Het weglaten van een of meer woorden (de ellipsis) is zeer gewoon en gepast, ter vermijding van verveelende herhalingen. In plaats van te zeggen: ‘zij was een klein vrouwtje, zij was een schraal vrouwtje, zij was een oud vrouwtje,’ wenden wij de ellipsis aan en zeggen: ‘zij was een klein, schraal, oud vrouwtje.’
Wanneer echter de ellipsis duisterheid geeft ann den zin, dien verlamt, of een taalregel schendt, is zij ongeöorloofd. Het is alzoo verkeerd te zeggen: ‘worsten stoppen die ze stoppen’; men behoort te zeggen: ‘worsten stoppen hen (of haar), die ze stoppen.’ Zoo ook moet men in stede van: ‘dat is malsche sla met eieren,’ liever zeggen; dat is malsche sla en dat zijn versche eieren. Ook de bekende regel
is taalkundig onzuiver en behoorde te luiden: ‘hij, wien Neêrlandsch bloed’ enz. - Dichters intusschen springen wel meer uit den band; ware het alleen maar uit dien der spraakkunst!
In 't gewone gesprek, wanneer de rede wordt aangevuld door gebarenspel of door verschillend gewijzigde geluiden, is de ellipsis vrij wat meer in zwang dan in geschreven opstellen. ‘Mag ik het genoegen hebben.....?’ kan alzoo beteekenen: ‘Wilje ook van mij snuiven? - Willen wij een glas wijn samen drinken? - Wilje deze polka met mij dan-
sen? - Zal ik u in uw rijtuig helpen?’ enz. enz., en wordt door den of de toegesprokene meestal zeer goed verstaan.
- ‘Mijn Heer zeî alzoo, dat ze dien sinjeur... hm!’ - kan, wanneer men, bij 't uiten van dit laatste geluid, de gesloten rechterhand, met den duim tegen den middelsten knokkel van den wijsvinger, op de hoogte van 't rechter oor brengt, er een opwaartsche beweging aan geeft, terwijl men 't hoofd tevens links op zij werpt, het vermoeden te kennen geven, dat de bedoelde sinjeur is opgehangen.
- ‘Wel! wel! ik zeg...’, wanneer men juist niets zegt, kan verwondering, goed- of afkeuring, verontwaardiging enz. uitdrukken, al naar den toon, dien men daarbij bezigt.
- ‘Zulje inderdaad? zulje?’ kan geächt worden te beteekenen: ‘zelje je onderstaan, het weêr te probeeren, bretale jongen die je bent?’ - maar evenzeer: ‘zulje inderdaad mijn wenschen verhooren, lieve, beminnelijke, engelachtige, aangebeden Sofie? - zulje mij gelukkig maken?’ enz.
Over de ellipsis, in koopmansbrieven gebruikelijk, hebben wij vroeger reeds gesproken. Sedert het afdrukken van dat vel is ons een minnebriefje ter hand gekomen, zeker door dezen of genen kantoorbediende geschreven en waarin die zijn bedrevenheid in koopmansstijl aan den dag legt. Wij mogen het onzen lezers niet onthouden.
Potsstad 1 April 1864.
Dierbare Leonora!
Hebbe den balsem des slaaps de geheele nacht gemist. Hebbe op het laatste inteekeningsbal het gedroomde ideaal gevonden. Wist tot dien tijd niet, wat liefde was. Hadde vaak den draak gestoken met dat gevoel, en, zoo als Romeo zegt, met lidteekens gespot, vermids nooit wond gevoeld had. Ondervinde eindelijk de macht der schoonheid; schrijve met
bevende hand: dobbere tusschen hoop en vrees; hope ik niet geheel uw gunst onwaardig ben: duchte, ik afgewezen worde als te weinig zulken schat verdienende. Ben onbewust, hoe, mijn gevoelen in te kleeden. Vereere u, aanbidde u, kniele voor u, denke alleen om u, droome alleen van u, wil alleen leven voor u, zou gaarne sterven voor u; in een woord gezegd: beminne u! en u smeekende een weinig medelijden te betoonen aan hem die om uwentwille buiten westen is,
Verblijve
eerbiediglijk de uwe
P. Prop.