terug  begin  verderprepost

Regel XV.

Bijwoorden plaatst men gemeenlijk vóór bijvoegelijke naamwoorden, achter werkwoorden en tusschen het hulpwerkwoord en het werkwoord, b.v.

- ‘De man, die 't woord zou voeren, trad op; maar hij was krimineel dronken: hij kon naauwlijks op zijn beenen staan, stotterde gedurig en werd ongeduldig aangehoord.’

‘Zij is smaakvol gekleed.’

‘Het oog der ijverzucht ziet bijzonder scherp.’

De Fransche markies is een bevallig mensch: hij danste

[p. 128]

netjes, scheen onvermoeibaar en werd algemeen door de aanwezige dames bewonderd.



illustratie
De Fransche markies.

Nu en dan hoort men bijwoorden bezigen, die, als van latere fabriek, in geen woordeboeken zijn opgenomen, als:

‘Zij is afgedriedokterd leelijk.’

‘Wat is zij merriebel gekleed!’

prepostterug  begin  verder