|
|
|
| |
| | | | | | | |
1
Hoe druk, hoe druk loopt door mijn hoofd
Het heeft mijn arm en afgesloofd
besef gegrepen en geroofd
en is het weg gaan beuren.
En ik heb zelf mijn wil gericht
op dit fel aandacht schenken;
want dat, wat binnen in mij ligt,
dit wreed en deerelijk gezicht,
ik mag er niet aan denken.
Waar al wat eens had toebehoord,
vernield is en geschonden,
waar zooveel edel jongs vermoord,
het leven zelf werd weggesmoord
daar is zoo diepe ellendigheid,
een leegte zoo volslagen,
dat nauwelijks een snikken schreit
verloren door de eenzaamheid
| |
| | | | | | | | | | | | | | | | | |
| | | |
3
Van nu en gister en altijt;
So swaer en hulpeloos beschreit.
En hij en brenght niet wat ic soght,
Dattic hem tegen houden moght
|
|
|