terug  begin  verderprepost

Regel III.

Wanneer een afscheidend voegwoord tusschen twee naamwoorden in 't enkelvoud geplaatst wordt, staan werkwoord, bijvoegelijk naamwoord en voornaamwoord in 't enkelvoud, om dat het dan op elk der beide naamwoorden in 't bijzonder slaat. Zoo b.v.: ‘een verstopping in 't hoofd noch een zeer hoofd strekt tot aanbeveling voor iemand, die uit vrijen gaat.’ - ‘Jan of Piet dient de boodschap te doen.’

Wanneer het afscheidend voegwoord staat tusschen zelfstandige naamwoorden of voornaamwoorden van verschillende personen, komt het werkwoord - overeenkomstig de oude

[p. 118]

leer: ‘beter een dichte buur dan een verre vriend,’ met het dichtst bijstaande overeen, als:

Moeder of ik heb er schuld aan.’

Heeft Mietje of jij dat pruimetaartje opgesnoept?’

Staat een van die naam- of voornaamwoorden in 't meervoud, dan doet het werkwoord even als alle ‘bedaarde’ lieden in een vergadering, en voegt zich bij de meerderheid, b.v.:

‘De vochtigheid of de muizen hebben het behangsel bedorven.’

prepostterug  begin  verder