terug  begin  verderprepost

Regel I.

Een gezegde of werkwoord moet met zijn onderwerp of nominatief in getal en geslacht overeenkomen, als: ‘ik hoor, dat gij te Haarlem zijt geweest. - Een aap snatert, Franschen snappen.’

Meermalen echter veroorloven de lieden zich vrijheden met dezen regel, als: ‘Zij heb het niet gezeid. - Ik ben zeker dat je 't niet doen kan. - Ik zijn met me moeder na de Meer geweest.’

De onbepaalde wijs van 't werkwoord wordt niet zelden als zelfstandig naamwoord gebezigd. Zoo levert b.v. ‘Mietje

[p. 113]

te eischen tot vrouw is onbeleefd, als je met haar tot vrouw te verzoeken even ver komt,’ uit een taalkundig oogpunt beschouwd een zeer goeden en stellig een meer gezonden zin op dan: ‘Mietje Tijssen is onbeleefd, als je’ enz.

 
Te slentren langs de straten,
 
Naar d' eersten smaak gekleed,
 
Van alles meê te praten,
 
Ook waar gij niets van weet;
 
Uw gastvrouw, onder 't eten
 
Te zeggen, dat haar meid
 
Volstrekt niet schijnt te weten
 
Hoe koolsoep wordt bereid:
 
Met zwier somtijds te vloeken,
 
Maar - enkel op zijn Fransch,
 
En nimmer andre boeken
 
Te lezen dan romans,
 
Naar de opera te springen
 
En steeds, door luid gepraat,
 
Te zorgen, dat van 't zingen
 
Geen stervling iets verstaat;
 
De dames de lorgneeren
 
Uit stalle of hoek-balkon,
 
Doet u door elk vereeren
 
Als een charmant garçon.

Ziedaar voorbeelden genoeg van werkwoorden, die als zelfstandige naamwoorden gebruikt worden.

Alle werkwoorden, behalve alleen in de onbepaalde wijs, vorderen een nominatief bij zich, die of uitgedrukt of er bij gedacht wordt. Zoo staat b.v., in 't oude liedje:

 
Geef een aalmoes aan den blindé,

voor: ‘geef gij een aalmoes’ enz.

 
Hoop 't hier namaals weêr te vindé,

voor: ‘hoop gij.’

 
Drink met mij op uw bemindé. -
 
Zeg mij eerst, waar ik haar vindé,

voor: ‘drink gij, zeg gij.’

In 't kort, men kan geen liedjeszanger iets uit zijn voor-

[p. 114]

raad hooren opdreunen, zonder voorbeelden van den hier aangehaalden regel te vernemen.

Dat die regel somtijds overschreden wordt, daarvan levert de navolgende plaats uit de oude en welbekende romance van den vrouwelijken matroos het bewijs.

illustratie
En toen de kaptein het hoorden
Al uit haar eigen woorden,
Prees wat zij had bestaan.


waar de Syntaxis vereischt zou hebben: ‘prees hij.’

Maar vooral is dat weglaten van het onderwerp, en alzoo van het voornaamste rededeel, opmerkelijk in koopmansbrieven:

Hebben uwe geëerde van 13 passato wel ontvangen, en UEd. orders voor een lading guano vernomen: zullen niet mankeeren daaraan te voldoen: hopen UEd. ons met meer kommissies zult gelieven te vereeren, waartoe ons bij voortduring aanbevelen’ enz.

[p. 115]

Uit dit staaltje van koopmans-Nederduitsch ('t welk wij vergeten hebben onder de soorten te tellen, op blz. 3 en volgg. opgegeven) blijkt, dat daarin, behalve de nominatieven der 1e persoon, ook nog de onmisbare verbindingen der zinsneden worden weggelaten: immers tusschen hopen en UEd. had noodwendig dat behooren te staan. Wij hadden vroeger gemeend, dat dit kortwieken der volzinnen het gevolg was van onkunde of van zorgeloosheid; gelukkig hebben wij hierin beter licht gekregen, ten gevolge van de verzekering, ons door een voornaam handelaar gegeven, dat aan die taalverminking voor een groot deel de aanzienlijke fortuinen waren toe te schrijven, in Holland gemaakt. Door het weglaten toch van nominatieven en voegwoorden werd inkt bespaard, die geld kostte, en tijd, die ook als geld beschouwd kan worden; ja volgens berekening van gezegden handelaar mocht de som, die op die wijze werd uitgezuinigd - vooral wanneer men er bij in acht nam, geen puntje op i of ij te zetten, voor sommige kantoren op 60 à 70 duizend gulden geschat worden. - Indien deze narichten juist zijn, kan men er het navolgende uit leeren:

1o. dat een koopman, met barbaarsch Hollandsch te schrijven, meer verdient dan een spraakkunstenaar, met zuiver Hollandsch te schrijven.

2o. dat de kooplieden dwaas hebben gehandeld door op een zoo schoonen weg te blijven stilstaan en zich tot het weglaten van onderwerpen en verbindingswoorden te bepalen. 't Is waar, in den aanhef van den straks aangehaalden brief is ook het voorwerp (letteren) in de pen gebleven; maar waarom ook niet dat overtollige geëerde? Was UEd. niet duidelijk genoeg? en hadden, verder op, niet mankeeren en gelieven kunnen wegblijven? - Door op die wijze het dubbele van de nu bespaarde tijd en inkt uit te winnen, hadden de besproken kooplieden, in plaats van 60 à 70/m. gewis 120 à 140/m.

[p. 116]

verdiend. - Maar och! onze kooplui zijn geen lieden van vooruitgang en blijven steeds bij den ouden slendriaan.

Dan 't is tijd, van deze staathuishoudkundige beschouwingen tot de bloot spraakkunstige terug te keeren.

Even als ieder werkwoord of gezegde een nominatief of onderwerp, moet omgekeerd ieder nominatief een werkwoord bij zich hebben, 't zij uitgedrukt, 't zij er bij begrepen. B.v. als de meester vraagt:

‘Wie weet het?’

Antwoorden de jongens (ik hoop, allen):

Ik! of (meer gewoonlijk) Ikke! voor: ‘ik weet het.’

Aanm. Op de meeste scholen laten de leerlingen, de oude Hollandsche zuinigheid der kooplieden navolgende, ook dat ikke weg, en vergenoegen zich, den vinger op te steken.

Wanneer een werkwoord tusschen twee zelfstandige naamwoorden staat, die beiden als onderwerp kunnen beschouwd worden, mag men het zoo goed met het een als met het ander laten overeenkomen. Zoo b.v. ‘100 cents zijn (of is) een gulden. Twee menschen zijn (of is) een paar. - Vlooien zijn (of is) een plaag.’

prepostterug  begin  verder