|
|
|
| |
| | | | | | | |
[Dien morgen was zij moe en zwaar]
DIEN morgen was zij moe en zwaar
en had met achteloos besef
haar dagelijksch doen gedaan.
Zij ging verloren door het vertrek
verschikkende zonder reden.
Als plotseling met een vreemd gevoel
en een nieuwe en wondere zekerheid
haar door de gedachten vloog,
en met een diepere ademtocht
en toefde een oogenblik totdat
zij zich zelve had herkregen.
en in trots en in deemoedig zijn
boog zij het hoofd ter neer
en fluisterde met toegevenden mond
‘zie uwe dienstmaagd, Heer.’
| |
| | | |
[Zij waren bij vallenden avondstond]
ZIJ waren bij vallenden avondstond
met ernst en bleek zijn was voor haar
En hadden tastende in het stroo
een zachtere plek gezocht
en zij had zwijgend zich neergelegd
en had niet meer vermocht.
En lag geduldig met knippend oog
wachtende wanneer het wezen zou
met vreezen en met hopen.
En na den arbeid en vermoeienis
was kalmte gekomen en groote rust
waar alles in weg vervloot.
Hij was in zorgen om haar geweest
met doeken en met strooken
en had geholpen en af en toe,
in het donker een woord gesproken.
Nu beiden verzonken in rust
gelegerd op den harden grond
en bij hen het kindje met nog een snik
op den droef geplooiden mond.
| | | |
En in het dommelen van nanacht
en het zwevende van zijn zin
zien beide in schemer een zelfde iets
dat toewenkt en neemt hen in
met glansen en als met lichtafschijn
komt het kindje hun voor te staan
zien zij naar dit levende daar
dit nieuwe aanvang, dit eerst begin
O heilig wonder voor hun ziel
O ondoorgrondelijke overdracht
deel van de oneindigheid.
| |
| | | |
Voor Tokkelsnaren
1
Waar de bij zuigt, zuig ik mee,
lischbloem is mijn slapensstee;
dan, wanneer de nachtuil krijt,
op een vleermuisrug ik rijd
glunderend, glunderend is mijn bestaan
onder den bloeienden tak voortaan.
2
Weg, neem weg dien lippenmond,
en zijn zoeten leugen-eed,
oogenlicht als morgenstond,
die den dag misleiden deed;
maar mijn kussen, breng ze weer,
zegels, ach niet bindend meer,
3
Hoor, hoor, de leeuwrik zingt in 't blauw
en drenkt zijn paarden met den dauw
de goudsbloem met een lonkenblik
met alle ding, dat kostlijk is,
|
|
|