Bijwoorden plaatst men gemeenlijk vóór bijvoegelijke naamwoorden, achter werkwoorden en tusschen het hulpwerkwoord en het werkwoord, b.v.
- ‘De man, die 't woord zou voeren, trad op; maar hij was krimineel dronken: hij kon naauwlijks op zijn beenen staan, stotterde gedurig en werd ongeduldig aangehoord.’
‘Zij is smaakvol gekleed.’
‘Het oog der ijverzucht ziet bijzonder scherp.’
De Fransche markies is een bevallig mensch: hij danste
netjes, scheen onvermoeibaar en werd algemeen door de aanwezige dames bewonderd.

De Fransche markies.
Nu en dan hoort men bijwoorden bezigen, die, als van latere fabriek, in geen woordeboeken zijn opgenomen, als:
‘Zij is afgedriedokterd leelijk.’
‘Wat is zij merriebel gekleed!’