terug  begin  verderprepost
[p. 307]

Schetsen en fragmenten

[p. 308]

aant.Reeks III

 
Trekvogelkreet
 
hoog, hoog verloren, boven in den nacht.
 
En met een storm heb ik aan u gedacht
 
onaangeroerde, die het minste weet
 
van dit verduren en die niet verwacht
 
dat dit haar deren zou en zich verwondert
 
en voorts den fonkelenden dag besteedt.
 
 
 
O schreeuw des vogels, schel en wild en wreed
 
hoe zoet is toch uw binnenst voor den slapelooze;
 
de lokroep van uw weggang uitgekozen
 
ter mijn' erinn'ring vindt den wakende gereed.
 
Een wrevel schudt, een mokkend norsch verheffen
 
de vederen, als altijd was verwacht,
 
tot glanzende vervulling wordt de nacht
 
met zich zichzelf te voelen, van beseffen:
 
het is genoeg! O opstand, diepste zin,
 
en wrevel, hoogste poging, hoogst gewin
 
die     en aan den grond
 
wroet in zijn ergernis     gewond
 
en in kwetsuren
 
 
 
en zoo het wilde van de vogelstem
 
het opgewondene, o welk een antwoord
 
in dezen wrange die zich op mocht beuren
 
van af zijn bed, van af den lagen grond
 
en door den nacht getild en hier vandaan
 
op plotselinge wieken en verruiming
 
van ademtocht en ziel,
 
zalig en stil verheerlijkt zag
 
dat hij dit al verlaten mag.
 
Voorbij, voorbij! de lucht wordt heller,
[p. 309]
 
er is een ijler licht en ademsfeer
 
naar oorden zijner keuze
 
 
 
Was niet in dezen <allengs> groot gebracht
 
o nauw getorste dracht
 
een bitter zwaar verdriet, en dan, omvaamde
 
zijn helder stil verlangen
 
de zoomen niet van alle aardverblijven,
 
de overgrenssche wereld waar beklijven
 
aan mag vangen?
 
 
 
Het zalig oneindige smachten van de jeugd
 
 
 
<En nu naar bergen, niet naar kinderlijk gebied,
 
niet naar het eiland der beminden beiden>
 
 
 
naar rotsige gebergten, een bestand
 
van rond verweerde steenen en van kloven,
 
een stroomgeruisch komt uit het dal naar boven,
 
een leege nevel hangt er langs den wand,
 
waar kluizenaars     fijne baardgezichten
 
verrichten
 
bescheiden bezigheden     tieren
 
herten en rustige bedaarde dieren.
 
 
 
O mijn verlangen, veilig omgedragen
 
opperst van de ziel
 
helderst en ijlst
[p. 310]
 
Tintelende ontroering
 
zich zelf genoeg,
 
en met de volontloken wangen
 
en met de forsche wrong der haren
 
met het hoofd aangeleund
 
stond zij zwaar, zwart;
 
rijke rozenbottels
 
oranje en rood,
 
schat bij schat,
 
o de (weet je nog) barstten,
 
bloemenknoppen des harten,
 
het ongekreukte bloemenblad
 
lag in onze hand
[p. 311]

[Gleed ooit een schooner manestraal]

 
Gleed ooit een schooner manestraal
 
neer in de diepten van het bosch
 
<over de> welvende loovertros
 
gestort <als in> een marmerzaal,
 
 
 
verzinkende de blauwe schijn
 
in de ravijnen van de boomen,
 
de hellingen waar af mag stroomen
 
een zifting     ; stil gordijn,
 
 
 
waar niemand achter staat
 
 
 
En de verzilvering maakt los
 
het geringste blad
 
op den geregen halm gespat,
 
gesprenkeld op het vloeiend mos,
 
 
 
een snippering op alle twijgen
 
 
 
van deze pracht
 
omsloten in den nacht.
 
 
 
Gleed ooit een schooner manestraal -
 
ik roep het uit in stameltaal,
 
o     o stof van monden
 
die 't onuitsprekelijke niet konden
 
bedwingen! Nochtans ik herhaal
 
totdat het op mijn lippen sterft,
 
het woord onzeker wordt en zwerft
 
want     overal in het ronde
 
volte van leven op eene maal woelt
[p. 312]
 
omdat mijn aanzijn voelt
 
de looveren, de takken zwart,
 
zij dragen ons naar waar het hart
 
der wereld is; voelt gij niet hoog
 
der dingen donzen elleboog?
 
ons onbegrepen, ongewild,
 
wij worden staamlend opgetild
 
zonder     zonder plichten
 
van de ontheven zoolgewrichten.
 
O vlindervoeten voortaan glad
 
over het     stronkenpad,
 
eenparig glijden door de lanen
 
en zich zwevend wanen,
 
geleidlijk oop'nen van het hek
 
en een grootnachtelijk vertrek.
[p. 313]
 
Een lucht van marmer en van onyxsteen,
 
de maan in goudgloed er door heen,
 
vijf smalle stammen, uitgedund
 
laantje versmeltend aan de punt
 
en aan de kimmen stonden
 
onsterfelijke verlangens stil van monden,
 
takken gerezen wit en lispelend groen,
 
o zacht innemend en betoovrend toen,
 
de voeten frommelend in de bronzen blaren,
 
en lichte zweem op onze voorhoofds âren,
 
onverzadigd
 
ik droeg u op     o de volle snik
 
van aan mijn borst geborgen oogenblik,
 
van uit het diepste opgehaald
 
de schemerende beelden het oude park
[p. 314]

[Vijver, juweelen waterkom]

 
Vijver, juweelen waterkom
 
vijver der liefste, waar rondom
 
de paden onzer     loopen
 
met slingeringen en verknoopen
 
van hun gedachtelooze gangen,
 
 
 
Vijver der liefste, waarin hangen
 
de waterlelies, boven drijven
 
en ingeschreven cirkels schrijven,
 
 
 
Vijver der liefste, helderheid
 
die maar op ééne, op ééne beidt;
 
de hemel is er in en zij
 
in blozenden ijver
 
als zij zich buigt
 
over den vijver
 
van zich getuigt,
 
in deze zacht gestreken zproblem
 
des waters haar gezicht ook zelf
 
glanst als het luchtgewelf.
[p. 315]

[De jonge oogen op een heldren dag]

 
De jonge oogen op een heldren dag
 
of wat de drang     wezen mag
 
telken keer
 
door vensterruiten opziende in het stille weer,
 
voelt zich de ziel niet uit de borst getogen
 
aan den dunnen draad gehangen
 
der aandacht,
 
dieper ademhalen
 
in de spiegeling der lucht
 
getild
 
in een bestaan dat o zoo zeer verschilt
 
van dit voorhandene,
 
een wemeling die licht, licht en ver,
 
ver, ver toch...
 
een     schijn
 
een hangen daaraan van het begeeren
 
een ander land, een ander leven is het doel,
 
o voorgevoel, o voorgevoel!
 
 
 
viel er een leegte en dan een wemeling
 
van wenschen     een sterk gevoel
 
dat deze
 
naar elders wilde en diende
 
wij beide twee.
 
O storm en al omwervelende vlaag
 
als in mijn armen ik de liefste draag
 
en     over     gebogen
 
ontmoeten mag haar aanziende oogen,
 
gewillig wenken en gerust
 
wordt en     gekust
[p. 316]
 
Dan de binnenbons van het ontmoeten
 
verklaarde wetenschap
 
ook van haar mond bëaamd
 
gedragen door mijn kracht,
 
weggebracht
 
ontvoerd
 
waarom, waarin onbekend
 
ten diepste ware toebestemd
 
dit was ons bezielt,
 
begoocheling
 
het eeuwige zoeken naar een ander ik,
 
bevestiging van eigen wezen
 
dat hier niet te na gekomen werd.
[p. 317]

[Een blauwe lucht en wolkengrijs]

 
Een blauwe lucht en wolkengrijs,
 
een maan in 't zilver, dat ik meen te hooren,
 
in verte en heuvelland het wachtwoord van den horen
 
dat omgaat zwellend schoksgewijs
 
herinnering en bewijs
 
dat nu daarginder in het kreupelhout
 
en de fluweelen dennen
 
de fijne nevels zijn opgehangen,
 
de herfstdraden,
 
dat in het bosch de distinctie, en het kiesche is
 
van eerste kilte en in de greppels
 
onder tak en blad
 
het teeder wit bevrozen nat,
 
het dunne zwarte ijs.
 
En nu de klare wijs
 
van het signaal,
 
<spettende klanken van metaal,>
 
zwervende klanken, stervensklacht
 
late stem van de jacht
 
die oproept al     in mijn zin;
 
ik die mijn jeugd bemin,
 
voel al     weggebracht
 
naar andere streken
 
een     voelen wrang en droef
 
komt op     en een geproef
 
<van blarenafval en in vocht verzinken>
 
O     gekweekt verlangen,
 
o tevergeefsch omvangen
 
van andere (menschen) en een schooner lot,
 
o leegte het gewonnene ten spot
 
en spijt
 
die in alle overvloed het harte splijt,
[p. 318]
 
grief
 
tegen     al wat lief
 
mag schijnen     o vragen,
 
stil snikken
 
en toegeven,
 
in smart vergaan, zooals dan
 
en zacht
 
de smart der dingen
 
(lacrymae rer.)
 
 
 
De maan schijnt op mijn verdroogde boeken,
 
op die, op die
 
 
 
de tijd dat ik geloofde, dat de verklaring
 
en het wezen van alles te vinden was,
 
dat ik God zocht,
 
en nu zijn het de ruggen slechts
 
en die gesloten blijven
[p. 319]
 
De zoelten van uw     stroomen
 
uw edeldadig bloed
 
het oproer van de polsen; ingestort
 
is voller ademen     ruimer wordt
 
in dit onstuimig
 
De teugen     halen in
 
van land van zee
 
wind om de slapen, uitzicht
 
 
 
glans
 
van zelfrechtvaardiging,
 
van blank weer op zich zelf staan, hemeltrans
 
rondom de slapen, oogen die ontmoeten
 
het hoogste     te voeten
 
de ballast dezer aarde.
 
O ruimten, verruiming
 
van borst en geest, ruimte allerzijds
 
onstuimig,
 
het schittert boven mij, en slank van leden
 
ligt alles achter, helder en weer blank
 
als vloeide zilver langs de jonge leden.
[p. 320]

[Als water vallende in den nacht]

 
Als water vallende in den nacht
 
zoo wordt de smart mij toegebracht
 
 
 
sober zijgen
 
dat streng zich voordoet in het zwijgen
 
 
 
stormende overvloed
 
sombere spoed.
 
 
 
En een bevangen luisteren is
 
achter het scherm der duisternis,
 
 
 
in angst en wachten opgenomen
 
de brokkelrotsen en de boomen,
 
 
 
stil gebleven
 
bochten en de lommer dreven.
 
 
 
O bitternis die zich bekent
 
in het gefloersde firmament,
 
 
 
de plechtige geslotenheid
 
van nacht en aardrijk alle beid',
 
 
 
de samenkomst van berg en dal
 
en den verborgen waterval.
 
 
 
En uit den ondergrondschen krocht
 
rijst biddende een ademtocht,
 
 
 
een klacht, een zucht, een snikken weent
[p. 321]
 
ver     en zwerft om het gesteent
 
 
 
onbestemd en vaag
 
een lispelende vraag
 
 
 
en dan met omslaan van den toon
 
het antwoord der verwulfde woon,
 
 
 
klokgebrom
 
doordreunende alom,
 
 
 
verkondigende bengeling:
 
bestendiging! bestendiging!
[p. 322]

[O vlonder tot ons toegeschoven]

 
O vlonder, tot ons toegeschoven
 
over de helderte van boven
 
 
 
de gulden streek
 
die ver en die nabij geleek
 
geschreven lijnen
 
die komen en verdwijnen
 
gespeel
 
van dit het wankelend luchtkasteel.
 
 
 
En nu betreden en bevolkt
 
 
 
zet elk zich zelve voor
 
en wacht dan op het naderkomen
 
der wederhelft
 
omfloersd, verdonkerd,
 
waar nauw de zij     flonkert
 
gedoken in het schaduwdons
 
van het genoegelijk onderons,
 
de     der wonderzoete
 
vertrouwelijke vrouwenvoeten.
 
 
 
Dit
 
met volgen en met onderbreken
 
is het als een met woorden spreken,
 
verlangen, wachten, voortgestoeid
 
gewiegd, luchtig geschoeid
 
en dan een wankel evenwicht
 
o gedicht
 
helder en frank, en ginder zwicht
 
een schaduw neer; er wordt gezegd
 
een roerend vers, dat open legt
[p. 323]
 
veel
 
 
 
En leeg weer en alleen gelaten
 
 
 
o vlonder
 
met hemel boven, hemel onder.
 
 
 
De frissche hanenkraai,
 
geschulpt geluid, gulden en zilvren boorden
 
gelegd om de afzonderlijke woorden
 
om de syncopen elk
 
de sikkelveeren
 
groen afgaand van het donker,
 
de hals in slierten donker rood en bruin
 
verschuivende, de zwarte kop en schuin
 
de paarlemoeren ooren,
 
de dwingende tiran die tartende en kras
 
stapt in het hooge gras.
[p. 324]

[De oude buur]

 
De oude buur
 
verdiept in eindeloos getuur
 
gezeten aan den oeverrand
 
van het oud park, het bochtig strand,
 
de kronkelende looverboomen,
 
de welvingen waaronder uit
 
de blauwte licht zich opensluit
 
tot waar zij ver versmelten mag
 
met den witpaarlemoeren dag
 
en lichte kimmen, en te midden
 
een enkel eiland, ingebeten
 
verweerde rotsen, rondgesleten,
 
gebogen wel als buffelvee
 
met bulten opstaand uit de zee
 
en niet
 
<toeganklijk> het eeuwige graniet.
 
 
 
een boek dat niet doen zegt
 
gelezen en terzij gelegd
 
 
 
doorgrond, doorzien, doorproefd
 
niet meer behoeft,
 
genoeg heeft gekregen
 
 
 
naar elkander afgewogen
 
uiterlijk, innerlijk gedrag,
 
doen en laten
 
beslag (leggen)
 
op elkander acht geven
 
op ontzien bedacht
[p. 325]
 
spelingen (beslommeringen)
 
waarop de oude
 
en rusten zoude
 
laat
 
zijn oogen van agaat.
[p. 326]

aant.Reeks IV

 
Buiten de deuren en het balkon
 
het bosch der toppen, de opperste on -
 
aantastbare     oorden,
 
en al het overige weggesmoorde
 
gezonken in sombere horizon...
 
wachten, wachten zonder verroeren,
 
zonder uren en zonder tijd,
 
en leeg en wijd en zijd
 
de nacht er naast, veeg en verstoken
 
geloken
 
de vredige honderdtallen.
 
Dan, opengevallen
 
boven de boomen, hoog boven in
 
het witte wonder, een lichtbegin:
 
dun wegschuiven van het grijze
 
zacht schoksgewijze,
 
afzakken en slinken
 
waarin nu alle stammen staan,
 
verheerlijking die hen vast ging slaan,
 
en op eens als eerste teeken
 
dagaanbreken,
 
bewegen, bewegen alaan alaan
 
van buigende takken en wuivende blâen,
 
een loopend geritsel, men weet niet waar van daan.
 
 
 
Liefste, o liefste, wat mag dit wezen?
 
O, welke adem is gerezen,
 
dat alles trilt, dat alles beeft
 
en een meeslepend leven heeft,
 
dat over de heesters en de blaren
 
ontmoeten     komt toegevaren,
 
de heuvelen en het boogverschiet
[p. 327]
 
naderend zijn en weifelen niet
 
en in het ver en in het nabij
 
een     met de gelukkige wij
 
een toebedoelen gebleken is,
 
een klemmende beteekenis,
 
dat hemel, aarde en creatuur,
 
windademen en zonnevuur,
 
de nachtelijke sterrebeelden
 
in ons     en blozen deelden,
 
dat alle schepselen naar den schijn
 
meewetend en medeplichtig zijn
 
en allen zoo in de diepte lezen...
 
 
 
liefste, o liefste, wat mag dit wezen?
[p. 328]

[De wind loopt uit over het pad]

 
De wind loopt uit over het pad,
 
stoot aan tegen de zwarte stammen,
 
strompelt op ruwe wortelkammen,
 
stookt     in het afvalblad
 
de brooze blaren met versterf
 
in     weefselwerk en nerf,
 
met even in het     brons
 
een rimpeling, een fijne frons
 
of ook gerold in statig ronde
 
volutenbocht of
 
 
 
o tuilen, tuilen,
 
van onze wanhoop en verdriet,
 
is in uw dor omhulsel niet
 
het zich verschuilen
 
en heden,
 
nu wij den tocht zijn aangetreden,
 
den gang door ons zwart winterwoud
Uit vroegere schetsen na reg. 15 v.o. (het zich verschuilen)
 
der hooge wonde, al het leege staren
 
van hen, die hingen aan elkaren
 
en zonder hulpe bleven, die gezocht
 
elkanders oogen, ademtocht
 
en biddende omklemden
 
en zonder wederstand bevonden
 
was deze bitterheid de stonde
 
toen alles van hen henenstreek,
 
alles - de
 
<en wat het dierste, deze doorgloeiende vermoedens
 
dit groeiend weten van een zulke een
 
van het bestaan en getuigenis
[p. 329]
 
van een, een ander, die verstond
 
O diep herademen! ->
 
<dit aloude zoeken
 
dit ongeduld     beloofd
 
naar eene die met schaduw om het hoofd
 
en stilte van bezinning     blik
 
herkennen mocht een ander eigen ik>
 
 
 
<al wat een sterfelijk verlangen
 
aan ging hangen
 
en dacht als levens vast bestand
 
geloosd, geslaakt wordt hun verband>
 
o bladen, bladen,
 
uit onbezonnen hand gestrooid,
 
hoe doelloos dwarrelt uw berooid
 
bestaan voort over grauwe paden,
 
totdat     en dan
 
zinkt gij eenzaam     vreemde streek
 
terneergezegen stervensbleek
 
en met een     dood beladen.
 
Hoe voert de werveling uw vracht
 
den hemel in op alle winden,
 
uit     langs blinde wegen
 
en werpt uw lot het toeval tegen
 
en spilt naar willekeur uw jacht.
 
- - - - - - - -
 
Verlaten zonneschijnselen ontvluchten
 
over de landen, waar de kilte dringt,
 
de vale heerscher die de landen dwingt,
 
de blootgekomene in zijn harde grepen.
[p. 330]
 
De fulpen, de zwartfluweelen hemel vol
 
van vele sterren flonkerend,
 
en ik moet denken aan
 
Sappho     zomernacht
 
en een hangt aan de horizont,
 
een heldere, een lamp, o wie de onverschoten
[p. 331]
 
Blinkende rivieren
 
die langs blauwe heuvels zwieren
 
 
 
Er is een zilveren hemelbaan
 
met wolken die op scheiden staan
 
 
 
De onophoudelijke zang van het water
 
 
 
aan de kant
 
hangt aan den wilg het zwarte nettenwant,
 
klaterende koele peppels
 
wolken wit en zielvol blauw
[p. 332]
 
In de oogen te lezen
 
het geestelijk bestaansrecht,
 
dat er een ander is als ik,
 
bevestiging, rechtvaardiging
 
van den bitteren strijd
[p. 333]
 
Zomer drachtig rijpen moet
 
en triomfantelijke wolken
 
boven mijn bloote hoofd,
 
diep blauw,
 
boomen met toppen als pluimen
[p. 334]
 
Mengeling van blijdschap en verdriet,
 
een toedringen, armen uitgaan
 
en tegelijk een terughouden, een angst
 
om het hart slaat,
 
het gaat verloren, verloren, beknelt,
 
dat het ontvangen
 
en het begin is van verlies
[p. 335]

[O toen, toen schuddend]

 
O toen, toen schuddend met den loovertak
 
de morgen ons te bedde stond
 
en verschgesterkt zich het besef
 
verlevendigde en nieuwgezond
 
buiten de luiken als een drift,
 
een knippering van vleugelslag:
 
was het de nacht die wijken ging,
 
was het de vreugdevolte van den dag?
[p. 336]
 
En zie, er ligt een boot gereed.
 
 
 
Onthoudt, onthoudt, onthoudt mij niet
 
de vruchten van uw liefde
 
opengespleten granaat
 
kersen waar
 
de twee appelen, de zachte perzik
 
geestelijke overvloed
[p. 337]
 
Te huur, te huur!
 
mijn ziel hangt op het uiterste
 
huiverend hoog
 
avontuur.
 
Bergen en dalen
 
en een herhalen
 
diep, diep, diep onder een meer
 
met parelkanten;
 
hij heeft het fronsen,
 
streelt zij terecht,
 
zij heeft de tranen
[p. 338]
 
Uit leege verte toegeroep
 
men weet niet waar vandaan
 
maar al aan
 
blaren groen
 
jongvochtig
 
 
 
wat is des harten koekoekroep
 
naar eene die begrijpt
 
die eender is
 
hoe is het leeg
[p. 339]
 
O wat ik kamp in vele uren
 
en nauwelijks te boven kom
 
niet te verduren
 
die roekeloos over de toppen klom
 
 
 
van mijn hoog ademen, o ten slot
 
komt de mindering, de opstand
 
valt
 
 
 
vluchtende banden,
 
alom een effening sindsdien
 
en rustende op zilverstranden
 
de kalmte van het overzien.
[p. 340]
 
Of het nog niet iets mag vinden
 
der oogenblikken, der beminde,
 
opdat ook dit zij ingeprent
 
en zoo de reeks van dezen dag
 
tot     en rijkdom groeien mag
 
vroolijke bent
 
en opgelezen en gegaard,
 
het minste was het meeste waard
[p. 341]

[Al wat voor anderen werd verborgen]

 
Al wat voor anderen werd verborgen
 
groet,
 
het is mijn avond en mijn morgen,
 
het zal mijn nacht zijn als het moet.
 
 
 
Het is mijn liefste toebehooren,
 
wat telkens ik bedenken moet.
 
Ik zoek en vind het onverloren
 
en speur hoe goed, hoe goed het doet.
[p. 342]

[Sidonisch glas van teeder rose]

 
Sidonisch glas van teeder rose,
 
bleek zeegroen, waarover lag als een rag gespannen,
 
als een mat zilverwaas, als dauw op vrouwenwang.
 
En dan in kostbare foudralen zegelsteenen, gemmen,
 
chalcedon, karneool,
 
bloedtopaas, roode hyacinth en bergkristal
 
waarin ingesneden emblemen,
 
de lotosbloem, een koning stijf barbaarsch,
 
recht op, groote strakke oogen opengespalkt, griffioenen,
 
sfinxen, chimairenmonsters, de vogel Grijp.
 
 
 
Dan aan de markt, al waar de karavanen
 
de schokkende kameelen
 
der Aziaten van Achter-Azie,
 
ceders, wapenrustingen,
 
de blonde myrrhe, korrelige wierook, gele specerij,
 
cinamomum, cassia, nardus, sandelhout,
 
rollen schors,
 
jaspis en nephriet,
 
elpenbeen en parelen uit Malabar,
 
Ethiopisch ebbenhout,
 
struisveeren, apen, schreeuwende pauwen,
 
blauwe Perzische turkooizen,
 
leeuwen- en pardelhuiden
 
van Drangiana en Gedrosia.
 
 
 
Dan de Bedowienen, bestoven,
 
fluitende tusschen de tanden, armgezwaai hoog op,
 
schreeuwende tusschen ingeperkte lammeren met rammen
 
en vuile bokken met geklonterden baard,
 
langgehaarde geiten, gestreepte oogen van agaat,
 
drommen uit Sjeba en Zuid-Arabie.
[p. 343]
 
Stapels grijze myrrhe en gekruimde wierook,
 
agaat, onyx, sardonyx
 
en stofgoud in leeren buidels.
 
Noorden
 
het strenge staal, in onverbiddelijke lemmeten geslepen
 
met kille snede, en de ruigbehaarde
 
paarden,
 
glanzende muilen van Armenie
 
en van Tojarma,
 
met een hier vreemde bleekheid
 
en in de diepe, afwezige blik
 
de donkerte van Colchos' wonderwouden,
 
de stille eeuwigheid der hooge gletschervelden,
 
stilte die als een mantel,
 
als een dik gewaad neerzonk
 
om hen en om hun voeten plooide.
 
 
 
en in de binnenstad
 
daar lagen bergen van het gave koren
 
afgudsend van den top,
 
glinsterend in de zon, de matelooze opbrengst
 
van tallooze akkers; in niet af te ziene rijen
 
de aarden vaten,
 
de klaar gezeefde olie, het volle rijke vocht
 
fonkelend door de naden,
 
en elders donker paarsch bedropen
 
uitwasemend
 
en sterk riekend, bedwelmend, walm
 
donker doorzegen.
 
 
 
En dan op tafels     eigen handwerksvolk:
 
in brons, in zilver, in gebrand goud
 
geciseleerd, geteekend, geslepen kommen,
[p. 344]
 
amphoren, bekers, waterschalen,
 
al wat
 
geplooid, gevouwen in de bazar,
 
het koningspurper,
 
wat de nauw-luisterende schier bezielde hand,
 
de kieskeurige godbegaafde vingers van dit donker ras
 
omklemden, en daarnaast
 
de smalle halzen, fiolen,
 
kruikjes.
 
En eindelijk aan de haven, op de blanke kaden
 
ontladen, ontlast    getast,
 
plassend door het water naakte ruggen,
 
nat van zweet glanzend,
 
ruwe waren, barnsteen bij de Liguriën,
 
gekomen overland van waar de binnenzee
 
storm
 
met wier en tang het uitschudde in het haf.
 
En uit twee schepen, begroeid met wier,
 
gehavend van takelage
 
en vaal geworden, verveloos
 
en de bemanning
 
zeemoe en langzaam en de oogen strak,
 
gehaald
 
over de lange ruggen, de ronde rollende baren
 
van den Oceaan