|
|
|
| |
| | | | | | | |
[Dit is van een lichtkind]
vier bladen haar peinzens -
| | | | | | | |
mijn zoet lief spelekind,
| |
| | | |
[Dit denken aan U wil zuiver zijn]
DIT denken aan U wil zuiver zijn
en heilig eeren en niet ontwijden,
licht als een eerste maneschijn
ommegaat op een lelieweide,
over de lelieën henen treedt
over de kelken, die daar kwijnen
in een mild dauwen en geene weet
de lichte liefde van dit schijnen.
| |
| | | | | | | | | |
| | | |
[Laat de luiken geloken zijn]
LAAT de luiken geloken zijn
en de stilte onverbroken zijn
Wen het kindje gedoogen wil
dat de blinkende oogen stil
dan zal komen de droomenvrouw
zij de vrome, die schromen zou
En zij zal in den langen nacht
aan het hoofd zich vlijen
met der droomen wufte vlinderpracht
Het verhaal zal zij weer beginnen
en zij zal zich duizend keer bezinnen
Laat de luiken geloken zijn
en de stilte onverbroken zijn
| |
| | | |
[Gij, eersteling, hebt neergezien]
GIJ, eersteling, hebt neergezien
in mijne ziel; een dicht gehoûen
menschenbestaan lag te aanschouwen,
voor u ook voor het eerst misschien.
‘Ik heb gezien een smartelijk begeven,
ontsterven al achter den buitenschijn,
verlatenheid en een hooghartig streven
eenzamer dan den eenzame te zijn.’
Gij hebt geluisterd naar de taal
van mijn gedachten; wat de velen
in kronkelzinnen dicht verhelen,
werd u verstaanbaar deze maal.
‘Ik heb vernomen woorden van hoovaarding
ruilend met kreten van verworpenheid
van zelfverheffing en van zelfontwaarding
de wanhoop en verloren wisselstrijd.’
En dit, wat duister in mij leeft,
mij zelven vreemd en toch mijn eigen,
wel zal uw mond het niet verzwijgen,
nu eenmaal zij gesproken heeft.
‘Ik ken den grondslag van geheel uw wezen,
weet, dat uws levens rijke werken tracht,
dat het aan één' mag weggegeven wezen,
ééne, onverschenene, ademloos gewacht.’
|
|
|