Verzameld werk (eds. P.N. van Eyck en Johan B.W. Polak)


auteur: J.H. Leopold


editeur: Johan B.W. Polak en J.A. Worp


bron: J.H. Leopold, Verzameld werk (2 dln.) (ed. P.N. van Eyck en Johan B.W. Polak). Brusse, Rotterdam / Van Oorschot, Amsterdam 1951-1952  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 132]

aant.Cheops

[p. 133]

[Na zijn ontvangst, na te zijn opgenomen]

 
NA zijn ontvangst, na te zijn opgenomen
 
in de doorluchte drommen en den stoet
 
der smetteloos verrezenen, die dreven
 
door alle hemelen, het groot gevolg,
 
dat vergezelt en toch is ver gebleven
 
en nimmer naderde de onontwijde
 
Openenden, de Hooge Heerschers, Zij,
 
achter wier slippen en wier laatste tred
 
toesloeg een bliksemend verschiet; te midden
 
der strengeling, het menigvuldig winden,
 
dat afliep in een rulle effening
 
of krimpend zich in eigen krinkelbocht
 
verstrikte, wisselende in een rythme
 
van heffingen, die naar het zenith klommen,
 
van zinkingen, waarin werd uitgevierd
 
het diepste zwichten; in den breeden sleep,
 
die omvoer door de ruimten en de verten
 
aantastte en veegde al de banen door
 
des ongemetenen, in deze weidsche vlucht
 
de koning Cheops.
 
Stil in zijnen zin
 
en wachtende had hij zich toegevoegd
 
en ingeschikt en zich terecht gevonden
 
in deze nieuwe orde, het zich richten
 
naar anderen en de ontwende plicht
 
van zich te minderen, terug te dringen
 
den eigen scherpen wil, het gaan begeven
 
verdwenen in de menigte, het deelen
 
in dezen ijver en afhankelijkheid
 
der velen en het zijnen dienst verrichten
 
als begeleider en als wegtrawant.
[p. 134]
 
En mede ging hij met den ommegang
 
den eeuwigen, den in geen tijd geboren,
 
die heenstreek door den weergaloozen luister
 
der hemelcreaturen, door de zalen,
 
de leege hoven, die in doodsche nacht
 
zoo roerloos en zoo strak geopend waren
 
en uitgezet, alsof zij allen stonden
 
onder één hooge koepeling, een dak,
 
dat werd getild op fonkelend gebint
 
van stalen stiften; dan de donkerten
 
de ruig gevulde, waar het wereldstof
 
aanvankelijk gestrooid en zwevend was
 
in doffen stilstand of al aangevat
 
door plotseling bezinken schoksgewijs
 
bijeen liep en ging vloeien in gebogen
 
bedding, die ijlings tot een ronden kolk,
 
een boezem werd, een in zich opgesloten
 
holte, een kom opzwellende ten boorde
 
en eindelijk een volle moederschoot,
 
wier zwoegende arbeid, wier bedwongen nooden
 
en zware spanning klimmend was, totdat
 
ontzinde drift, razende werveling
 
geboorten werden, waaraan jong ontsprongen
 
glanzende lichamen, sprankelend ontdaan
 
van alle hulselen, onaangerand,
 
dartel en blank en nieuw van het gestoelte.
 
 
 
Dan door den samenhang en het verband,
 
den onontkomen dwang eerlang geslagen
 
om het geschapene, waar alle kracht
 
zijn gansch bestand uitgaf in den balans
 
met anderen en eerst de volle brand
[p. 135]
 
der elementen was, waar midden in
 
de onvoldongen worsteling, de wild
 
verwrongen poel, de woedende beroering
 
van bulderende zonnen was, daar neven
 
kringende manen en een blauwe schijn
 
dreef van hun wezen af, in zijn bewegen
 
natalmende; en rondom was het wenken,
 
de stille polsslag en het snikkend licht
 
der enkelsterren, die hun labyrinth
 
van kronkelingen en van bonte paden
 
bewandelden, eenzaam en ongestoord
 
omdolende; in hunne losse strengels
 
met vasten trek gezet het grootsche plan
 
van de planeten, koor, dat kwam geloopen
 
op éénen evenaar, der lichten elk
 
in eigen sfeer gehangen; aan het uiterst
 
de tintelmist, de millioenen zwermen,
 
die uitgestort over het firmament
 
geslingerd lagen als een byssussluier,
 
een veege doek, een rag, waardoor bijwijlen
 
ruige kometen, spattend meteoor -
 
gesteente stoof, dat daverend van vaart
 
uit blinde verten aankwam, langzaam werd,
 
vertraagde, kenterde om eigen kern,
 
uitschietend dan langs parallellen loop
 
ging boren door het bodemlooze, voort
 
door de verlorene aeonen stroomend,
 
een stout vertrek, een pralend schoon verlies.
 
 
 
En andere en andere verblijven
 
en werelden naar and'ren zin gezet
 
en allen het gedrag der onderdeelen,
[p. 136]
 
de wenteling, de vlechting van hun loop
 
en zwenken, kruisen en verward krioelen
 
gemakkelijk en met gelaten hand
 
besturend naar een smarteloos geboren,
 
uit eigen wezen voortgekomen wet.
 
 
 
En dan na al de pracht der myriaden,
 
de gouden bollen rollend door den laan
 
der sombere aether, al de oppertrots
 
van dit onvergelijkelijke, na bevamen
 
van 's hemels gansche diepte en alom
 
bevonden onrust en verlaten zwoegen
 
en woestenij en barre ledigheid...
 
dan ging de ziel des ouden Pharaoh's
 
zich gaarne wenden, zonderde zich af
 
en keerde zich tot het vertrouwdere, het ginds
 
beschenen oeverland, de vale zoom
 
der wildernis en wat daar opgericht,
 
de schemerende spits, waarop het licht
 
in schichten afbrak en de glinsterwanden,
 
waar het gekaatst als op een strak metaal
 
versplinterd schitterde, de zijden zuiver
 
afgepolijst en effen blank geslepen,
 
de driehoekvlakken met hun hemelglans,
 
die was gevloten alle naden over,
 
vier flanken afgaand, machtig neergezet
 
op zware basis en aan hunnen kant
 
en samenkomst wijdstandig uitgespalkt
 
de rechte ribben, scherp en schartenloos;
 
gestalte, zoo bezonnen en doordacht,
 
van zulk een eendracht en een samenhang
 
en innerlijk verband, of zij ontstond
[p. 137]
 
uit ééne oorzaak, dat zij leek ontsprongen
 
uit ééne spanning, die het al bedong,
 
dat het daar veilig op de vlakte zat
 
als een kristal, een zout, dat afgezet
 
op dezen bodem werd en grijs gestolten
 
zijn overoud figuur verhief, zijn bouw
 
uit 's werelds voortijd van tesaamgeschoten
 
bundels om hunnen pool, als eerst begin
 
van zoekende eenheid en afzondering,
 
levende vorm, die ongeschonden toonde
 
zijn held'ren tempel en zijn onontsloten
 
binnenste woon en geheimzinnigheid.
 
 
 
Zoo dit groot monument, dit uitgekozen
 
koninklijk gloriestuk en pronkkleinood,
 
de rijke rotsklomp, kantig en behouwen
 
als een gekloofd juweel, de bergkolos,
 
die droomende onder het marmerpantser
 
de leden rekt, de torenstapeling
 
van duizenden op duizenden getild
 
door honderdduizenden, getuigenis
 
van onbedwongen almacht uitgevierd
 
tot zwijmelhoogte, van een fel bewind,
 
dat zijn vermeten als met netten wierp
 
over de nameloozen, den verloren
 
tot ondergang gedoemden drom, gebukt
 
over hun donkre moeite en zweet, het hoofd
 
zuchtende en trillende het harde pogen
 
in handen en gerei, tesaamgeschoold
 
tot hunnen taak den bange en als lood
 
lag doodelijk op de bekommerden
 
de doffe wil, het onverwrikt gebod
[p. 138]
 
van den ver tronende, meedogenlooze,
 
van hem, den eigenzinnigen despoot.
 
 
 
En langzaam en met rustige voldoening
 
en koele rijkdom van tevredenheid
 
toeft hier de grijze sobere, beschouwt
 
de nauwgesloten voegen, onderzoekt
 
de richtigheid van stand der plinten, waart
 
over het kostbaar glanzen heen en keurt
 
den dichten steen, de donzen korreling
 
onder het glazig spiegelvlak en koestert
 
dit welverzorgde; dan de sluitsteen langs,
 
den gang der grove blokken, de gewelven
 
gedakt met scherpen nok, de galerijen,
 
den doolweg, de versperringen voorbij
 
sluipt hij al mijmerend en naar de grafzaal
 
is nu zijn trachten, naar de sarcophaag,
 
den loggen stander met den diepen schoot,
 
de rijke doodswieg, zonder breuk gehold
 
in purperiaspis, dan het zwart gevlamd,
 
geel cederhout, de kostelijke strooken
 
van de lavendelzwachtels en ten slot
 
de vorstelijke mummie; om de ranke,
 
gestrekte leden en den zuivren schoot
 
glanzend en zwart de pezen, overstrooid
 
met kamfer, gaaf en onverdord de huid
 
en der gewrichten knoop, het hooge hoofd
 
gemaskerd onder goudblad, dat gedeukt
 
en dungeplet ligt op het ongeslonken
 
en stout profiel; om stroeve vingeren
 
een groen juweel, vier diepe bloedrobijnen
 
zijn fonkelende.
[p. 139]
 
Aan den wand rondom
 
een stomme schare, wachtende onderdanen,
 
dralende grooten van het hof, een haag,
 
een arenveld van rijzende gestalten,
 
norsche figuren, donker opgestoken
 
uit wisseling van lijfgoed, zilvervloeiend,
 
kabbelend linnen of de strakke vlaag
 
van ongekrookt katoen, dat wit verblindend
 
en prachtig afwoei van den somb'ren gloed
 
der lichamen, of broederlijk gevoelde
 
zoele beschutting van omhullende
 
ruime geplooide mantels; na elkaar
 
in slanken gang en lenig aangetreden
 
als herten in het bosch de trantelstoet
 
der bloote voeten, de gestulpte teenen,
 
de enkels en hun cirkeling; ten hoofde
 
en voor het zijdelingsche aangezicht
 
het heilig letterschrift, de oud gevormde
 
begroetingen, het statig woordental
 
der machtsverkondigingen, opgesomd
 
in vroom zichzelf herhalen, het uitvoerig
 
lofspreken en de stamelende reeks
 
van rijke namen en verheven roem
 
des godenzoons.
 
Ook deze schildering
 
volgt nu de oude, vestigt zijnen zin
 
op haar bestand en laat zijn aandacht dolen
 
allengs; hij is geboeid door de symbolen
 
van het voormalige en hij hangt er in.