terug  begin  verderprepost
[p. 47]

Albumblad

[p. 48]

[Zij, wier vriendlijke lievernij]

 
ZIJ, wier vriendlijke lievernij
 
zoo van voorhoofd als van wangen
 
afvloeide tot een sluierzij
 
voor den weifelenden mond gehangen,
 
 
 
wier ook woorden en gebaren
 
tastend zich naar buiten strekten
 
uit schemeringen, vreezende schare
 
van blinden nog en ongewekten;
 
 
 
lijf en leven begeerelingen
 
in wetens eerste begin geband,
 
wankelend, wandelend, vreemdelingen
 
door nevels in een kinderland...
 
 
 
En nu een zulke in goudbrokaat
 
op eenen troon in grooten staat
 
lijdzaam gezeten in den lichten morgen;
 
en om haar stille menschen staan,
 
met zachte oogen gadeslaan:
 
in haar armen is geborgen
 
een kindje. O, hoe veilig dezen
 
en lief als vrienden in hun samenwezen
 
besloten op deze weidegrond,
 
wijl allerwegen terzelfder stond
 
men ziet menschen te paard te voet
 
opgaande naar torensteden
 
of blauw gebergte tegemoet
 
in de nu gegeven lentevrede.
prepostterug  begin  verder