terug  begin  verderprepost
[p. 163]

Tweede deel

[p. 164]

aant.Albumblad

[p. 165]

[‘Ik ben de perken langs gegaan]

 
‘Ik ben de perken langs gegaan,
 
de bocht der zonnige terrassen,
 
de nauw bewogen siergewassen,
 
de koele stammen van den laan
 
 
 
en heb de loten en de twijgen,
 
de weeke stengelen geplukt
 
en wat mijn handen konden krijgen
 
mij toegehaald en aangedrukt
 
 
 
en in mijn armen liggen schoven
 
van alle rijkdom, die ik brak,
 
een schat mijn eigen wensch te boven
 
en wie ik liefheb, krijgt een tak.
 
 
 
Hangkelken, wufte overvloed,
 
een wolk van vlinderende bladen,
 
azalea's in onbeladen
 
voortvluchtigheid, o lichte spoed
 
der bengelingen, vreugden eêl
 
van rood en blank en guldengeel,
 
in een gelukkige overmoed
 
terecht gekomen naast den gloed
 
van somber starende pioenen,
 
de krank gaande aan een onvervuld
 
verlangenszeer, dat als een schuld
 
brandt in de vurig vermillioenen.
 
En ook het weelderig verschijnen,
 
de driftig fladderende dozijnen
 
van lila rhododendrontrossen,
 
gekrenkt, gekreukeld in de losse
[p. 166]
 
lipbladen en geplooide zij
 
in weidsche achteloosheid; zij,
 
als een gedrang, een optochtstoet
 
van duizend rijke sleepgewaden
 
aan statigen, die nader traden,
 
verpand en vallende te voet,
 
toernooi van stoffen en satijn,
 
waar op tapijten en estrade
 
met slanken gang naar buiten traden
 
vorstinnen vele in gloênden schijn
 
van kostbaarheid, het zwaar belast
 
brokaat in plooien opgetast,
 
in breuken overvallend, schoon
 
bezet met het aloud patroon
 
van openbarstende granaat,
 
het bloesemende incarnaat,
 
geribde Byzantijnsche stoffen,
 
bezonken kleur, onovertroffen
 
van teekenwerk, diep karmozijn
 
waarover zwarte kant, fluweel
 
van omberbruin tot smeltend geel
 
omhullend met gebogen lijn
 
de grenzen van dit trotsch geheel.
 
En in hun midden Blanchefleur
 
bewegende in heur
 
nog onbevangen zijn; het haar
 
in afgehangen vlechten, waar
 
een dunne gouddraad in mag wezen,
 
blank atlas is het kleed van deze,
 
dat stroef van rimpels is en kreunt
 
om haren leest, nu dat zij leunt
 
op het balkon en overboog
[p. 167]
 
het donkere violenoog
 
op het gewoel beneden haar,
 
de zonneschitteringen klaar
 
gekaatst op rusting en het wit,
 
waarin de dag gevangen zit,
 
de blauwte van beloopen staal,
 
der maliën wemelend metaal,
 
gericheld borstkuras omwonden
 
met zijden sjerpen los gebonden,
 
scherpte van bliksemend helmet
 
trotseerend fier op zij gezet,
 
gewieg van pluimen en het wuiven
 
van struisgevederte en kuiven
 
van paardehaar,     baret,
 
het al in wimpeling-omhuiven
 
en schaûw van vanen en blazoen
 
uitwaaiend in het lentseizoen. -
 
In blauwe hemelen daarneven
 
de leliën onverlet gebleven,
 
gestolten in het eenzaam wit
 
teruggezonken en bevrozen
 
naast het blozen
 
der andere bloemenvreugd van dit
 
besloten     in het Zuien
 
met witten omgang, muur en puien
 
en pilaren; violier
 
en stokroos hebben er vertier
 
en woekerende slingerplant,
 
hoog opgerichte bloesemstand
 
die er de dichters vergezelt,
 
de zieners gaande door hun veld
 
en begeleidend vindt het zelfde
[p. 168]
 
van eigen bloei in de gewelfde
 
trekken van het mat aangezicht
 
de     wangen
 
met in     blos behangen
 
oogenlicht
 
en dit hun wezen stil verhit,
 
uitbundig iets om het bezit
 
hun toegebracht, de mogelijkheden
 
die overstelpend zich voordeden,
 
al deze ontluiking van hun geest
 
verwondering voor hen zelf het meest.
 
Of strenger wel en afgebroken
 
de brozen stengels, de gekrulde
 
met goud en     opgevulde
 
en ingestoken
 
in bronzen vaas en neergezet
 
op zwart en wit geruite vloer
 
en naast een venster met contoer
 
van ronde bogen, waarin bleek
 
de gansche ligging van de streek
 
geopend stil zonder gerucht
 
onder een lucht
 
met helderheid als porceleinen
 
en zichtbaarzijn ook van het kleine,
 
de ranke boom getakt, gebladerd,
 
de waterbeken fijn gëaderd,
 
het weidend vee, een <valk die vloog,>
 
de heirweg, waarlangs zich bewoog
 
het landvolk en de lange rij
 
van buitenlandsche koopvaardij,
 
en aller denken en gezicht
 
naar deze torenstad gericht,
[p. 169]
 
waar in     kruisgangbogen
 
en overtogen
 
Umbrische schaduwen nederdaalde
 
de ernstige engel en verhaalde
 
het opdrachtswoord en zij, der vrouwen
 
bedachtzaamste en koel en straf
 
terugzonk in de rechte vouwen,
 
met dunne lippen antwoord gaf. -
 
Als laatsten, ietwat afgezonderd
 
in het hooghartig violet
 
geweken en terzij gezet
 
campanula's met talloos honderd
 
klokmonden, donker aan den zoom
 
en oever van hun klankenstroom,
 
maar dieper in het schemerbleeke
 
des binnensten is ingegrift
 
het kenmerk van een grillig schrift,
 
een bont en geheimzinnig teeken,
 
een talisman, die mag gaan spreken
 
van wiegelende palankijnen
 
buiten in heete zonneschijnen
 
en onder palmen en pandaan
 
princelijk uitgele’ gedaan
 
op steigerende Arabier
 
met zielvolle oogen en een zwier
 
van zacht gegolfde staart en maan,
 
of achter hangende gordijnen,
 
dofzwarte trijpen, kwasten, koord,
 
klissen en franje en
 
voor houten tralievensters, hier
 
een lichte streep, een enkele kier
 
verkoelend temperen; halve dag
[p. 170]
 
op marmervloer en vochtbeslag
 
of een blauw tegelmozaiek
 
glazuren, waarop wordt
 
goudmunt aan één met fijn muziek
 
tot een verpoozen uitgestort,
 
ivoor getoond en opgetast
 
blond stofgoud, nardus in albast,
 
bestoven wierook, het aroom
 
van cassia en cinnamoom
 
en pardelhout     daar
 
ebbenhout en sandel,
 
saffierenoogst van Coromandel
 
en parelen van Malabaar,
 
<en> al de schatten en de praal
 
van een mooi Oostersch sprookverhaal.
 
 
 
Dit voor mijn wereldsche vriendinnen,
 
maar voor de stilleren van zinnen
 
heb ik uit meer beloken rijken
 
de rustigeren, huns gelijken:
 
de sobere anemonen, spel
 
van ademen en lichte winden,
 
maar voor den peinzensgeest beminde
 
verblijven en verpoozingcel,
 
waar tusschen effen strakke wanden
 
als achter een besloten glas
 
een koesterende intrek was,
 
een welbehagelijk belanden
 
met temperend de ernst, die stond
 
op den dof-zwarten ondergrond,
 
geronnen vlek, die overspande
 
den boôm. Hier tegen aan gelegd
[p. 171]
 
om het onschuldige, dat het zegt,
 
om het lief jong-verbaasde blauw
 
een toefje eereprijs, het nauw
 
opmerkelijke ding, het zwartje
 
van randen met een spierwit hartje,
 
het open en aanvallig kruid
 
op dienen en op vriendschap uit.
 
Dan anjers, zoo fijn uitgeveerd,
 
alsof door lichte wimpers tuurden
 
twee oogen, binnenwaarts bestuurden
 
en tot zich zelve ingekeerd;
 
heliotroop in zoeten plicht
 
verdiept en fronsend van gezicht,
 
in de gesternten ingewijd
 
en langzaam tellende den tijd;
 
de tulpen en hun kolenvuur,
 
het koesterende; of kostbaar puur
 
de orchidee, die schenkster is
 
van het fantastische, berberis
 
uit droomerige duinstreek, bramen
 
wier     ranken zwierden
 
uitgevierde
 
verbeeldingen en ook zij kwamen
 
uit ongestoorde wildernis;
 
goedgunstige margeriet, de troost
 
voor de bedroefden en een oogst
 
nadenkende violen. Boven
 
dit onderscheidenlijk beloven
 
de sombere papaver, zwaar
 
van slaap en droomen en gevaar
 
die in een zelfden beker bood
 
het tweetal leniging en dood,
[p. 172]
 
diepzinnig gif; als afgedaald
 
uit lichte hoogten vlinderbleeke
 
acacia's hier neergestreken
 
en uit den hemel weggehaald,
 
noppen
 
droppen,
 
gudsing, waarop is heengeleid
 
de edele eentonigheid
 
van regenweer en donkere dag,
 
wanneer in de geruste woon
 
het welbehagen is, ofschoon
 
vloeit de nederslag,
 
als in den duisterenden hoek
 
een licht     is op bezoek
 
<beschouwelijkheid, o tegenstrijd
 
met buiten waar de regen glijdt
 
in stompen dag. Als laatste en slot
 
van deze peinzenden en tot
 
beëindiging verkozen
 
nachtcactus rustende en breed,
 
onroerbaar teeder in het wreed
 
der stekels     broze,
 
gespreide schemering, die school
 
om een hart van verweer, dat hoedt
 
geheimen onverbrekelijk
 
voedt
 
eigen dingen onuitsprekelijk.’>
 
 
 
-En de ontlokene, de rozen,
 
waar zijn de roode rozen, waar?
[p. 173]
 
triomf en lof en opperst blozen
 
van het voldongen zomerjaar.
 
 
 
Een levenstoppunt uitverkozen
 
van voorrecht is hun toegestaan
 
en op hen ligt het sprakelooze
 
van hoogste invervullinggaan.
 
 
 
Maar ook, hoe is in dit ontplooien
 
een andere erkentenis bereid:
 
verwelken wordend uit voltooien,
 
des zomers dubbele wezenheid.
 
 
 
Het glorievolle openkomen,
 
dat versch nog en ontkiemensnat,
 
het voelt zich alree afgenomen
 
en moe en welhaast stervenszat.
 
 
 
Geboorte en dood, o wonderbrooze
 
afgrenzingen en naast elkaar,
 
verval gelegd in schoonste blozen,
 
waar zijn de roode rozen, waar? -
 
 
 
‘De rozen en hun purpervracht,
 
de donkere met het bezwaren
 
van geuren en ontroerend staren,
 
met het verraad der doornen, pracht
 
met hachelijkheid en angst gepaard,
 
de wankelen worden nog bewaard
 
voor wie er later wel te vinden,
 
maar ik heb voor mijn andere vrinden
[p. 174]
 
de gulle bloesems van de linden,
 
de kunstelooze eglantier,
 
de frissche reuken van den vlier
 
en al het simpelere, buit
 
van bosch en wei en akkerrand,
 
van wandelen in open land
 
met fel gesprek en stoeien uit,
 
met tandelachen in den wind
 
en blinkende oogen: kruizemunt,
 
lavendel, duizendguldenkruid,
 
de paardebloem, zijn uitstaand pluisje
 
een tent, een mooi, mooi binnenhuisje,
 
en zie ook in eenvoudige woon
 
o welk een fijn en glinstrend schoon;
 
reukgrassen grijs van zaad bestoven,
 
ranonkels, sleutelbloem, de grove
 
kruisdistel en het teer plantsoen
 
van klokjes, in het wit en groen
 
de vroege boodschap opgevouwen
 
en de latente lente, rouwen
 
van paarse klaver, marjolein
 
en de gezonde meidoorn blank
 
en bruin op éénen tak en frank
 
van omgang: in het speelsche klein
 
boschranken, madelief, het frissche
 
meizoentje, zonder af te wisschen
 
op lippen op te vangen; winden
 
om de lichtzinnigen te binden
 
uit netels vinnig weggehaald
 
en prompt met heete pijn betaald,
 
de bleeke scheerling, groene ruit,
 
rietstengels sluimerende fluit,
[p. 175]
 
russchen en bies, waarover vliegt
 
d'ijsvogel en in halmen wiegt
 
zijn smaltjuweel; uit barre zanden
 
de thym, vazal der zonnebranden,
 
nachtschade, malve, brem de gele,
 
steenbreek, al de veldbloemen vele
 
en moet het dan wat rijkers zijn,
 
de sterren van den struikjasmijn,
 
alles tesamen met een hort
 
hun voor de voeten uitgestort.
 
 
 
En dan, dan is er nog een gang,
 
begrepen en gewild sinds lang
 
en waar de innerlijke trek
 
heen wees, het plechtig ziekvertrek;
 
en in den draden-dag en dit
 
satijnen licht en in het wit
 
van lakens en plafond en muren
 
en al hun onveranderd duren,
 
breng ik tot wijziging van deze
 
het toevertrouwen en genezen,
 
de welverzekerdheid en fleur
 
van purper en oranjekleur
 
en van mijn eigen donker wezen;
 
en druk in oude en smalle hand,
 
begin van slinken en verwelken,
 
de pracht van kronen en van kelken,
 
de teere ontplooiing van de plant;
 
en bij de bloesems altijd weer
 
hernieuwd en stralend als weleer,
 
de reuken eender zoet gebleven
 
als in de jonkheid van het leven
[p. 176]
 
verlangzamen en zachter gaan
 
de zielsgedachten, zien het aan,
 
de drom der dingen, het gebeuren
 
elders en hier, met een bespeuren
 
alsof het leven stil mag staan
 
en ware alle tijd vervloten
 
tot een zelfd' oogenblik, omsloten
 
ten nauwste en zich gelijk gebleken
 
en eng en dat was glad gestreken
 
van alle voorval...
 
Na het deelen,
 
het einde van mijn ommegang
 
zet ik de restenden eerlang
 
met tak en blad en groene stelen
 
recht in een helder waterglas
 
tegen den ruit in het kozijn
 
geheven in den daglichtschijn,
 
dat er het rank en dun gewas
 
getuigt van buiten, dat het hier
 
de boodschap brengt van God's natuur,
 
alom vermogend, arbeidzaam,
 
bestendig...
 
Door het open raam,
 
waar lenteachtig is de lucht
 
en wolkenwit, dringt het gerucht
 
van kinderstemmen in de straat,
 
een lustig spel, dat verder gaat
 
met kreten en dooreengewoel
 
van klanken... zoet, dat ik herken,
 
boeiing en aandacht... en ik ben
 
teruggezonken in den stoel
 
om wat hieruit komt toegevlogen,
[p. 177]
 
en heb het hoofd gebogen...
 
- - - - - - - -
 
En in mijn armen liggen schoven
 
van alle rijkdom, die ik brak,
 
een schat mijn eigen wensch te boven
 
en wie ik liefheb, krijgt een tak.’
[p. 178]

Vroeger: Albumblad uit De Gids

 
‘Ik ben de perken langs gegaan,
 
de bocht der zonnige terrassen,
 
de flauw bewogen siergewassen,
 
de koele stammen van den laan
 
 
 
en heb de loten en de twijgen,
 
de weeke stengelen geplukt
 
en wat mijn handen konden krijgen
 
mij toegehaald en aangedrukt.
 
 
 
En in mijn armen liggen schoven
 
van alle rijkdom, die ik brak,
 
een schat mijn eigen wensch te boven
 
en wie ik liefheb, krijgt een tak.
 
 
 
Hangkelken, wufte overvloed,
 
een wolk van vlinderende bladen,
 
azalea's in onbeladen
 
voortvluchtigheid, o lichte spoed
 
der bengelingen, vreugden eêl
 
van rood en blank en guldengeel,
 
in een gelukkige overmoed
 
terecht gekomen naast den gloed
 
van somber starende pioenen,
 
de krank gaande aan een onvervuld
 
verlangenszeer, dat als een schuld
 
brandt in de vurig vermillioenen.
 
En ook het weelderig verschijnen
 
de driftig fladderende dozijnen
[p. 179]
 
van lila rhododendrontrossen,
 
gekrenkt, gekreukeld in de losse
 
lipbladen en geplooide zij
 
in weidsche achteloosheid; zij,
 
de gansche opschudding van het blad,
 
onrust en angst, zwellende haast,
 
het lispelen, dat door hen blaast:
 
als nymfen vluchtend langs een pad,
 
als een gedrang, een optochtstoet
 
van duizend rijke sleepgewaden
 
aan statigen, die nader traden,
 
verpand en vallende te voet,
 
toernooi van stoffen en satijn,
 
van luusterglansen zonder tanen
 
tehuis in bocht en vlakke banen
 
van praalrok en vertugadijn;
 
fulpmantels met figurensier
 
en gazen, weefsels van Kasjmir,
 
damast, de ongetelde krooken
 
van goudbrokaat, de sneeuwen strooken
 
van kant, battist en passement,
 
hoofdsluiers, uitgespannen tent
 
om oogengloed en blos der wangen,
 
gestreken linten, boezemspangen,
 
haarsnoeren, tressen, keurs en huiven,
 
het al in wimpeling-omwuiven
 
en schaûw van vanen en blazoen
 
ritselend in het lentseizoen. -
 
In blauwe hemelen daarneven
 
de lelieën, onverlet gebleven,
 
de slank gerezenen, witte haag
 
om tuinen, waar de diere dingen
[p. 180]
 
op kwamen en gepreveld hingen
 
ook zelve zij fluisterensgraag;
 
de statigen, die tevens meenen
 
het innigste en toegang verleenen
 
tot perken, hoven in het Zuien
 
met witten omgang, muur en puien
 
en boogpilaren; violier
 
en stokroos hebben er vertier
 
en woekerkruid; boven de hoofden
 
der kelken, de bebloemde velden
 
gezichten warende, de zelden
 
aanschouwde, altijd toebeloofde,
 
verzonkene en toch terstond
 
toekomend zonder tusschendingen,
 
die hun groot naderen begingen
 
en toevend met praegnanten mond
 
beefden in overduisteringen;
 
tuin, waar de jonge dichters in
 
hun puren rijkdom en gericht
 
naar donker en verscholen licht,
 
de wijzen en de dronken zin
 
der zieners was, nu ingenomen
 
door deze vrede en eendracht hier,
 
dit bezig zijn van plant en dier
 
en tot een éénheid samenkomen;
 
prieelen, waarheen zich begaf
 
de engel met de bloemenstaf,
 
die er de boodschap kwam bezorgen
 
in een schoon Florentijnschen morgen
 
ontmoetende de schuwe maagd
 
in stroef weerhouden ondervraagd,
 
in zoet tevreezijn opgeborgen. -
[p. 181]
 
Als laatsten, ietwat afgezonderd
 
in het hooghartig violet
 
geweken en terzij gezet
 
campanula's met talloos honderd
 
klokmonden, donker aan den zoom
 
en oever van hun klankenstroom,
 
maar dieper in het schemerbleeke
 
des binnensten is ingegrift
 
het kenmerk van een grillig schrift,
 
een bont en geheimzinnig teeken,
 
een talisman, die mag gaan spreken
 
van prinsen, ruiters, palankijnen
 
struisen en kemels, warenlast,
 
strengbalen, sandel opgetast,
 
khol, stofgoud, nardus in albast,
 
pauwveeren, gloeiende weerschijnen,
 
bestoven parelen, robijnen
 
en al de schatten en de praal
 
van een mooi Oostersch sprookverhaal.
 
 
 
Dit voor mijn wereldsche vriendinnen,
 
maar voor de stilleren van zinnen
 
heb ik uit meer beloken rijken
 
de rustigeren, huns gelijken:
 
de sobere anemonen, spel
 
van ademen en lichte winden,
 
maar voor den peinzensgeest beminde
 
verblijven en verpoozingcel,
 
waar tusschen effen strakke wanden
 
als achter een besloten glas
 
een koesterende intrek was,
[p. 182]
 
een welbehagelijk belanden
 
met temperend de ernst, die stond
 
op den dof-zwarten ondergrond,
 
geronnen vlek, die overspande
 
den bôom. Hier tegen aan gelegd
 
om het onschuldige, dat het zegt,
 
om het lief jong-verbaasde blauw
 
een toefje eereprijs, het nauw
 
opmerkelijke ding, het zwartje
 
van randen met een spierwit hartje,
 
het open en aanvallig kruid
 
op dienen en op vriendschap uit.
 
Dan anjers, zoo fijn uitgeveerd,
 
alsof door lichte wimpers tuurden
 
twee oogen, binnenwaarts bestuurden
 
en tot zich zelve ingekeerd;
 
goedgunstige margeriet, de troost
 
voor de bedroefden en een oogst
 
nadenkende violen. Boven
 
dit donkere een licht-beloven,
 
een duisterenden klem verbreken,
 
een schemervlucht, hier neergestreken,
 
acacia's, bevende droppen
 
geweld uit ceder-bruine noppen,
 
gudsing, waarop is neergeleid
 
de edele eentonigheid
 
van zilveren regen, als de dag
 
in zijn eenzelvig traag gedrag
 
het aadmend denken binnenleidt
 
in hemelen, die open lichten,
 
schat van gevoelens en gezichten
 
schietend en nieuw; o verder reiken,
[p. 183]
 
vermeesteren en overslaan,
 
lillende perken van bestaan,
 
die onderdoen en zwichtend blijken
 
en laatste zijn!... Dan als een slot
 
voor de vertrouwderen en tot
 
herkenning de gezonken geuren,
 
het zwaar en alom te bespeuren
 
aan wezig zijn der tuberozen
 
en voor één enkele uitverkozen
 
nachtcactus, rustende en breed,
 
onroerbaar teeder in het wreed
 
der stekels, stilgeboren vreemde
 
van bleeke schijnselen omzweemde,
 
als dreef er in onwezenlijkhêen
 
de eenzame in haar lot alleen.’
 
 
 
-En de ontlokene, de rozen,
 
waar zijn de roode rozen, waar?
 
triomf en lof en opperst blozen
 
van het voldongen zomerjaar.
 
 
 
Een levenstoppunt uitverkozen
 
van voorrecht is hun toegestaan
 
en op hen ligt het sprakelooze
 
van hoogste invervullinggaan.
 
 
 
Maar ook, hoe is in dit ontplooien
 
een andere erkentenis bereid:
 
verwelken wordend uit voltooien,
 
des zomers dubbele wezenheid.
[p. 184]
 
Het glorievolle openkomen,
 
dat versch nog en ontkiemensnat,
 
het voelt zich alree afgenomen
 
en moe en welhaast stervenszat.
 
 
 
Geboorte en dood, o wonderbrooze
 
afgrenzingen en naast elkaar,
 
verval gelegd in schoonste blozen,
 
waar zijn de roode rozen, waar? -
 
 
 
‘De rozen en hun purpervracht,
 
de donkere met het bezwaren
 
van geuren en ontroerend staren,
 
met het verraad der doornen, pracht
 
met hachelijkheid en angst gepaard,
 
de wankelen worden nog bewaard
 
voor wie er later wel te vinden,
 
maar ik heb voor mijn andere vrinden
 
de gulle bloesems van de linden,
 
de kunstelooze eglantier,
 
de frissche reuken van den vlier
 
en al het simpelere, buit
 
van bosch en wei en akkerrand,
 
van wandelen in open land
 
met fel gesprek en stoeien uit,
 
met tandelachen in den wind
 
en blinkende oogen: kruizemunt,
 
lavendel, duizendguldenkruid,
 
reukgrassen grijs van zaad bestoven,
 
ranonkels, sleutelbloem, de grove
 
kruisdistel, thym en marjolein
[p. 185]
 
en de gezonde meidoorn, blank
 
en bruin op éénen tak en frank
 
van omgang in het speelsche klein;
 
de ongewisse heggewinde
 
om de lichtzinnigen te binden,
 
nachtschade, malve, brem de gele,
 
steenbreek, al de veldbloemen vele
 
en moet het dan wat rijkers zijn,
 
de sterren van den struikjasmijn,
 
alles tesamen met een hort
 
hun voor de voeten uitgestort.
 
 
 
En dan, dan is er nog een gang,
 
begrepen en gewild sinds lang
 
en waar de innerlijke trek
 
heen wees, het plechtig ziekvertrek;
 
en in den draden-dag en dit
 
satijnen licht en in het wit
 
van lakens en plafond en muren
 
en al hun onveranderd duren,
 
breng ik tot wijziging van deze
 
het toevertrouwen en genezen,
 
de welverzekerdheid en fleur
 
van purper en oranjekleur
 
en van mijn eigen donker wezen;
 
en druk in oude en smalle hand,
 
begin van slinken en verwelken,
 
de pracht van kronen en van kelken,
 
de teere ontplooiing van de plant;
 
en bij de bloesems altijd weer
 
hernieuwd en stralend als weleer,
[p. 186]
 
de reuken eender zoet gebleven
 
als in de jonkheid van het leven
 
verlangzamen en zachter gaan
 
de zielsgedachten, zien het aan,
 
de drom der dingen, het gebeuren
 
elders en hier, met een bespeuren
 
alsof het leven stil mag staan
 
en ware alle tijd vervloten
 
tot een zelfd' oogenblik, omsloten
 
ten nauwste en zich gelijk gebleken
 
en eng en dat was glad gestreken
 
van alle voorval...
 
Na het deelen,
 
het einde van mijn ommegang
 
zet ik de restenden eerlang
 
met tak en blad en groene stelen
 
recht in een helder waterglas
 
tegen den ruit in het kozijn
 
geheven in den daglichtschijn,
 
dat er het rank en dun gewas
 
getuigt van buiten, dat het hier
 
de boodschap brengt van God's natuur,
 
alom vermogend, arbeidzaam,
 
bestendig...
 
Door het open raam,
 
waar lenteachtig is de lucht
 
en wolkenwit, dringt het gerucht
 
van kinderstemmen in de straat,
 
een lustig spel, dat verder gaat
 
met kreten en dooreengewoel
 
van klanken... zoet, dat ik herken,
 
boeiing en aandacht... en ik ben
[p. 187]
 
teruggezonken in den stoel
 
om wat hieruit komt toegevlogen,
 
en heb het hoofd gebogen...
 
- - - - - - - -
 
En in mijn armen liggen schoven
 
van alle rijkdom, die ik brak,
 
een schat mijn eigen wensch te boven
 
en wie ik liefheb, krijgt een tak.’
prepostterug  begin  verder