[p. 307]
Schetsen en fragmenten
[p. 308]
aant.
Reeks III
Trekvogelkreet
hoog, hoog verloren, boven in den nacht.
En met een storm heb ik aan u gedacht
onaangeroerde, die het minste weet
van dit verduren en die niet verwacht
dat dit haar deren zou en zich verwondert
en voorts den fonkelenden dag besteedt.
O schreeuw des vogels, schel en wild en wreed
hoe zoet is toch uw binnenst voor den slapelooze;
de lokroep van uw weggang uitgekozen
ter mijn' erinn'ring vindt den wakende gereed.
Een wrevel schudt, een mokkend norsch verheffen
de vederen, als altijd was verwacht,
tot glanzende vervulling wordt de nacht
met zich zichzelf te voelen, van beseffen:
het is genoeg! O opstand, diepste zin,
en wrevel, hoogste poging, hoogst gewin
die en aan den grond
wroet in zijn ergernis gewond
en in kwetsuren
en zoo het wilde van de vogelstem
het opgewondene, o welk een antwoord
in dezen wrange die zich op mocht beuren
van af zijn bed, van af den lagen grond
en door den nacht getild en hier vandaan
op plotselinge wieken en verruiming
van ademtocht en ziel,
zalig en stil verheerlijkt zag
dat hij dit al verlaten mag.
Voorbij, voorbij! de lucht wordt heller,
[p. 309]
er is een ijler licht en ademsfeer
naar oorden zijner keuze
Was niet in dezen <allengs> groot gebracht
o nauw getorste dracht
een bitter zwaar verdriet, en dan, omvaamde
zijn helder stil verlangen
de zoomen niet van alle aardverblijven,
de overgrenssche wereld waar beklijven
aan mag vangen?
Het zalig oneindige smachten van de jeugd
<En nu naar bergen, niet naar kinderlijk gebied,
niet naar het eiland der beminden beiden>
naar rotsige gebergten, een bestand
van rond verweerde steenen en van kloven,
een stroomgeruisch komt uit het dal naar boven,
een leege nevel hangt er langs den wand,
waar kluizenaars fijne baardgezichten
verrichten
bescheiden bezigheden tieren
herten en rustige bedaarde dieren.
O mijn verlangen, veilig omgedragen
opperst van de ziel
helderst en ijlst
[p. 310]
Tintelende ontroering
zich zelf genoeg,
en met de volontloken wangen
en met de forsche wrong der haren
met het hoofd aangeleund
stond zij zwaar, zwart;
rijke rozenbottels
oranje en rood,
schat bij schat,
o de (weet je nog) barstten,
bloemenknoppen des harten,
het ongekreukte bloemenblad
lag in onze hand
[p. 311]
[Gleed ooit een schooner manestraal]
Gleed ooit een schooner manestraal
neer in de diepten van het bosch
<over de> welvende loovertros
gestort <als in> een marmerzaal,
verzinkende de blauwe schijn
in de ravijnen van de boomen,
de hellingen waar af mag stroomen
een zifting ; stil gordijn,
waar niemand achter staat
En de verzilvering maakt los
het geringste blad
op den geregen halm gespat,
gesprenkeld op het vloeiend mos,
een snippering op alle twijgen
van deze pracht
omsloten in den nacht.
Gleed ooit een schooner manestraal -
ik roep het uit in stameltaal,
o o stof van monden
die 't onuitsprekelijke niet konden
bedwingen! Nochtans ik herhaal
totdat het op mijn lippen sterft,
het woord onzeker wordt en zwerft
want overal in het ronde
volte van leven op eene maal woelt
[p. 312]
omdat mijn aanzijn voelt
de looveren, de takken zwart,
zij dragen ons naar waar het hart
der wereld is; voelt gij niet hoog
der dingen donzen elleboog?
ons onbegrepen, ongewild,
wij worden staamlend opgetild
zonder zonder plichten
van de ontheven zoolgewrichten.
O vlindervoeten voortaan glad
over het stronkenpad,
eenparig glijden door de lanen
en zich zwevend wanen,
geleidlijk oop'nen van het hek
en een grootnachtelijk vertrek.
[p. 313]
Een lucht van marmer en van onyxsteen,
de maan in goudgloed er door heen,
vijf smalle stammen, uitgedund
laantje versmeltend aan de punt
en aan de kimmen stonden
onsterfelijke verlangens stil van monden,
takken gerezen wit en lispelend groen,
o zacht innemend en betoovrend toen,
de voeten frommelend in de bronzen blaren,
en lichte zweem op onze voorhoofds âren,
onverzadigd
ik droeg u op o de volle snik
van aan mijn borst geborgen oogenblik,
van uit het diepste opgehaald
de schemerende beelden het oude park
[p. 314]
[Vijver, juweelen waterkom]
Vijver, juweelen waterkom
vijver der liefste, waar rondom
de paden onzer loopen
met slingeringen en verknoopen
van hun gedachtelooze gangen,
Vijver der liefste, waarin hangen
de waterlelies, boven drijven
en ingeschreven cirkels schrijven,
Vijver der liefste, helderheid
die maar op ééne, op ééne beidt;
de hemel is er in en zij
in blozenden ijver
als zij zich buigt
over den vijver
van zich getuigt,
in deze zacht gestreken zproblem
des waters haar gezicht ook zelf
glanst als het luchtgewelf.
[p. 315]
[De jonge oogen op een heldren dag]
De jonge oogen op een heldren dag
of wat de drang wezen mag
telken keer
door vensterruiten opziende in het stille weer,
voelt zich de ziel niet uit de borst getogen
aan den dunnen draad gehangen
der aandacht,
dieper ademhalen
in de spiegeling der lucht
getild
in een bestaan dat o zoo zeer verschilt
van dit voorhandene,
een wemeling die licht, licht en ver,
ver, ver toch...
een schijn
een hangen daaraan van het begeeren
een ander land, een ander leven is het doel,
o voorgevoel, o voorgevoel!
viel er een leegte en dan een wemeling
van wenschen een sterk gevoel
dat deze
naar elders wilde en diende
wij beide twee.
O storm en al omwervelende vlaag
als in mijn armen ik de liefste draag
en over gebogen
ontmoeten mag haar aanziende oogen,
gewillig wenken en gerust
wordt en gekust
[p. 316]
Dan de binnenbons van het ontmoeten
verklaarde wetenschap
ook van haar mond bëaamd
gedragen door mijn kracht,
weggebracht
ontvoerd
waarom, waarin onbekend
ten diepste ware toebestemd
dit was ons bezielt,
begoocheling
het eeuwige zoeken naar een ander ik,
bevestiging van eigen wezen
dat hier niet te na gekomen werd.
[p. 317]
[Een blauwe lucht en wolkengrijs]
Een blauwe lucht en wolkengrijs,
een maan in 't zilver, dat ik meen te hooren,
in verte en heuvelland het wachtwoord van den horen
dat omgaat zwellend schoksgewijs
herinnering en bewijs
dat nu daarginder in het kreupelhout
en de fluweelen dennen
de fijne nevels zijn opgehangen,
de herfstdraden,
dat in het bosch de distinctie, en het kiesche is
van eerste kilte en in de greppels
onder tak en blad
het teeder wit bevrozen nat,
het dunne zwarte ijs.
En nu de klare wijs
van het signaal,
<spettende klanken van metaal,>
zwervende klanken, stervensklacht
late stem van de jacht
die oproept al in mijn zin;
ik die mijn jeugd bemin,
voel al weggebracht
naar andere streken
een voelen wrang en droef
komt op en een geproef
<van blarenafval en in vocht verzinken>
O gekweekt verlangen,
o tevergeefsch omvangen
van andere (menschen) en een schooner lot,
o leegte het gewonnene ten spot
en spijt
die in alle overvloed het harte splijt,
[p. 318]
grief
tegen al wat lief
mag schijnen o vragen,
stil snikken
en toegeven,
in smart vergaan, zooals dan
en zacht
de smart der dingen
(lacrymae rer.)
De maan schijnt op mijn verdroogde boeken,
op die, op die
de tijd dat ik geloofde, dat de verklaring
en het wezen van alles te vinden was,
dat ik God zocht,
en nu zijn het de ruggen slechts
en die gesloten blijven
[p. 319]
De zoelten van uw stroomen
uw edeldadig bloed
het oproer van de polsen; ingestort
is voller ademen ruimer wordt
in dit onstuimig
De teugen halen in
van land van zee
wind om de slapen, uitzicht
glans
van zelfrechtvaardiging,
van blank weer op zich zelf staan, hemeltrans
rondom de slapen, oogen die ontmoeten
het hoogste te voeten
de ballast dezer aarde.
O ruimten, verruiming
van borst en geest, ruimte allerzijds
onstuimig,
het schittert boven mij, en slank van leden
ligt alles achter, helder en weer blank
als vloeide zilver langs de jonge leden.
[p. 320]
[Als water vallende in den nacht]
Als water vallende in den nacht
zoo wordt de smart mij toegebracht
sober zijgen
dat streng zich voordoet in het zwijgen
stormende overvloed
sombere spoed.
En een bevangen luisteren is
achter het scherm der duisternis,
in angst en wachten opgenomen
de brokkelrotsen en de boomen,
stil gebleven
bochten en de lommer dreven.
O bitternis die zich bekent
in het gefloersde firmament,
de plechtige geslotenheid
van nacht en aardrijk alle beid',
de samenkomst van berg en dal
en den verborgen waterval.
En uit den ondergrondschen krocht
rijst biddende een ademtocht,
een klacht, een zucht, een snikken weent
[p. 321]
ver en zwerft om het gesteent
onbestemd en vaag
een lispelende vraag
en dan met omslaan van den toon
het antwoord der verwulfde woon,
klokgebrom
doordreunende alom,
verkondigende bengeling:
bestendiging! bestendiging!
[p. 322]
[O vlonder tot ons toegeschoven]
O vlonder, tot ons toegeschoven
over de helderte van boven
de gulden streek
die ver en die nabij geleek
geschreven lijnen
die komen en verdwijnen
gespeel
van dit het wankelend luchtkasteel.
En nu betreden en bevolkt
zet elk zich zelve voor
en wacht dan op het naderkomen
der wederhelft
omfloersd, verdonkerd,
waar nauw de zij flonkert
gedoken in het schaduwdons
van het genoegelijk onderons,
de der wonderzoete
vertrouwelijke vrouwenvoeten.
Dit
met volgen en met onderbreken
is het als een met woorden spreken,
verlangen, wachten, voortgestoeid
gewiegd, luchtig geschoeid
en dan een wankel evenwicht
o gedicht
helder en frank, en ginder zwicht
een schaduw neer; er wordt gezegd
een roerend vers, dat open legt
[p. 323]
veel
En leeg weer en alleen gelaten
o vlonder
met hemel boven, hemel onder.
De frissche hanenkraai,
geschulpt geluid, gulden en zilvren boorden
gelegd om de afzonderlijke woorden
om de syncopen elk
de sikkelveeren
groen afgaand van het donker,
de hals in slierten donker rood en bruin
verschuivende, de zwarte kop en schuin
de paarlemoeren ooren,
de dwingende tiran die tartende en kras
stapt in het hooge gras.
[p. 324]
[De oude buur]
De oude buur
verdiept in eindeloos getuur
gezeten aan den oeverrand
van het oud park, het bochtig strand,
de kronkelende looverboomen,
de welvingen waaronder uit
de blauwte licht zich opensluit
tot waar zij ver versmelten mag
met den witpaarlemoeren dag
en lichte kimmen, en te midden
een enkel eiland, ingebeten
verweerde rotsen, rondgesleten,
gebogen wel als buffelvee
met bulten opstaand uit de zee
en niet
<toeganklijk> het eeuwige graniet.
een boek dat niet doen zegt
gelezen en terzij gelegd
doorgrond, doorzien, doorproefd
niet meer behoeft,
genoeg heeft gekregen
naar elkander afgewogen
uiterlijk, innerlijk gedrag,
doen en laten
beslag (leggen)
op elkander acht geven
op ontzien bedacht
[p. 325]
spelingen (beslommeringen)
waarop de oude
en rusten zoude
laat
zijn oogen van agaat.
[p. 326]
aant.
Reeks IV
Buiten de deuren en het balkon
het bosch der toppen, de opperste on -
aantastbare oorden,
en al het overige weggesmoorde
gezonken in sombere horizon...
wachten, wachten zonder verroeren,
zonder uren en zonder tijd,
en leeg en wijd en zijd
de nacht er naast, veeg en verstoken
geloken
de vredige honderdtallen.
Dan, opengevallen
boven de boomen, hoog boven in
het witte wonder, een lichtbegin:
dun wegschuiven van het grijze
zacht schoksgewijze,
afzakken en slinken
waarin nu alle stammen staan,
verheerlijking die hen vast ging slaan,
en op eens als eerste teeken
dagaanbreken,
bewegen, bewegen alaan alaan
van buigende takken en wuivende blâen,
een loopend geritsel, men weet niet waar van daan.
Liefste, o liefste, wat mag dit wezen?
O, welke adem is gerezen,
dat alles trilt, dat alles beeft
en een meeslepend leven heeft,
dat over de heesters en de blaren
ontmoeten komt toegevaren,
de heuvelen en het boogverschiet
[p. 327]
naderend zijn en weifelen niet
en in het ver en in het nabij
een met de gelukkige wij
een toebedoelen gebleken is,
een klemmende beteekenis,
dat hemel, aarde en creatuur,
windademen en zonnevuur,
de nachtelijke sterrebeelden
in ons en blozen deelden,
dat alle schepselen naar den schijn
meewetend en medeplichtig zijn
en allen zoo in de diepte lezen...
liefste, o liefste, wat mag dit wezen?
[p. 328]
[De wind loopt uit over het pad]
De wind loopt uit over het pad,
stoot aan tegen de zwarte stammen,
strompelt op ruwe wortelkammen,
stookt in het afvalblad
de brooze blaren met versterf
in weefselwerk en nerf,
met even in het brons
een rimpeling, een fijne frons
of ook gerold in statig ronde
volutenbocht of
o tuilen, tuilen,
van onze wanhoop en verdriet,
is in uw dor omhulsel niet
het zich verschuilen
en heden,
nu wij den tocht zijn aangetreden,
den gang door ons zwart winterwoud
Uit vroegere schetsen na reg.
15
v.o. (het zich verschuilen)
der hooge wonde, al het leege staren
van hen, die hingen aan elkaren
en zonder hulpe bleven, die gezocht
elkanders oogen, ademtocht
en biddende omklemden
en zonder wederstand bevonden
was deze bitterheid de stonde
toen alles van hen henenstreek,
alles - de
<en wat het dierste, deze doorgloeiende vermoedens
dit groeiend weten van een zulke een
van het bestaan en getuigenis
[p. 329]
van een, een ander, die verstond
O diep herademen! ->
<dit aloude zoeken
dit ongeduld beloofd
naar eene die met schaduw om het hoofd
en stilte van bezinning blik
herkennen mocht een ander eigen ik>
<al wat een sterfelijk verlangen
aan ging hangen
en dacht als levens vast bestand
geloosd, geslaakt wordt hun verband>
o bladen, bladen,
uit onbezonnen hand gestrooid,
hoe doelloos dwarrelt uw berooid
bestaan voort over grauwe paden,
totdat en dan
zinkt gij eenzaam vreemde streek
terneergezegen stervensbleek
en met een dood beladen.
Hoe voert de werveling uw vracht
den hemel in op alle winden,
uit langs blinde wegen
en werpt uw lot het toeval tegen
en spilt naar willekeur uw jacht.
- - - - - - - -
Verlaten zonneschijnselen ontvluchten
over de landen, waar de kilte dringt,
de vale heerscher die de landen dwingt,
de blootgekomene in zijn harde grepen.
[p. 330]
De fulpen, de zwartfluweelen hemel vol
van vele sterren flonkerend,
en ik moet denken aan
Sappho zomernacht
en een hangt aan de horizont,
een heldere, een lamp, o wie de onverschoten
[p. 331]
Blinkende rivieren
die langs blauwe heuvels zwieren
Er is een zilveren hemelbaan
met wolken die op scheiden staan
De onophoudelijke zang van het water
aan de kant
hangt aan den wilg het zwarte nettenwant,
klaterende koele peppels
wolken wit en zielvol blauw
[p. 332]
In de oogen te lezen
het geestelijk bestaansrecht,
dat er een ander is als ik,
bevestiging, rechtvaardiging
van den bitteren strijd
[p. 333]
Zomer drachtig rijpen moet
en triomfantelijke wolken
boven mijn bloote hoofd,
diep blauw,
boomen met toppen als pluimen
[p. 334]
Mengeling van blijdschap en verdriet,
een toedringen, armen uitgaan
en tegelijk een terughouden, een angst
om het hart slaat,
het gaat verloren, verloren, beknelt,
dat het ontvangen
en het begin is van verlies
[p. 335]
[O toen, toen schuddend]
O toen, toen schuddend met den loovertak
de morgen ons te bedde stond
en verschgesterkt zich het besef
verlevendigde en nieuwgezond
buiten de luiken als een drift,
een knippering van vleugelslag:
was het de nacht die wijken ging,
was het de vreugdevolte van den dag?
[p. 336]
En zie, er ligt een boot gereed.
Onthoudt, onthoudt, onthoudt mij niet
de vruchten van uw liefde
opengespleten granaat
kersen waar
de twee appelen, de zachte perzik
geestelijke overvloed
[p. 337]
Te huur, te huur!
mijn ziel hangt op het uiterste
huiverend hoog
avontuur.
Bergen en dalen
en een herhalen
diep, diep, diep onder een meer
met parelkanten;
hij heeft het fronsen,
streelt zij terecht,
zij heeft de tranen
[p. 338]
Uit leege verte toegeroep
men weet niet waar vandaan
maar al aan
blaren groen
jongvochtig
wat is des harten koekoekroep
naar eene die begrijpt
die eender is
hoe is het leeg
[p. 339]
O wat ik kamp in vele uren
en nauwelijks te boven kom
niet te verduren
die roekeloos over de toppen klom
van mijn hoog ademen, o ten slot
komt de mindering, de opstand
valt
vluchtende banden,
alom een effening sindsdien
en rustende op zilverstranden
de kalmte van het overzien.
[p. 340]
Of het nog niet iets mag vinden
der oogenblikken, der beminde,
opdat ook dit zij ingeprent
en zoo de reeks van dezen dag
tot en rijkdom groeien mag
vroolijke bent
en opgelezen en gegaard,
het minste was het meeste waard
[p. 341]
[Al wat voor anderen werd verborgen]
Al wat voor anderen werd verborgen
groet,
het is mijn avond en mijn morgen,
het zal mijn nacht zijn als het moet.
Het is mijn liefste toebehooren,
wat telkens ik bedenken moet.
Ik zoek en vind het onverloren
en speur hoe goed, hoe goed het doet.
[p. 342]
[Sidonisch glas van teeder rose]
Sidonisch glas van teeder rose,
bleek zeegroen, waarover lag als een rag gespannen,
als een mat zilverwaas, als dauw op vrouwenwang.
En dan in kostbare foudralen zegelsteenen, gemmen,
chalcedon, karneool,
bloedtopaas, roode hyacinth en bergkristal
waarin ingesneden emblemen,
de lotosbloem, een koning stijf barbaarsch,
recht op, groote strakke oogen opengespalkt, griffioenen,
sfinxen, chimairenmonsters, de vogel Grijp.
Dan aan de markt, al waar de karavanen
de schokkende kameelen
der Aziaten van Achter-Azie,
ceders, wapenrustingen,
de blonde myrrhe, korrelige wierook, gele specerij,
cinamomum, cassia, nardus, sandelhout,
rollen schors,
jaspis en nephriet,
elpenbeen en parelen uit Malabar,
Ethiopisch ebbenhout,
struisveeren, apen, schreeuwende pauwen,
blauwe Perzische turkooizen,
leeuwen- en pardelhuiden
van Drangiana en Gedrosia.
Dan de Bedowienen, bestoven,
fluitende tusschen de tanden, armgezwaai hoog op,
schreeuwende tusschen ingeperkte lammeren met rammen
en vuile bokken met geklonterden baard,
langgehaarde geiten, gestreepte oogen van agaat,
drommen uit Sjeba en Zuid-Arabie.
[p. 343]
Stapels grijze myrrhe en gekruimde wierook,
agaat, onyx, sardonyx
en stofgoud in leeren buidels.
Noorden
het strenge staal, in onverbiddelijke lemmeten geslepen
met kille snede, en de ruigbehaarde
paarden,
glanzende muilen van Armenie
en van Tojarma,
met een hier vreemde bleekheid
en in de diepe, afwezige blik
de donkerte van Colchos' wonderwouden,
de stille eeuwigheid der hooge gletschervelden,
stilte die als een mantel,
als een dik gewaad neerzonk
om hen en om hun voeten plooide.
en in de binnenstad
daar lagen bergen van het gave koren
afgudsend van den top,
glinsterend in de zon, de matelooze opbrengst
van tallooze akkers; in niet af te ziene rijen
de aarden vaten,
de klaar gezeefde olie, het volle rijke vocht
fonkelend door de naden,
en elders donker paarsch bedropen
uitwasemend
en sterk riekend, bedwelmend, walm
donker doorzegen.
En dan op tafels eigen handwerksvolk:
in brons, in zilver, in gebrand goud
geciseleerd, geteekend, geslepen kommen,
[p. 344]
amphoren, bekers, waterschalen,
al wat
geplooid, gevouwen in de bazar,
het koningspurper,
wat de nauw-luisterende schier bezielde hand,
de kieskeurige godbegaafde vingers van dit donker ras
omklemden, en daarnaast
de smalle halzen, fiolen,
kruikjes.
En eindelijk aan de haven, op de blanke kaden
ontladen, ontlast getast,
plassend door het water naakte ruggen,
nat van zweet glanzend,
ruwe waren, barnsteen bij de Liguriën,
gekomen overland van waar de binnenzee
storm
met wier en tang het uitschudde in het haf.
En uit twee schepen, begroeid met wier,
gehavend van takelage
en vaal geworden, verveloos
en de bemanning
zeemoe en langzaam en de oogen strak,
gehaald
over de lange ruggen, de ronde rollende baren
van den Oceaan