Bijvoegelijke naamwoorden en voornaamwoorden behooren altijd tot het een of ander uitgedrukt of verzwegen zelfstandig naamwoord, als b.v.: ‘Jan Klaassen is een beginsellooze, hoewel een zeer vermakelijke personaadje. - De kleine dieven hangt men op, de groote dieven laat men loopen.’
Aanm. Dit spreekwoord kan vroeger waar zijn geweest; thans is 't een groote leugen: verre van de kleine dieven te hangen, legt men buitenplaatsen voor hen aan, en maakt men het hun zoo confortable en smakelijk, dat het vak een bepaalde tak van nijverheid is geworden.
De hierboven gestelde regel heeft meermalen een uitzonde-
ring, waar het aanwijzende voornaamwoorden geldt. Zoo is b.v.
‘Wiens pop is dat?’
beter Hollandsch, dan: ‘wiens pop is deze; deze is de slang’ enz.
Bijvoegelijke naamwoorden, deelwoorden en voornaamwoorden gelden, wanneer zij op zich zelve staan, voor zelfstandige naamwoorden, b.v.: ‘De dwaze zegt: ik geef om geen spraakkunst. - De rijken handelen naar plicht, wanneer zij zich eenige exemplaren van dit werk aanschaffen ter uitdeeling aan de lieve kleinen of aan minvermogenden. - De meesten praten veel; slechts weinigen handelen.’
Voornaamwoorden, de plaats van lidwoorden vervangende, komen, even als deze, met de zelfstandige naamwoorden in geslacht, getal en naamval overeen, als: Dit huis, deze huizen. - Met dien verstande. - Onze dienstmeid. - Mijns vaders boek.