terug  begin  verderprepost
[p. 40]

In gedempten toon

[p. 41]

[In droomomhelzingen]

 
IN droomomhelzingen
 
gezocht, verloren,
 
uit slaapverbeeldingen
 
geheim geboren
 
 
 
een weeke, langzame
 
vrouw van vreezen,
 
van werend toch mec -
 
warig wezen.
 
 
 
Gesloten is het
 
hoofd in zwijgen,
 
de handen moedeloos
 
lijflangs zijgen;
 
 
 
zoo nog bekoord door
 
een smartelijk wanen
 
de vreemd gekomene,
 
de onverstane.
[p. 42]

[Wiegelend hoofd, zoet vrouwenhoofd]

 
WIEGELEND hoofd, zoet vrouwenhoofd,
 
een zuivere vrucht, een reinblank ooft,
 
 
 
zoo zal het liggen in de schalen
 
van mijne handen, de goudovalen,
 
 
 
dat mijne mond het proeven moge
 
het rustgezicht, rijp overtogen,
 
 
 
met de lippen, die zwellend openbreken,
 
de volzoete en met de neergestreken
 
 
 
koele oogleden en de teere âren
 
in de slapen, de holle als rozeblaren.
[p. 43]

[Uw handen zij verwijlen mogen]

 
UW handen zij ver -
 
wijlen mogen
 
over mijn hoofd in
 
mededogen.
 
 
 
Dat de gezegenden
 
in hun grootmoed
 
vrede verleenen
 
en rust en ootmoed.
 
 
 
Van de erbarmenden
 
onbenomen
 
geduld en vreezen
 
op mij kome.
 
 
 
Den neergezwekene
 
zwak ten doode
 
mij is uw goedheid
 
zeer van noode.
[p. 44]

[In teere schaduw zilverblauw]

 
IN teere schaduw zilverblauw
 
sloegen witte wieken en een gerucht
 
voer om; er werd een groote zucht
 
gewekt, een wenschen, dat ver weg wou.
 
 
 
Gij en ik, o wij gaan wel trouw
 
samen, wij vliegen uit in ééne vlucht
 
en laat het zijn naar het ver gehucht
 
van mijne ziel en gaan wij gauw.
 
 
 
Dat ligt in de bergen, men vindt het nauw,
 
wijkende in de lentelucht,
 
schuchter de huizen, zonder gerucht
 
in teere schaduw zilverblauw.
[p. 45]

[Hoe duizendvoudig lief en zacht]

 
HOE duizendvoudig lief en zacht
 
in zorg en eerbied zou ik wezen
 
en zeer omzichtig. Wist gij deze
 
vriendelijkheid u toegedacht!
 
 
 
Gedenk, wat wij misdeden, niet;
 
niet toen, maar nu was onze tijd,
 
wel was voor ons nog weggeleid
 
een hopen na een lang verdriet.
 
 
 
Een hopen als wij lief en zacht
 
zijn zullen en gerust voortaan
 
en mijne stem zal om u gaan:
 
‘zie mij, hoe ik u heb verwacht.’
[p. 46]

[Een stille dag is om mij heen]

 
EEN stille dag is om mij heen
 
en in mij is het leven flauw,
 
ik voel de angst des wezens nauw
 
en ben in mijne vrede alleen.
 
 
 
Is er in mij de aandacht niet
 
van verzen en hun stil verricht
 
inschikken tot dit klein gedicht
 
van iets geluk en licht verdriet?
 
 
 
dat gij nog eens mij waart nabij
 
en ik u koel en zuiver vond
 
en wel in droefenis verstond
 
het verre tusschen u en mij.
prepostterug  begin  verder