terug  begin  verderprepost

Regel II.

Twee of meer woorden in 't enkelvoud, verbonden door een voegwoord, dat uitgedrukt of ondersteld wordt, zijn gelijk aan een meervoud, en vorderen dus bij zich bijvoegelijke naamwoorden, voornaamwoorden en werkwoorden in 't meervoud, b.v.

 
Willem, Piet en Klaar
 
Zaten bij elkaér.
 
 
 
De koekkoek en de sijs
 
Zingen nooit een wijs.
[p. 117]

De koek en het printeboek, die mij op mijn verjaardag gegeven zijn.’

Een hoed zonder bol, een verschoten rok, vaal op de naden en met gaten in de ellebogen, een broek, op vele plaatsen met jammerlijke winkelhaken en lappen voorzien, en een paar laarzen, die een voddekrabber 't ophalen naauwlijks waardig zou gekeurd hebben, kenmerkten hem als iemand, die betere dagen gezien had.’

Het bewijs, dat de hier opgegeven regel niet altijd strikt in acht genomen wordt, levert ons het navolgende versje, aan een bekend schoolboek ontleend:

 
Aardappels en brij,
 
Met gezondheid er bij,
 
Baart vreugde en geluk;
 
Maar taarten en wijn,
 
Met ziekten en pijn,
 
Baart

zeker ‘misselijkheid,’ of ‘walging?’ Neen: deze keer, om 't rijm:

 
kommer en druk.

prepostterug  begin  verder