terug  begin  verderprepost

Regel XI.

Bedrijvende werkwoorden beheerschen het voorwerp in den akkusatief, als:

‘Ik kuste haar. - Zij krabde mij.’

‘De deugd beloont hen, die haar beminnen.’

Hierin staat de deugd gelijk met de keukenmeid.

Behalve den akkusatief hebben zij ook nog bij wijlen een datief achter zich, die zich dan tusschen 't werkwoord en 't voorwerp indringt.

‘Ik gaf hem een oorvijg.’

Aanm. Wat deed hij er ook tusschen te komen?

Onzijdige werkwoorden doen als onzijdige Mogendheden en moeien hun buren niet. Zij regeeren geen naamval, maar staan op zich zelve, als: ‘ik loop, ik slaap, ik lach.’

In volzinnen als: ‘ik heb den geheelen dag geloopen; je hebt nog maar een uurtje geslapen’, zijn den geheelen dag en een uurtje te beschouwen als bijwoordelijke uitdrukkingen.

Maar, als ik nu zeg: ‘ik heb mij een bochel gelachen.’ - Wat dan?

Vooreerst, moet gij dat niet zeggen, om dat het 1o. niet waar, en 2o. een zeer platte uitdrukking is.

NB. Eens liet een zeer elegante vrouw zich die bij ongeluk ontvallen, terwijl zij in gesprek was met een heer, wiens schouder werkelijk wat al te hoog was uitgevallen. Even beleefd als gevat haastte hij zich, haar toe te voegen: ‘Mevrouw, 't is mij bijzonder aangenaam, iets met u gemeens te hebben.’
[p. 125]

Ten anderen is, in het aangehaalde voorbeeld, lachen geen onzijdig werkwoord meer, maar een bedrijvend, en beteekent niet louter meer de onschuldige en gezonde beweging der lachspieren, welke wij er anders onder verstaan, maar: ‘door lachen te weeg brengen, doen ontstaan.’

Het onpersoonlijk werkwoord heeft noch onderwerp noch voorwerp en staat geheel op zich zelf, b.v.: ‘het regent, het sneeuwt.’

Men zegt wel is waar: ‘het regende baksteenen,’ of: ‘weldaden.’ - ‘Het hagelde korrels als duiveneieren;’ - doch wanneer zoodanige zeldzame en wonderbaarlijke voorvallen plaats hebben, die geheel van den gewonen loop der dingen afwijken, mag men zich ook wel een kleine afwijking van de gewone taalwetten veroorloven.

prepostterug  begin  verder