven voortduwt, op zijn pas, en bij herhaling, geüit, wil zoo veel zeggen als: ‘maak dat je uit de voeten komt, as je geen senie het, om tot gruizelementen gereën te worden.’
Hm!, als antwoord op een lang betoog, dat gehouden was met het doel om te verzoeken, te bewegen, te overtuigen, enz. sluit in zich: ‘ik heb met aandacht geluisterd naar hetgeen mijn heer mij de eer aandeed mij te zeggen: ik gevoel het gewicht zijner redeneering, en, ofschoon ik nog volstrekt niet bepalen kan wat mijn eindbesluit wezen zal, geef ik mijn-
heer de verzekering, dat ik de zaak in ernstige overweging zal nemen.’
Ei! gericht tot hem, die ons zoo even een merkwaardig nieuws verteld, of een plan heeft voorgelegd, waar (volgens hem) schatten meê te verdienen zijn, mids wij beginnen met hem eenige papiertjes voor te tellen van ƒ 1000, waarvan de rente in de eerste jaren wel nihil, maar later des te ruimer wezen zal - kan uitgeleid worden: ‘'t is heel aardig,’ of: 't is heel aanlokkelijk; maar je zult mij toch voor zoo dom niet houen, dat ik mij knollen voor citroenen in de handen laat stoppen? Ik zie al, 't is met jou: “boer pas op je ganzen” en ik heb wel zeer de eer je onderdanige dienaar te zijn.
Nu zijn wij de tien vingers rond geweest, Hoezee!
Aanm. Bij het slaken van dezen uitroep kunnen wij niet nulaten lucht te geven aan onze verbazing over de uitlegging, welke Prof. Brill geeft aan dat woord hoezee, of, gelijk men 't vroeger schreef en de oude zeelui 't nog uitgalmen: houzee! 't Was, dunkt ons, voor een Hollander, ook al was hij geen zeeman, verstaanbaar en verklaarbaar genoeg. Maar het druk eu vlijtig bestudeeren van vreemde talen, zoo 't zijn voordeelen heeft; brengt ook zijn nadeelen mede, en maakt somwijlen, dat men ver af zoekt wat men t'huis kon vinden, of dat de boomen beletten het bosch te zien. Zoo schijnt ons hou-zee aan den geleerden schrijver een andere uitspraak van het Hoogduitsch Juchha! 't Lijkt er zeker net even veel op als bloemkool op amandelstrik.
Deze bescheidene aanmerking dient meteen tot geleidelijken overgang naar het volgende hoofdstuk.