terug  begin  verderprepost

Regel XII.

Een werkwoord beheerscht bij wijlen een ander werkwoord, dat alsdan in de onbepaalde wijs staat, dikwijls met het stopwoord te voor zich, als:

 Met te.

Ik raad u, u te scheren.

Ik beval hem, te vertrekken.

 Zonder te.

Ik hoorde het kind balken.

Ik zag je dien zakdoek rollen, vriendje! kom maar meê! of zoû je 't nog durreven ontkennen?

Aanm. Vele fatsoendelijke lieden (en zelfs sommige voorzangers) schrijven in dat geval: ‘durven te ontkennen.’ Wacht u, lezer, voor dergelijke platheid.

Sommige zelfstandige en bijvoegelijke naamwoorden regee-

[p. 126]

ren nu en dan een onbepaalde wijs, als in de volgende samenspraak:

- ‘Juffrouw Leentje, mag ik zoo gelukkig zijn, de navolgende polka met u te dansen? - Wel mijn Heer! het zou onheusch zijn, zulk een vriendelijk aanbod af te slaan. - De laatste keer was er geen gelegenheid, een oogenblik met u te spreken. - Ja, mijn vader was toen ook zoo verlangend naar huis te gaan.’

Aanm. Podding-Nederlandsch is het, te schrijven: ‘Ik ben nieuwsgierig om te weten. - Het is tijd om (of nog erger: van) te vertrekken. - Hij loopt gevaar om (of van) te verdrinken:’ - al hetwelk geen Nederlandsch, maar vertaald Fransch is.
Wel zegt men zeer goed: ‘in plaats van,’ of: ‘op 't punt van te komen:’ om dat daar in plaats van, op 't punt van, bijwoordelijke uitdrukkingen zijn.

prepostterug  begin  verder